Poëzie Kort – 2019 / 4

 

Will van Sebille, Het onzegbare gezegd

(door Eric van Loo)

Op de dag dat het recensie-exemplaar van Het onzegbare gezegd bij mij op de mat viel, stond er een indringend artikel over de gevolgen van een adoptie voor kinderen in Trouw. Daarin werd ook aandacht geschonken aan de andere kant van het verhaal, aan de jonge moeders die -vaak onder grote druk van familie en kerk- afstand hadden gedaan van hun pasgeboren kind. Ik wist niet eens dat daar een woord voor bestond: afstandsmoeders. Het onzegbare gezegd is het zeer persoonlijke verhaal van een vrouw die eind jaren zestig afstand moest doen van haar zoon. Als zeventienjarigen werden zij en haar vriend niet in staat geacht voor hun kind te kunnen zorgen. In de begeleidende teksten komt naar voren, dat dichteres in spe Will van Sebille na deze gebeurtenissen vijftien jaar lang geen letter meer op papier kon krijgen. De inleiding bij het bundeltje, van de hand van Anne Woodward, laat zich lezen als een volwaardige recensie. In het Nawoord licht Will van Sebille toe hoe moeilijk het was om, op het moment dat de tijd daar rijp voor was, haar ervaringen om te vormen tot poëzie. “Hoe zorg je ervoor dat het poëzie wordt en geen dagboek?” In 1994 publiceerde zij, 27 jaar na de geboorte van haar kind, de Cyclus voor een verloren zoon. Ook op andere manieren heeft hij zich ingezet om afstandsmoeders een gezicht te geven. Januari 2019 werden deze gedichten opnieuw gepresenteerd en gepubliceerd in het kader van de presentatie ‘Moeders’ in de reeks Hoeren, heiligen en andere vrouwen van de Haagse Kunstkring.

Het moet een indrukwekkende middag geweest zijn. Ook op papier schotelt de dichter ons een zeer persoonlijke, indrukwekkende gedichtenreeks voor. Zij vertelt haar verhaal in afgewogen woorden. Over ‘het kind in me dat is afgekapt / het kind dat me is afgepakt’. Niet een verhaal van blijde verwachting.

Wiegeliedje

ik wist niet hoe
je komen zou
en wanneer
anders had ik
de roos van Jericho
water gegeven
haar laten zwellen
als baken voor jouw komst

ik wist niet hoe
ik je beschermen moest
en wanneer
anders had ik
je besmeurd met mijn bloed
als rode koraal
een wapen is tegen kwade
machten

ik wist niet hoe
ik je voeden moest
en wanneer
anders had ik
de banden om mijn borsten
doorgeknipt
ze een bron laten zijn
van melk en honing

ik wist niet hoe
je zou verdwijnen
en wanneer
als een schip in de nacht
anders had ik
je een haven gebouwd
met lichten naar de vrijheid

In dit gedicht zit het hele verhaal samengebald. De taal zit vol Bijbelse verwijzingen. De taal uit de jeugd van de dichter, van haar omgeving die tegen haar moederschap samenspande. Hoe moeilijk dit verhaal ook was om te leven en te beschrijven, de dichter wentelt zich niet in rancune. Zij richt een monument op voor haar jongere ik, en voor alle jonge moeders die -vaak onder grote druk- afstand moesten doen van hun pasgeboren kind.

____

Will van Sebille (2019). Het onzegbare gezegd. 23 blz. € 5,00 (exclusief verzendkosten). Te bestellen bij de auteur: willvansebille@icloud.com of bij de Haagse Kunstkring: info@haagsekunstkring.nl

 

Jos van Daanen, Soldaten

(door Hans Puper)

Soldaten van Jos van Daanen is een klein, maar bijzonder bundeltje. ‘We begrijpen elkaar niet, misschien wel nooit gedaan ook. (…) De Babylonische spraakverwarring leeft en zorgt voor afstand en ellende’, lezen we op het achterplat. Die spraakverwarring verbeeldt hij op aansprekende wijze: de gedichten zijn geschreven in het Nederlands, Duits, Engels en Limburgs. De toelichting op het voorplat versterkt die verwarring nog eens: ‘Complementair vertaalde gedichten’. Hoezo vertaald? En is er nu één auteur of zijn er meerdere? Dat complimentaire is direct duidelijk als je begint te lezen: het gaat om vijf dichtparen, ieder met twee lyrische ikken die een vergelijkbare situatie beschrijven in hun eigen taal en vanuit hun eigen perspectief: de priester en de koorknaap bijvoorbeeld, en de generaal en de hospik. De antwoorden op de andere twee vragen volgen wat later.

