Tomas Lieske – Keto Stiefcommando. Een vertelling in gedichten en prozagedichten.

Een westerse cultuurgeschiedenis, maar dan anders

door Herbert Mouwen

Keto Stiefcommando van Tomas Lieske is een vervolg op zijn dichtbundel Daedalea uit 2016, een stemmenspel door acht Afrikanen. De lezer maakt naast Keto kennis met vier van de acht personen uit Daedalea: Hercuul, de zwerver, drinkebroer Damn Good Memory, de West-Afrikaanse vrouw Merci Merci en Imker Graat, een pooier van ‘drie honingkleurige meiden’. In oude tijdschriften als Paris Match, Ciné-Miroir en Les Bonnes Soirées, die ze gevonden hebben in ‘een zwarte plastic baal’, gaan de vier op zoek naar historische helden en schrijven ze gedichten over hen in hun kindertijd. Wanneer een gedicht over zo’n ‘blanke geest’ af is, brengen zij het ‘hakke-krukke’ lopend achter een vuilniswagen vanaf het Parijse Fontaine des Innocents naar de Basilique-cathédrale de Saint-Denis waar Dionysius, de eerste bisschop van Parijs, begraven ligt. De afstand is hemelsbreed (‘soos die kraai vlieg’) acht kilometer lang. Met behulp van gestanste letters en ‘taai rooi kleurstof’ spuit Keto het nieuwe gedicht op een bestaande witmarmeren graftombe. Keto sluit de eerste inleiding af met: ‘Zo rust onze Ignaz Semmelweis ingehaak met een lid van het Huis Valois en onze Iosif Brodski slaapt skuif-skuif op de vorstin van Orléans. Alle graven, ook de mooiste, krijgen een bloei nieuwe naam.’ Zo worden in de gedichten alle begraven Franse vorsten ingeruild voor nieuwe personen die opgeduikeld zijn in oude magazines. Even dwalen mijn gedachten af naar de actuele discussie over onze vaderlandse geschiedenis. Moeten we afbeeldingen en beelden van discutabele zeehelden en dubieuze figuren uit de koloniale historie voorzien van corrigerende teksten? Wel nee, gewoon de namen op hun graven overspuiten met nieuwe namen, zo schrijf je een nieuwe cultuurgeschiedenis! Wat een spannende beginsituatie, ik kan niet stoppen met lezen.

Het taalgebruik van Lieske is opvallend. Hij schrijft een mix van Nederlands en Zuid-Afrikaans. Om preciezer te zijn: hij hanteert de Nederlandse grammaticaregels, maar vervangt veel betekenisvolle woorden door smeuïge Zuid-Afrikaanse begrippen. Zo ontstaat een nieuw soort straattaal. Aan de ene kant werkt dat vervreemdend en dwingt het de lezer tot het opzoeken van betekenissen, aan de andere kant geeft de nieuwe taal de bundel een authentiek karakter en wordt de lezer uitgedaagd om zorgvuldig te lezen om zo niets van de achtergrondteksten te missen. De gedichten die op de rechter pagina’s zijn afgedrukt zijn in het Nederlands geschreven. De vier inleidingen van ik-verteller souteneur Imke Graat en de prozaverslagen van de dichters die op de linker pagina’s staan, zijn geschreven in de nieuwe taal. In de ‘Aantekening’ achterin de bundel zegt Lieske hierover: ‘De van oorsprong Afrikaanse bewoners van de Parijse wijk spreken een eigen, afwijkend Frans. Om dat weer te geven gebruik ik een mengvorm van Nederlands en Afrikaans. De meeste woorden spreken voor zich.’ Hercuul noemt zo’n kort prozaverslag een ‘gesproken decortje’.

De advocaat Robespierre voerde tijdens de Franse Revolutie een schrikbewind. Veel tegenstanders werden veroordeeld tot de guillotine. Hij leefde uitermate sober in een simpel achterhuis en kwam op grond van een door hemzelf ingevoerde wet na een kort proces zelf onder de valbijl terecht. Zo leidt Damn Good Memory het gedicht ‘De kindertijd van Robespierre’ op niets ontziende wijze in:

De kleine advocaat. Dat is de man met de blindkap. De bleekvis van elke
revolutie. Hij wil paarden stallen in de kerken; hij wil een nek-aan-nekrace
van de guillotine. Hij brengt machines aan het rollen en slaagt er nooit in
hun vaart te stoppen.
Hij heet de onkreukbaarheid zelf en strikt zijn cravate stevig om zijn
hals om de voortijdige striemen te bedekken. Wie zoals ik verkommert in
een vochtige uitbouw, wie zoals ik zijn hoofd verliest, moet ieder met de
nek aankijken.

Een bonte stoet van historische figuren – vierenveertig in totaal: vier maal elf – passeert de revue in deze bundel en elke persoon wordt een jeugdig personage in een eigenzinnig prozagedicht. De gedichten zijn in een ik-perspectief geschreven. Dat subjectieve perspectief maakt deze personages in hun kindertijd uitermate kwetsbaar, want ze kunnen dan al niet ontkomen aan schuldgevoelens, spijt, twijfels en zelfreflectie. Onder andere Julius Caesar, Hildegard van Bingen, Don Quichot, Mozart, Robespierre, Ignaz Semmelweis, Miss Blanche van het sigarettenmerk, Lyndon B Johnson, Grouch Marx en Christine Keeler krijgen hun gedicht. Zelfs Alice uit Wonderland ontbreekt niet. De optelsom van deze politici, auteurs, musici, ondernemers, juristen, kunstenaars en fictieve roman- en filmpersonages is de meest bizarre encyclopedische, westerse cultuurgeschiedenis in dichtvorm die ik ooit onder ogen heb gehad. Elk gedicht heeft wel iets verrassends in petto. Zo doet de eerste strofe van ‘De kindertijd van Ignaz Semmelweis’, een ‘Hongaarse arts en vader van de antiseptische methode; bestrijder van kraamvrouwenkoorts’ – hoe humoristisch! – mij denken aan het lied ‘Pa’ van de Nederlandse reggaeband Doe Maar.

