“de vrijheid van het schrijven is voor mij een groot goed”

Herbert Mouwen (1952) is actief als toneelregisseur, theater- en poëzierecensent, dichter en verhalenschrijver. Hij heeft veertig jaar in het onderwijs gewerkt en is afgestudeerd aan de VU te Amsterdam, oudere Nederlandse letterkunde, specialisatie komisch toneel.
Van hem verschenen twee dichtbundels, de laatste De handen van de tijd, en twee verhalenbundels.
Alja Spaan stelde hem de bekende vragen.

foto Rien van Kaam

 

Wanneer las je voor het eerst poëzie?
Tussen mijn tiende en zestiende jaar zat ik op kostschool. We moesten elke dag zo lang op de studiezaal verblijven, dat je uit verveling ging lezen en schrijven. Stiekem, want lezen mocht niet, dat was geen studeren! Schrijven deed ik ongemerkt op een kladblok. Ik was al op jonge leeftijd gefascineerd door cabaretteksten en mooie liedteksten uit de popmuziek. Ook kan ik me herinneren dat ik in de klas De spin Sebastiaan van Annie M.G. Schmidt onder ogen kreeg. Enige jaren later was De vis van Ed Hoornik voor mij een openbaring: blijkbaar kon je ook gedichten schrijven in zo’n vrije vorm. Nadat ik kennismaakte met de poëzie van Paul van Ostayen, Gerrit Achterberg, Hans Andreus, Lucebert en Rutger Kopland liet de dichtkunst mij niet meer los. Tijdens mijn studie Nederlands ben ik ook middeleeuwse en vroegmoderne poëzie gaan waarderen.

Hoe ben je bij Meander terecht gekomen? Wat is er leuk aan deze klus?
Eerlijk gezegd weet ik dat niet meer. Waarschijnlijk heb ik op een oproep van Rob Vos gereageerd. In de periode 2004-2006 selecteerde ik gedichten en verhalen. Vooral de zorg over de rubriek Gedicht van de maand vond ik uitdagend. Ik kwam in aanraking met de meest uiteenlopende vormen van poëzie en werd gedwongen na een meestal intuïtieve keuze de lezer argumenten te geven waarom ik voor een bepaald gedicht koos. Na enkele jaren ben ik vanwege drukke werkzaamheden in het onderwijs gestopt. Sinds een jaar ben ik weer medewerker van Meander, nu als recensent van nieuw verschenen dichtbundels. Het recenseren heeft naast het bovengenoemde aspect meer aantrekkelijke kanten, zoals het schrijven zelf, het verwoorden van jouw ideeën voor een lezerspubliek. Schrijven houdt mij rustig, is voor mij onmisbaar. Ook de vrijheid van het schrijven is voor mij een groot goed. Verantwoording afleggen aan mijzelf, niet aan anderen en niet meer dat dwangmatige keurslijf van mijn onderwijswerk. Heerlijk!

Je publiceert zelf ook. Kun je verwoorden wat het belang van Meander is voor poëten?
Meander brengt dichters met elkaar in contact en laat zien hoe het met de actuele poëzie ervoor staat. Interviews laten de lezers kennismaken met de beweegredenen waarom dichters dichten. Analyses van de klassiekers geven toegang tot een wat moeilijker gedicht of een gedicht dat wat verder van de lezer afstaat. Recensies van poëziebundels kunnen lezers informeren, overtuigen en activeren: wat wil ik als lezer wel en wat wil ik niet gaan lezen? Meander staat midden in het poëzielandschap.

Wat is het verschil voor jou tussen het schrijven van gedichten en het maken van verhalen?
Voor mij is er een groot verschil. Zo’n 25 jaar geleden kwam bij mij de behoefte op om ironische teksten te schrijven. Verschillende vormen van humor wilde ik toepassen in mijn teksten. Dat lukte me op dat moment niet in mijn poëzie, wel in het schrijven van verhalen. Ook ontdekte ik dat ik in proza ongehinderd kon ‘liegen’. Veel van mijn verhalen zijn in de kern autobiografisch, maar soms laat ik de plot anders aflopen. Met een glimlach op mijn gezicht geef ik mijn ervaringen een andere wending of een lichtere toon. Op deze wijze je eigen werkelijkheid creëren is voor mij een levensbehoefte geworden. Naast verhalen en gedichten schrijf ik toneelteksten. Gedurende lange tijd houd ik me intensief bezig met toneel. Ik bewerk bestaande toneelstukken, schrijf eigen toneelteksten, regisseer en ben al twintig jaar theaterrecensent bij een regionale krant.

 

Drie gedichten (c) Herbert Mouwen

Droesem

Wat ervan over is, de brieven
waarin de verhalen wegkwijnen,
zinnen die zich laten weglezen,
het relaas van de vrouw met
de fresia’s in haar haar, de maan
die zich aan een immense dorst
laaft, de papieren anemonen
die zich in woorden verslikken,

wat ervan over is, de hond die
amechtig tegen het kwaad blaft,
de gevelklok die haar uren toont,
de tandeloze sneeuw waarin het
kind speelt, de smaak van witte
handen, de oerdrift die haar blik
beheerst, een armetierig masker
dat ze nauwelijks meer draagt,

wat ervan over is, de schoenen
van het vergeten, het verlangen
dat riekt naar angst, het lied dat
veelal vals klinkt, de wiegende
roeiboot van een onbeantwoorde
liefde, kuddes witte wolken die
hijgend voorbij ijlen, kleuren van
toen en nu en wat ze achterlaat

 

Verwoeste stad

In een stad die duizenden bommen ontving,
nu een aangenaam betonnen landschap, horen
minimaal tien bomen te staan, al is het maar
om jou te leren tellen, zei mijn moeder op de

Westblaak – Even later zei ze hoorbaar tegen
zichzelf terwijl ze zwierend om haar as draaide:
Hier stond het huis! – Ze keerde nooit terug

Uit mijn mond hoor je de komende jaren nog
honderden verhalen, zei ze, al is het maar
om ze op te schrijven of door te vertellen

Duizenden bomen, voor elke bom één, waren
groot toen ik groot was en zij er niet meer was
Haar verhalen waren zo ongelooflijk dat ik
sprakeloos bleef, bang werd dat ik ze vergat

In de appelboomgaard

In hoog gras zijn we op zoek naar verloren
vormen, niemand ziet wat wij kunnen zien,
niemand ziet wat wij al langer zagen

Onze zondagse kleren liggen in het gras,
niet begraven onder verse aarde willen we
worden als mollen, alle vlees is gras

tenslotte – We blijven roerloos als appels
onder een boom liggen, te hooi en te gras
wellicht, te worm liggen voor later

Wat ik bewaar voor de dorst neigt naar
een herinnering of ongeschreven gedicht,
niet naar een grond om op te staan

Geplaatst in Interviews.