Catharina Boer – Voltooid landschap

Niets wordt geschapen, niets gaat verloren, alles wordt anders

door Romain John van de Maele

Een landschap is meer dan een fragment natuur, het is ook en vooral een menselijke schepping. Het volstaat naar landschappen te kijken van Nederlandse en Vlaamse meesters die hun natuurlijke omgeving vanuit een geïtalianiseerde invalshoek hebben weergegeven. De oude stelling ut pictura poesis indachtig, hebben ook veel dichters de eigen streek of een denkbeeldige omgeving als een arcadisch landschap beschreven, als een spiegel van de eigen ziel. Anderen, zoals de schilder David Caspar Friedrich (1774-1840), hebben aan het landschap de uitzonderlijke dimensie van het ‘Erhabene’ toegevoegd. Anders gezegd, dat het landschap een centrale plaats inneemt in de visuele kunsten en in de letterkunde, wijst op de menselijke scheppings- en voltooiingsdrift. Een landschap is onvoltooid zolang het niet verbeeld werd, maar de verbeelding is altijd een voorlopige voltooiing.

Catharina Boer (Utrecht, 1939) woont al vele decennia in Nuenen, waar de jonge Vincent van Gogh zijn eerste landschappen ontdekte en vorm heeft gegeven. Zoals Van Gogh is Catharina Boer trouw gebleven aan haar eigen vormentaal en thematiek. Voltooid landschap is haar tiende bundel. Het werk bestaat uit vier titelloze reeksen gedichten die worden ingeleid met treffende citaten uit het werk van andere dichters, en de relatie van poëzie met visuele kunst wordt onderstreept door drie gedichten die door schilderijen werden geïnspireerd. Het eerste citaat – uit het werk van Ida Gerhardt – eindigt met de versregel ‘Is dichten slechts aandachtigheid?’ Het eerste gedicht, ‘Herfst’, is een zeer eigen variant van het liefdevolle afscheidsritueel dat zoveel mensen ervaren en zelf gestalte geven. Het gedicht toont aan dat dichten meer dan aandachtigheid is.

Het gedicht, dat naar een bij uitstek door de mens gevormd landschap verwijst, nl. een park, begint met versregels die de ervaring van synesthesie verwoorden: ‘Verwaaid oogt het kalend park / tot karige vogelroep verstild…’ (9). De visuele ervaring gaat gepaard met het horen van de bijna absolute stilte. De afnemende lichtintensiteit heeft de intensiteit van de vogelroep beperkt tot een karig signaal. Een dergelijke ervaring en verwoording vereisen aandachtigheid, maar het gedicht stijgt uit boven de waarneming, het krijgt een transcendentale betekenis, want in de tweede strofe stijgt een naamloze hij ‘uit dit sterven op, verdwijnt. / Waar het eens botte, reikt nu rot.’ Hier wordt in beheerste taal aan panta rhei – alles stroomt – van de presocratische filosoof Heraclitus gerefereerd. Het leven en de dood zijn een continuüm. In de volgende strofe is een naamloze zij aanwezig, een zwaan – een watervogel – die nog ‘dood blad en rest verzamelt / voor straks, dromend van nieuw nest.’ Met het vinden van een bewaarplaats voor herinnering ‘diep in zijn veren’ wordt wat voorbij is toch aan de toekomst toegevoegd.

In het gedicht ‘Zwart water’ – onmiddellijk na ‘Herfst’ met de impliciet witte zwaan – bezweert de dichteres – of haar lyrisch subject – haar lief hun vroegere tijd terug te roepen, om de ‘hellehond […] / die groeiend in ons gromt’ (10) het zwijgen op te leggen, want ‘Om ons siert het Hof van Eden / dat zich naar oneindig richt / want, zie op aarde het leven keren / dat bloeiend aan onze voeten ligt.’ Oneindig is zo veel ruimer en duurt zo veel langer dan de vergankelijke bloei, die hoe dan ook geïntegreerd wordt in een dimensie die het Dasein overstijgt. De verdwijning van het Dasein betekent niet dat het Niets de ervaring en het woord verdringen.

‘Moederdag’, het vierde gedicht, citeer ik in extenso, omdat het niet alleen de thematiek van de eeuwige terugkeer en de tijdloosheid van leed en liefde verwoordt, maar ook omdat het op een overtuigende wijze het dichterschap van Catharina Boer illustreert.

Uren, mam, waarin jij middelpunt
en weduwe was, tussen bloemen
en gebak, de drukte en gelach
van ons kroost dat jou weer zag.

