Poëzie Kort 2019 / 3

Jan Terlouw, Gedichte gedachten

(door Eric van Loo)

Jan Terlouw (1931) is een bijzonder mens. Hij was jarenlang politiek leider van D66, en was daarnaast tot verbazing van velen ook schrijver van jeugdboeken. Die verbazing sloeg snel om in bewondering, Oorlogswinter en De koning van Katoren zijn niet meer weg te denken uit de Nederlandse jeugdliteratuur. En dat voor iemand die zijn carrière begon als natuurkundige. Terlouw raakte na zijn vertrek uit de Eerste Kamer in 2003 wat uit beeld, al bleef hij schrijven, ook voor volwassenen. Tot hij opeens twee jaar geleden met een toespraak bij De Wereld Draait Door een geweldige comeback maakte. Een toespraak waarin hij de veranderingen in de maatschappij en het verlies van zekerheden en van vertrouwen in elkaar wist samen te vatten in dat ene symbool: het touwtje uit de brievenbus. Door dat touwtje kreeg de andere helft van zijn boodschap minder aandacht: zijn zorgen over het verwoesten van de aarde door de mens.

November 2018 verscheen een gedichtenbundel met de bedenkelijke titel Gedichte gedachten. Een mooie gebonden uitgave, met een voorkant die in een christelijke boekhandel niet zou misstaan. En dat voor iemand, die zich ook in deze bundel uitgesproken agnost noemt. De bundel opent hoopvol, met een sonnet over de Waddenzee (‘In eeuw’ge aarzeling tussen zee en land, / afwisselend zand en slib, ligt onontgonnen, / als woongebied van kokkels en van nonnen, / het Wad, Europa’s zoute waterkant.’) en het gedicht ‘Plataan’: ‘Mijn dierbaarste vriend is de boom achter ’t huis. / Je kunt op hem rekenen, hij is altijd thuis, / mijn plataan.’ Hierna neemt het poëtisch gehalte van de teksten voor mijn gevoel snel af. Dat is misschien ook niet zo vreemd, wanneer we kennis nemen van de ontstaansgeschiedenis van deze bundel. Bij het voorbereiden van een lezing schreef Terlouw vaak een paar rijmende regels, om het onderwerp ‘te concentreren’. Ook schreef hij soms cabaretteksten of levensliederen, die hij echter daarna vaak weer vergat. Op verzoek van zijn uitgever heeft hij ‘in mijn lichtelijk chaotische werkkamer, en in duistere hoeken van mijn computer’ teksten bij elkaar gezocht, waarvan hij soms nauwelijks meer wist dat hij ze geschreven had. De teksten zijn geordend in zes afdelingen: ‘Natuur’, ‘Politiek’, ‘Leven en liefde’, ‘Leed’, ‘Stad en land’ en ‘Levenslied en cabaret’. Helaas is niet aangegeven, wanneer de afzonderlijke gedichten geschreven zijn. Daardoor is moeilijk iets te zeggen over de ontwikkeling van zijn gedachten of dichterschap. Terlouw heeft de teksten met zorg geschreven. Dat blijkt uit de vormvastheid en het rijm, waarbij hij naast het sonnet ook nieuwe regelmatige vormen hanteert, die puur bij één enkel gedicht passen. De taal is soms weinig poëtisch (‘Regels en wetten en stevige jurisprudentie. / Het systeem is deugdelijk en loopt prachtig naar wens’), en het ritme niet altijd even elegant. Het rijm ligt er vaak dik bovenop. Ik hoop nog veel van Terlouw te horen, maar zijn gedachten zijn helaas niet echt gedichten geworden: ‘En toen hij niets meer had te spreken, / toen was het feitelijk wel bekeken.’

____
Jan Terlouw (2018). Gedichte gedachten. Uitgeverij De Kring, 64 blz. € 17,50. ISBN 9789462971202

 

 

Eric de Rooij, Hongerklop

(door Lennert Ras)

Hongerklop is taai en schurend, weerbarstig. Vooral in het eerste gedeelte. Achterin de bundel wordt het soms wat vloeiender. Gedichten verschenen eerder in Ballustrada en het Tijdschrift Geestelijke Verzorging.

Homoseksualiteit speelt een rol: ‘nee, homo-gerelateerd geweld durfde / hij het niet te noemen.’(‘Hoe de Samaritaan thuiskwam’, p. 24/25) en de dood en het sterven: ‘Zojuist ruim ik mevrouw Stevelings doodsbericht / van de condoleancetafel’ (‘vergeetboek’, p. 59), jeugd (‘het jonge falen, p. 30: ‘Dat de kleuterjuf twee / poppenkastpopjes had gemaakt’) en ouderdom. Ook de oorlog en krullende haren (‘In mijn haar is krul gekomen’, p. 63).

Religie (bijvoorbeeld ‘Bijbelse Campert (..) Bijbelse Cats’ (‘De zoon die bleef’, p. 71) komt voorbij en Azië. In het segment ‘Made in Taiwan’ bijvoorbeeld de weinig vertaalde dichter Yang Huan: ‘Dichter, je woorden kan ik niet lezen / maar je portret glimlacht warme beelden’ (p. 43) en de schrijver Pai Hsien-yung van Jongens van glas, een cultroman, die de eerste homo-erotische roman uit Azië wordt genoemd. Seksualiteit, ook heteroseksualiteit speelt een rol. “Opent hij zijn gulp?’ Toont hij zijn lid?’ ‘Hij toont zijn lid onder / de maaltijd.’ ‘Ze zijn bang / voor hem, de dames uit de andere zorgdossiers.” (‘een lichtje voor de nacht’, p. 65); ‘bij elke stap van Rosa / gleed de arm neder, streelde heimelijk, / per ongeluk door het katoen de lende, / het heiligbeen’ (p. 24/25). Gebaseerd op het spijtgedicht ‘Natuurlijk’ van Hans Warren.

