Rogier de Jong

Rogier de Jong (Groningen, 1952) schrijft geen hermetisch gesloten gedichten maar poëzie waarin hij kan wonen. Daarom noemt hij zichzelf met een knipoog naar Franz von Suppé ‘dichter en bouwer’. Zijn werk onderzoekt in een schijnbaar heldere, prikkelende taal wat mensen (en dingen) beweegt en de plaats daarin van de dichter.
Hij publiceerde in verschillende literaire tijdschriften, waaronder Tirade, De Brakke Hond, Ballustrada en Meander.
In 2018 bereikte hij de top honderd van de Turing Gedichtenwedstrijd. Op 23 maart a.s. wordt zijn debuutbundel ‘Memento’ (uitgeverij Liverse) gepresenteerd m.m.v. Delphine Lecompte, André van der Veeke en Tijs van Bragt.
Uit deze bundel komen de volgende gedichten.

Klaske Kuperus Fotografie

 

Je vangt me altijd

Hoe wij waren? Ik denk
voornamelijk wild.
Wij woonden in een
hof zonder zeden.

We legden onze
geloften af en vochten
ons met een witte vlag
terug naar de vrede.

Konden wij nog iets
anders dan neuken?
Buiten bed was jij
vooral wankelmoedig.

Het ballet in de
slaapkamer was voor jou
de vlucht uit een strijdperk.
Je rekende af

met een tijdperk. Je tastte
naar een vangnet en zei
vaak, bijna smekend:
‘Je vangt me altijd.’

 

 

Rozenkrans

Zoals je op de rand van
je bed zat met je rozenkrans
in je hand.

Zoals je in het uur van de cimbalen
terugkeerde naar je
vaderland van de

goedertierenheid naar het
vuur van de engelen van de
hand waarin je zou slapen.

Zoals je niet om genezing
vroeg. Zoals je diep ademde en
indachtig je sprong nadacht.

 

 

Als jij was gebleven

Als jij was gebleven had
het leven er waarschijnlijk
hetzelfde uitgezien.

Jij achter je make-uptafel,
een smeulende sigaret
in de asbak,

ik laverend tussen de
twee minnaars die ik kon
zijn: de dienende en de

verdiende, de door jou
bestelde en die andere, de
veronderstelde, de echte.

Toen ik eindelijk partij koos,
was jij al gevlogen (al wilden
de duiven niet uit het mandje).

Geplaatst in Gedichten.