‘Hier, neem eet maar’, zei je bijbels,
‘het staat ervoor.’ We aten, zwijgend
over de ziekte die toen al in jou vrat
en die jij eenzaam moest verduren.

Het huis omarmde en verwarmde
ons bij deze volle samenkomst, ook
de tuin die al wat van zomer had
bij de moeder die mijn moeder was.

Na jaren zit ik op jouw stoel
en waar jij opdoemt in laat middaglicht,
schaar ook ik kinderen om me heen en
knipoog deze dag glimlachend dicht.

(12)

Geheel in overeenstemming met de wet van het behoud van massa zint de schrijfster ‘op zinnen, / poging tot blijven.’ (15) En zij blijft, want ze registreert het moment dat verloren gaat – af anders gezegd, het moment dat taal wordt en als versregel in een gedicht wordt verankerd en later opnieuw beleefd kan worden: ‘Rien ne se crée, rien ne se perd, tout se transforme’, schreef de Franse scheikundige en filosoof Antoine Laurent de Lavoisier (1743-1794). De uitspraak doet me denken aan de stelling van Heraclitus, maar Lavoisiers stelling berust op wetenschappelijk onderzoek.

Dichten is herhalen zoals in ‘De Wolgaslepers’, een gedicht naar een schilderij van Ilya Repin (1844-1930). Hun taak ‘ligt in de herhalende slag’ en ‘stilstand is als verloren dag / of naderende rouw.’ (17) De slepers ‘schuifelen voort in de cadans’, en de dichteres voegt er aan toe: ‘Duidelijker antwoord is er niet.’ Niets wordt geschapen, niets gaat verloren, alles wordt anders. Wie dicht bij de kust woont, is vertrouwd met eb en vloed – ook daar is het de cadans die het geven, het (terug)nemen en (terug)geven bepaalt. In het gedicht ‘Eb en vloed’ wordt de tijd overbrugd of samengedrukt – het resultaat is hetzelfde. Het gaat om een vadergedicht waarbij het keerpunt, het moment waarbij eb en vloed elkaar heel even opheffen, de bestendige herhaling op gang brengt: ‘en dat moment dat je hart stopte, / maar je naderende ogen nog in mij / branden bleven, opdat ik jou lezen kon, / steeds vaker lees, Vader.’ (24)

In ‘Voltooid landschap’, het titelgedicht, onderstreept Catharina Boer – met de overtuiging van iemand die veel heeft waargenomen – dat niets verloren gaat: ‘Hier [bij het bekijken van haar geboorterond] twijfelde ik eens / bij het scheiden, terwijl / eigenlijk alles blijft.’ (27) In de vierde strofe wordt de terugkeer expliciet bevestigd: ‘Even nestel ik me graag / als in moederlijke armen / me voedend met oude aarde / waaruit alles steeds ontwaakt.’ Dat eenvoudig gebaar voltooid het geestelijke en het beleefde landschap, dat als beeld voortleeft in de herinnering van de schrijfster en dat d.m.v. het gedicht zal voortleven in de ervaring van de lezer.

Het sonnet ‘Woorden’ (32) is tijdloos mooi en verwoordt de existentiële angst van heel veel mensen die bij het ouder worden het afscheid vrezen: ‘wie van ons de ander missen moet, / de zwaarte van taalloze dagen dragen / in een steeds kouder wordend huis.’ (32) Op het eerste gezicht staat het gedicht ‘Woorden’ op gespannen voet met de inzichten die in andere gedichten tot uitdrukking komen, maar ‘Woorden’ is geen vreemde eend in de bijt: het filosofisch inzicht verovert slechts langzaam terrein, de existentiële angst is even universeel als het rustpunt van het inzicht. ‘Heuvelland’ en ‘Zonsondergang’ bekrachtigen dit poëtisch testament, en de gedichten in de laatste cyclus zijn beklijvende getuigenissen. Het zijn ‘monologen’ voor de kinderen van de dichteres. Het laatste gedicht, ‘Het slijten’ bevat een vraag: ‘Red me dan van het verslijten, / in woord en beelden wil ik blijven, / ontmoet me eens in mijn zinnen.’ (41) Ik ben ongetwijfeld niet de enige lezer die de oproep heeft begrepen – ik zal Voltooid landschap op mijn manier opnieuw proberen te voltooien, door de bundel nog vaak te herlezen, door de kerngedachten als eb en vloed in mijn denkwereld toe te laten.

____

Catharina Boer (2019). Voltooid landschap. Uitgeverij Demer, 42 blz. € 12,59. ISBN 9780244774424

Geplaatst in Recensies.