Was je handen,
poets je tanden,
blank te land is nu folklore;
schrob je vingernagels schoon.

Haal de kwallen uit je oren,
trek de spinnen uit je neus,
eet geen zaden die ontkiemen,
snoep geen larven die verbieden;
houd je bloedsomloop in toom.

In de basiliek van de Parijse ‘faubourg’ Saint-Denis ligt slechts één held van hun eigen Afrikaanse volk begraven: Kame Tristan. Zijn geliefde is Nneka, afkomstig uit een hoger milieu en dat geeft hem problemen om met haar een relatie aan te gaan. De verwijzing naar het verhaal van Tristan en Isolde is helder. Keto belooft de vier anderen het levensverhaal van Kame te vertellen. Elk nieuw deel in de bundel, gemarkeerd door grijskleurige pagina’s, begint met een prozatekst van Keto. Daarop volgt een vierregelige ballade. De dichtbundel wordt ook met een ballade afgesloten. Zowel de vier prozateksten als de vijf balladen zijn als doorlopende teksten te beschouwen. Zo zingt Keto op de vuilniswagen, die zich moeizaam voortbeweegt ‘als een vermoeide circusolifant’, over de held Kame Tristan die in Saint-Denis begraven ligt. Hij dicht over zijn drankgebruik, zijn kapsel van ‘golvend haar als een gevlochten kroon’, de allereerste tocht naar Saint-Denis en Kame’s praalgraf. De vierde ballade beschrijft Kame’s gruwelijke dood, nadat hij achter een vuilniswagen vele dagen lang ‘over straat gesleept’ wordt. Het gedicht eindigt aldus:

Ons volk heeft Kame naar Saint-Denis gebracht,
plechtig, dat was onze allereerste tocht. Hij kreeg
het mooiste graf, had zijn vader gezworen.

Er waren zeven vuilniswagens die samen met ons
naar de koninklijke graven reden…

Hoe dichter de verbeelde personages bij het heden komen – de bundel heeft de chronologie op hun sterfdatum als bouwprincipe – hoe begrijpelijker en herkenbaarder hun jeugd in een ‘Kindertijd’-gedicht wordt. In ‘De kindertijd van Margaret Thatcher’ herkennen we de jonge, ambitieuze Iron Lady die toen al achtervolgd werd ‘door jongens in het puin’. De lezer herkent de (religieuze) voorbeschikking, het latere conflict met de mannenwereld, het willen besturen, haar ‘ijzeren’ houding in politieke spanningen, zoals in de kwestie van de Falkland eilanden, alsook een van haar grootste overwinningen: het breken van de mijnwerkersstaking en het sluiten van de kolenmijnen. Of gaat deze tweede strofe al over het nu?

Hoe onverbiddelijk de zon zijn weg vervolgt,
een ijzeren baan die geen verbuiging kent,
een baan die God heeft uitgezet en die geen mens
een centimeter kan verplaatsen.

Eens werd ik achtervolgd door jongens in het puin,
door maskers met een hoed en al dan niet een voile,
omdat ik vuurtje stookte,
omdat ik wellicht de zon wilde besturen
en met een kolenbrand de baan wilde verduren.
Hoe snel moest ik me verplaatsen om deze
sterke jongens te ontlopen? Het was als ijzer
dat nooit met blote hand wordt gebroken.
Ze hebben me gegrepen, zacht toegesproken,
thuis afgeleverd, het vuur gedoofd,
mijn handen in onschuld gewassen,
de kolen gestapeld op mijn hoofd.

Keto Stiefcommando van Tomas Lieske is een bijzondere bundel. De bundel is meer dan een alternatieve westerse cultuurgeschiedenis. De dichter maakt heldere keuzes: we moeten terug naar de onschuld van de vierenveertig personages en daarom hun kindertijd verbeelden. Misschien krijgt de geschiedenis alsnog een andere loop, waarmee ik een nieuwe interpretatie bedoel, hoewel sommige gedichten een voorafschaduwing zijn van het latere handelen van een personage. Impliciet maakt Lieske de lezer duidelijk dat het afgelopen moet zijn met de westerse dominante houding om ongevraagd de geschiedenis van o.a. de Afrikanen te beschrijven. Dat kunnen zij zelf beter dan wie ook, daar hebben zij de ‘blanke geest’ niet bij nodig. Keto Stiefcommando is niet zomaar een origineel tijdsbeeld, het is een pamflet. Samen met de bundel Daedalea is het een vlammend dubbelpamflet.

____

Tomas Lieske (2019). Keto Stiefcommando. Hoe Keto Stiefcommando met zijn jongklomp de route naar Saint-Denis opnieuw uitvond. Een vertelling in gedichten en prozagedichten. Querido, 112 bladz. € 17,99. ISBN 9789021416731

Geplaatst in Recensies.