Over die afstand en ellende kan geen misverstand bestaan. Soms wordt die bewust veroorzaakt, zoals we zien in ‘The general’, waarin de spraakverwarring een apocalyptische aanvulling krijgt: ‘I fucked the whore of Babylon / we boiled the blood of children / devoured what we deserved, this whore and I.’ Andere keren is er ongewilde innerlijke strijd tegen ellende en afstand. In ‘De soldaat’ en ‘Der Soldat’ zien we een combinatie.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Anders dan je zou verwachten, is het eerste gedicht sprake van vrede en berusting en in het tweede van angst, wroeging en dood, onderstreept door licht en donker: ‘Onder het licht lag ik’ tegenover ‘Im Dunkeln habe ich gewartet’. Dat tweede gedicht boeit me meer dan het eerste, vanwege de tegenstrijdige en wellicht polyinterpretabele gevoelens van de soldaat. Is er in de eerste twee regels sprake van gelatenheid? Een gevoelde noodzaak om het vaderland te dienen? Of een bevel dat hij opvolgt? In dat geval zou ik ‘sollte’ verwachten, maar misschien schiet mijn kennis van het Duits tekort. Mooi zijn de laatste twee regels in combinatie met die van het Nederlandse gedicht. Een liefdevolle glimlach bij de laatste gedachten aan thuis tegenover een grijns die bij de oorlog hoort en niet bij thuis. En wat voor ‘Grinsen’ is het? Een voldane grijns vanwege een voltreffer? Of een grijns die veroorzaakt wordt door ontzetting? Wroeging? Een bijzonder gedicht in een wrang en mooi bundeltje – die twee karakteriseringen sluiten elkaar uiteraard niet uit.

___

Jos van Daanen (2019). Soldaten. Uitgeverij Van Groningen / In de Knipscheer. Zonder bladzijdenummering, € 7,50 exclusief verzendkosten. ISBN 9789492358042. Te bestellen bij Uitgeverij Van Groningen: https://uitgeverijvangroningen.com/

 

Theodoor Brumming, De man waarmee iets was. Een herinnering

(door Levity Peters)

In ‘Dagen’ van Kees Engelhart is de dichter Theodoor Brumming een van de vertellers. In deel 3 kondigt hij zijn bundel ‘De man waarmee iets was’ aan. Deze man speelt in ‘Dagen’ een rol bij de oprichting van Brummings uitgeverij. (red.)

Van Theodoor Brummings bundel geeft de titel De man waarmee iets was al aan dat het goed gekomen is met hem. Toch zoek je als lezer van die geruststelling de hele bundel door de zekerheid die je niet werkelijk krijgt. Altijd is er de dreiging van een onberekenbaar lot, ondanks het ogenschijnlijk vertrouwde waarmee het leven voortkabbelt. Je gaat op bezoek bij ‘de man waarmee iets is’: ziekenhuis in ziekenhuis uit, leert oppervlakkig enkele familieleden van de man kennen, komt het een en ander te weten over zijn ziekteproces, over de baan van de man, het een en ander over zijn woonomgeving; je kent zijn achternaam, maar, en dat vind ik het fantastische van deze bundel, je beweegt je door de wereld van Brumming, als een peutertje door onze volwassen wereld, een wereld die ons zo vertrouwd is dat we vergeten zijn hoe vreemd hij is voor een klein kind. Zoals zo’n kleintje zijn of haar moeder de oren van het hoofd vragen kan: Wat is dit? Wat is dat? zo brengt deze bundel je van het ene naar het andere vertrouwde punt, zonder exacte duidelijkheid, ondanks de precisie van de door de dichter gekozen taal:

Nee het gaat om een hardnekkige
Ontsteking die echt niet over wil gaan
Want anders was de man waarmee iets is
Allang weer thuis geweest
In zijn uiterst gerieflijke woning
Niet ver van het hospitaal
Van de provinciestad aan zee
Samen met zijn knappe vrouw
En hun boxer die zo dol op leverworst is

Naast de man waarmee iets is
Zit zijn knappe vrouw
En links van haar hun jongste zoon
Die moeizaam zijn weg
Door het leven vindt
Onder andere vanwege een
Zeer ernstig ongeluk
Waarvan hij heden ten dage nog maar
Nauwelijks de gevolgen dragen kan

(blz. 30)

