Herbert Mouwen – De handen van de tijd

Vader hield de deur voor eeuwig open

door Joop Leibbrand

Oud- Meandermedewerker Herbert Mouwen (Breda, 1952) publiceerde in 1991 al het bescheiden dichtbundeltje De zon is kapot, maar los van enkele gedichten in verzamelbundels, bracht hij daarna alleen een tweetal verhalenbundels uit. Met De handen van de tijd – een forse bundel: 61 gedichten, verdeeld over acht titelloze afdelingen – profileert hij zich nu weer als dichter.

De bundel kreeg als motto een citaat van Hans Warren mee: ‘Wat doe je met me, Tijd, dat vrijwel nimmer/ ik het uur pluk, maar steeds naar schimmen jaag/ de toekomst in of uit, in een vertwijfeld pogen/ te zeggen ik bestond, besta, ik zal bestaan?‘ Daarmee is het centrale thema gegeven, nog benadrukt door het eerste gedicht:

Annonce

Alles verdwijnt of verstopt zich
achter een kolom van woorden

Niets raakt weg zonder bericht,
het noemen van haar naam legt

alles vast – Begraaf je haar dan
gaat ze dood, haal je herinneringen

naar boven – Als ik aan haar denk
dan blijft ze eeuwig leven, vergeet

ik haar, dan verdwijnt ze echt, al
is het maar voor even, al is het niet

gezegd

In handen van een oudere dichter krijgt de tijd haast onvermijdelijk een wat melancholieke lading, zeker in combinatie met reflecties op dichterschap en zingeving. ‘Dichter van de simpele dingen’ kenschetst hij zichzelf in een van de eerste gedichten, maar de waarheid van de gedichten is nu juist dat de persoonlijke beleving van de onmogelijkheid de tijd stil te zetten of terug te roepen nooit eenvoudig is. Tenzij je het overheersende besef van vergeefsheid als zodanig wilt zien. C’est le ton qui fait la musique, en waarover Mouwen ook schrijft, er is een grondtoon die vast verbonden is aan een niet te miskennen levenshouding, aan het besef ‘dat de tijd je wenkt’. En dan móet je op zoek naar ‘de archeologie// van de tijd [die] bestaat uit nooit genomen/ foto’s die zich in sepia in je geheugen/ genesteld hebben’.

‘Een blinde blik/ naar buiten van/ binnen’ schrijft Mouwens ‘ik’ zichzelf toe en wie zo kijkt correspondeert noch met zichzelf, noch met de wereld om hem heen.
Vandaar de noodzaak van het vinden van een bestaansgrond, die overduidelijk gevonden wordt in de taal. Met regelmaat is er sprake van ‘schrijven’, ‘dichter’ en ‘gedicht’; in een kleine twintig gedichten komt in totaal liefst vijfendertig keer ‘woorden’ of ‘woord’ voor. Hier is iemand aan het werk die zich in hoge mate bewust is van het eigen dichterschap en het materiaal waarmee hij werkt. Dat zou kunnen leiden tot ijdel vertoon, maar Mouwen ontsnapt daaraan dankzij zijn uitgangspunt: ‘de/ treurige hang naar het ongerijmde,// de echo van het vergeten, een/ vrijbrief om te schrijven’.

Evenmin heeft het geleid tot eentonigheid, want de variatie in onderwerpen is groot. In het oog springen vooral de beeldende natuurbeschrijvingen en een aantal portretten van mensen en locaties, en speciaal de twee afdelingen waarin hij de gedichten over zijn ouders onderbracht. Indringend schrijft Mouwen over de door keelkanker stom geworden vader, naar wiens ‘stem’ hij zelf vergeefs op zoek gaat, maar die hij zo de lezer wel degelijk laat horen. Het is een vader die niet snel vergeten zal worden.

Als in het eerste van de moeder-gedichten staat ‘Vader hield de deur voor eeuwig open,/ moeder niet’, verwacht je als lezer gedichten die voor die moeder negatief uitpakken, misschien een afrekening zijn. Zo is het niet, maar het lijkt erop dat haar krachtige persoonlijkheid wel tot een meer afstandelijke benadering heeft geleid. In ‘Moeders dood’ staat in de laatste strofe over deze ‘boom van een vrouw’ het volgende:

En nu, hoe ze daar ligt: geveld,
door een blauwe bliksem
gespleten, ik ben naar buiten
gekropen, ben verbaasd om
haar heen gelopen, heb met
een rimpelig geweten afscheid
genomen, op afstand haar
ringen geteld

Enkele gedichten hebben ook een erotische lading. Omdat ze in twee verschillende afdelingen voorkomen, gaat daarvan de suggestie uit dat ze over verschillende relaties gaan, hoewel het ook een verschil in de tijd kan zijn. Bovendien liggen bij Mouwen ‘verlangen’ en ‘herinnering’ dicht bij elkaar. Sterke poëzie wordt het niet altijd, lees bijvoorbeeld het slot van ‘Velden van verlangen’:

Wanneer ik met zachte hand
de vrouw ontdek die ik
me niet meer herinner,
dan zijn we zo walmig

dichtbij in elkaars geuren
dat we slechts met onze
vingers kunnen luisteren
naar de kleuren van de
doorklinkende geluiden

Hoe kun je in hemelsnaam dat ‘walmig// dichtbij in elkaars geuren’ laten passeren…
Gelukkig staat er heel veel goeds tegenover. Herbert Mouwen schreef met De handen van de tijd een méér dan verdienstelijke bundel.

Geplaatst in Recensies.