Er wordt gemoord: ‘Hier naast de salontafel heeft hij gelegen / de jongen van 22 met ingeslagen schedel.’ (‘Opslaan als lieververgeten.doc’, p. 39). Maar je krijgt moeilijk grip op de bundel. Het knarst. Toch is het vreemd dat de bundel wat lijkt te schokken en te horten, want veel regels zijn toch jambisch geschreven. Beklemtoonde, onbeklemtoonde, beklemtoonde, onbeklemtoonde lettergrepen wisselen elkaar ritmisch af. Misschien heeft het met de inhoud te maken, toch een beetje een potpourri aan onderwerpen.

‘Hongerklop’ en ‘Hongerklop 2’ refereren aan de titel. Het eerste hongerklop gaat nog wel over het wielrennerseuvel, maar het tweede raakt daar helemaal niet meer aan. Op het ene moment verkeer je aan de Sloterplas, op het andere moment ben je in een WO I-situatie beland. Dan weer in een Hollands fort in Tainan (p.49).

Toch weet Eric de Rooij te boeien. Hongerklop is een doorleefde bundel. Een veelkleurig kralengordijn. Caleidoscopisch en nergens saai of vervelend.

____
Eric de Rooij (2018). Hongerklop. Uitgeverij Liverse, Bordeauxreeks nr. 50, 78 blz. €20,95. ISBN 9789492519337

 

 

Paul Lokkerbol (sam.). De eeuwige jeugd. Bundel ter gelegenheid van 20 jaar dichtmiddagen

(door Hans Puper)

In het Amsterdamse café Eijlders wordt een jubileum gevierd: al twintig jaar wordt er op de derde zondagmiddag van de maand een dichtmiddag georganiseerd. Iedereen die wat wil voordragen vraagt aan de presentator of er nog ruimte is in het programma. Zo ja, dan kan dat. Een open podium, dus. Mooi.
Ter gelegenheid van het jubileum is de thematische bundel De eeuwige jeugd uitgegeven, waaraan 55 dichters een bijdrage hebben geleverd. Op het voorplat zien we Antoinette Sisto aan een tafel zitten, in 2017 veel te jong overleden. Zij was niet alleen dichter, maar ook een geliefd en betrokken medewerker van Meander.
Het thema kan de onbevangen lezer niet ontgaan. De eeuwige jeugd scoort goed: ‘Wat maakt eeuwige jeugd’, ‘Eeuwig kind’, ‘Eternel’, ‘Beleving van eeuwige jeugd’, ‘Voor de eeuwigheid’, ‘De eeuwige jeugd’, ‘Eeuwige jeugd’ (2x), ‘Eeuwige jeugd, een levensvuur dat brandt’, ‘Eeuwig jong’ en ‘Eeuwige jeugd (voor Eijlders)’. Ook Dylans ‘Forever young’ komt een paar keer voor. Dat betekent niet dat alle gedichten hetzelfde zijn: onderling verschillen ze soms sterk, zowel naar inhoud als niveau.

De benadering van de jeugd verschilt. Inge Boulonois schrijft in ‘Eeuwig kind’ over het kind in zichzelf. De voorlaatste strofe:

het wil zich door me laten
vinden, gekoesterd worden
zingen in het vogelhuis
van mijn ribbenkast, mijn hart
jonger, sneller laten kloppen

Natuurlijk zijn er ook gedichten over een voorgoed verloren verleden. Het lyrisch ik van Loes Essen zit in de trein, kennelijk op de terugweg. Ze gaat ook terug naar haar jeugd.

Retour

in de trein
neemt zij naast mij plaats
ze ruikt naar vruchtbaarheid
haar mond zo rood en rijp

ik kijk uit het raam, maar blijf
haar zien

mijn jonge jaren
trillen tussen schapen

Let wel: in de tweede strofe staat ‘maar’ en niet ‘en’. Wil ze haar niet zien? Doet de confrontatie met haar voorbije jeugd pijn? En het woord ‘trillen’ – zo mooi gekozen omdat ze in een rijdende trein zit – kan in deze context een connotatie van verdriet hebben. Wel vind ik het feit dat zij de jonge vrouw blijft zien wat gewrongen. Als je in een ruit kijkt, zie je alleen een spiegeling als het binnenlicht aan is en meestal zie je dan buiten niets meer, alleen als het nog schemert. Dat kan. Maar kun je iemand in een ruit zien die naast je zit? Je zou ‘tegenover’ verwachten, maar dan verlies je natuurlijk wel het binnenrijm ‘naast’/ ‘plaats’.

J.C. Aachenende (1932) kijkt vooruit en wat hij ziet stemt niet vrolijk. De herhaling van de eerste en laatste regel van het nu volgende kwatrijn benadrukt het onherroepelijke van de dood.

Eeuwige jeugd

De dood is niet zo zacht die je komt halen
of je nu eeuwig jong lijkt of ook niet:
die eeuwigheid duurt maar een ogenblik:
de dood is niet zo zacht die je komt halen.

Een mooi bundeltje, een jubileum waardig.

____
Paul Lokkerbol (sam.) (2019). De eeuwige jeugd. Bundel ter gelegenheid van 20 jaar dichtmiddagen. Eijlders Dichters, 79 blz. € 7,50. eijldersdichters@gmail.com

Geplaatst in Recensies.