De man waarmee iets was roept continu vragen op, roept beelden op die heel alledaags zijn, heel vertrouwd, maar die je doorlopend in het ongewisse laten. Het is alsof je opnieuw je ogen moet instellen, als wanneer je plotseling ontwaakt bent uit een intense droom. Het is op die manier dat de dichter je dwingt dingen heel helder voor je te zien, niet alleen het provinciestadje aan zee met de hoogste vuurtoren, maar ook bijvoorbeeld een raadsvergadering waar beslist moet worden over een nieuw stadshart. Aan het einde van de bundel ben jij het geworden die op je horloge kijkt, en tegen de man ‘die werkelijk blaakt van gezondheid’ zegt dat je dringend weg moet en dat je hem morgen wel bellen zult over hoe het verder ging ‘En zo’. Dan spring je op de fiets.
Het is wellicht vreemd om op die manier over een dichtbundel te spreken, maar het is werkelijk een page-turner, die als je hem uit hebt er toe brengt om hem opnieuw te willen lezen, om zeker te weten dat je niets hebt gemist, en om weer even in die verwonderlijk krachtig opgeroepen wereld te verblijven; vreemd maar o zo vertrouwd.
____

Theodoor Brumming (z.j.). De man waarmee iets was. Uitgeverij De Manke God, 45 blz. € 10,00 . ISBN 9789082585551. Te bestellen bij Uitgeverij De Manke God, k.engelhart@outlook.com

 

A.H.J. Dautzenberg, Niet het krassen van de kraai

(door Eric van Loo)

Met Niet het krassen van de kraai heeft Anton Dautzenberg een jaloersmakende bundel uitgebracht. Hij kreeg van de uitgever alle ruimte om de bundel tot in de perfectie vorm te geven. “Het papier moest zo wit mogelijk zijn, onbevlekt, rein en gastvrij.” (interview NRC d.d. 7 februari 2019). Om de beeldgedichten zo goed mogelijk tot hun recht te laten komen, zijn de linkerbladzijden volledig leeg gelaten. Elke bundel is genummerd en gesigneerd. De titel op de voorkant is moeilijk leesbaar, zoals u kunt zien op de afbeelding. Dwars door de titel heen is verticaal in kapitalen het woord TINNITUSGEDICHTEN uitgestanst. De permanente stoorzender die oorsuizen vormt, wordt zodoende krachtig beeldend vormgegeven.

“A.H.J. Dautzenberg lijdt al enkele jaren aan tinnitus, auditieve kanker zoals hij het zelf noemt. Meestal kan hij het kabaal in zijn kop redelijk verdragen, maar soms wordt hij nagenoeg gek van de geluiden die hij hoort. Tijdens zijn snorkelvakantie op het stille eiland Gozo krijgt Dautzenberg een idee om zijn tinnitus te dempen: hij probeert het suizen, piepen en knarsen een melodie mee te geven, door bijvoorbeeld het geluid van verschillende vogels te laten meezingen in zijn hoofd. Die melodieën resulteren in een bundel eigenzinnige beeldpoëzie.” (toelichting uitgever). In interviews geeft de dichter aan, dat het inschakelen van de ingebeelde vogels de tinnitus draaglijker maakt, omdat hij deze nu tot op zekere hoogte kan bijsturen.

Heeft dit ook tot interessante poëzie geleid? Op bol.com las ik de volgende reactie: “Waardeloos er staan niets in, lege bladen met een hoop flauwekul zonde van mijn geld, ik heb al 30 jaar tinnitus. Dit boekje heeft daar niets mee te maken. Ik vind het echt erg dat bol.com dit verkoopt.”

Deze lezer heeft wel een punt. Het is moeilijk iets zinnigs over deze ‘gedichten’ te zeggen. Ze zijn volkomen abstract, er komt geen woord in voor, laat staan een zin. Jeroen van den Heuvel doet een verdienstelijke poging in zijn bespreking van het ‘sonnet’ op p.51. Ik zou dieper in kunnen gaan op het ‘gedicht’ op p.7, dat uit louter u’s bestaat. Vijftien regels met elk 58 letters u. Op de volgende bladzijden springt de middelste regel telkens verder in, tot op p.17 de middelste regel volledig verdwenen is. Interessant nietwaar? En hoe moeten we de ‘gedichten’ in afdeling IV duiden, die louter uit ng-combinaties bestaan? r1: ‘ngng ng ng ng ng ng ng ngngngng’. Ik kan deze regel hier niet goed weergeven, omdat het in de bundel geen rechte regel is, de letterblokjes verspringen in hoogte, zodat een speels lint ontstaat. En dan zijn variatie op ‘De Mus’ van Hanlo, waarin de ‘dichter’ het woord ‘tjielp’ vervangt door ‘zjiiiyy’ (p.49). Een vondst.

Maar is het allemaal niet te veel eer? Moeten we deze letterformaties wel serieus nemen? Na de vierde lezing kwam ik tot dit inzicht: pf pf pfff nou nou sjhh sjhh sjhh sjhh tssssssss ach ach brrrrrrr.
____

A.H.J. Dautzenberg (2019). Niet het krassen van de kraai. Uitgeverij Pluim, 80 blz. € 24,99. ISBN 9789492928221

Geplaatst in Recensies.