“Zelf zie ik me liever als de toeter vlakbij je oor”

Liesbeth Aerts (1970), lerares Nederlands en geschiedenis in het technisch en beroepsonderwijs, moeder van drie, houdt van schrijven en zwemmen desnoods in één beweging. Haar werk verscheen in Meander, Het Gezeefde Gedicht, G., Extaze en in de zeef van de poëziekrant.
Liesbeth debuteert in november 2019 bij uitgeverij P.

Alja Spaan ging in gesprek met haar.

foto: Roel Segers

 

Liesbeth, je bent lid van het Collectief Dichterbij en wordt op de site omschreven als ‘een zachte stem die uit vertes lijkt te komen’.  Die omschrijving past heel goed bij de gedichten die je ons toestuurde. Kun je iets meer vertellen over die zachte stem en het Collectief?
‘Een zachte stem uit vertes’ is hoe iemand me ooit omschreef. Zelf zie ik me liever als de toeter vlakbij je oor en dan bedoel ik vooral dat ik heel wat dingen wil delen met de lezer op dit moment.
Het is wel zo dat er ‘vertes’ opgeroepen worden in mijn gedichten: een soort uitvergrotingen van de realiteit waarin de personages zich bevinden.
Als lid van Collectief Dichterbij werk ik af en toe mee aan lokale initiatieven. Het Collectief organiseert ook zelf poëziehappenings. Het bekendste zal zeker wel ‘Poëzie in ’t Krijt’ zijn (vroeger Poëzie aan de sloot), waarvan de volgende editie begin juli plaatsvindt. We organiseren ook al jaren Sprekende Ezels in Turnhout, een vrijplaats en experimenteerplek voor beginnende dichters of performers.

Bij een paar gedichten heb je een omschrijving toegevoegd; is het belangrijk voor de lezer deze uitleg te geven?
Daartegenover staat dat je de titels weglaat.
Ik vind het fijn dat de lezer de teksten leest zonder al te veel omkadering, dus geen titel of verdere uitleg. Een tekst zou voor zich moeten spreken, waarmee ik zeker niet wil beweren dat mij dat altijd lukt. Als je zonder titel werkt, is het groter geheel, de cyclus bijvoorbeeld waarin een tekst staat, wel meer van belang.
Ik ben het zelf nog aan het uitproberen. Het kan best zijn dat ik in de toekomst meer voor titels opteer. Anderzijds vind ik de tekst in zijn blootje erg appelerend. Het is in feite de vraag aan de lezer om terug te keren naar het fundamentele, naar de basiselementen van betekenis: we hebben woorden, als we die optellen, waar brengt ons dat dan?

Schrijf je naar de lezer toe?
Vertrekpunt voor een gedicht blijft een persoonlijke ervaring, gevoel of overtuiging delen met de lezer. Daarbij probeer je als dichter in het oog te houden of er voldoende raakvlak is met de lezer. Het komt er vaak op neer een verrassende balans te vinden tussen je eigen wereld en die van je lezer.

 

vogelvrij pand in de zon, als in vrij om extreem en veelzijdig
te bewonen, installaties in de tuin te planten die de hartslag

van het huis versterken – van voorbijgangers dreunt het binnenoor
ze drukken splinters in de bakstenen, dat staat hen vrij

we mikken zoeklicht in hun ogen, strooien scherven voor de deur
niemand ziet ons, arkduiven in de dakgoot

jij mijn wolf onder de maan, ik jouw jazz
dat staat ons vrij

Kun je vertellen wanneer je voor het eerst met poëzie in aanraking kwam?
Als klein meisje kreeg ik van de buren voor mijn verjaardag een boek met kinderversjes cadeau (Kinderversjes van Mies Bouhuys, 1974). ‘De leverworst van mevrouw van Beverborst’ roept nog steeds hele vrolijke herinneringen op. Ik heb het boek nog steeds, bij iedere verhuisbeurt gaat het mee de doos in. Ik heb er ook uitgebreide sporen in nagelaten: ingekleurde illustraties, een chocoladeveeg, sporen van lezen en herlezen.

Kun je over alles schrijven?
Ja, de vaststelling dat alles (be)schrijfbaar is, vind ik geruststellend. Schrijven wordt dan een soort levensbeschouwing: wat je beleeft, beschrijf je ook. Daarom niet meteen of niet alles natuurlijk, maar het kan wel en dat is heel fijn om weten. Misschien zijn schrijvers die mensen die alles moeten herbeleven en uitschrijven alvorens ze het helemaal gevat hebben.

Hoe belangrijk is optreden voor je? Ik zag je in een bezoek aan een verzorgingshuis maar je treedt ook op met musici. Wat voegt een optreden toe?
Een optreden is een soort Grand Finale, het is een ultieme test voor jezelf en je gedicht. Doorstaat het de echo van je publiek? Soms komt er niets terug, dan moet je thuis opnieuw aan de slag. Anderzijds is het zo dat heel tekstuele gedichten zich niet altijd lenen tot voordracht. Het is aan de dichter om hierin een onderscheid te maken.
Optreden met muzikanten behoort tot de fijnste dingen om te doen. Als het goed is ondersteunen muzikant en dichter elkaar en bereik je samen iets, een geheel dat meer waard is dan de som van de afzonderlijke delen. Als het publiek dat voelt, wordt het geweldig!

Je hoorde bij de genomineerden voor de Zeef Poëzieprijs dit jaar. Je won jammer genoeg niet. Dat betekent dat je de gewenste debuutbundel nog even moet uitstellen. Je hebt hem al klaarliggen onder de titel Woonoperaties. Wat kun je erover vertellen?
Ik won de Zeef Poëzieprijs dit jaar niet, hij ging verdiend naar Mahlu Mertens. Zelf kreeg ik korte tijd later wel het geweldige nieuws dat ik mag debuteren bij Uitgeverij P. In het najaar wordt mijn debuut voorgesteld, het zal Woonoperaties heten. Kort samengevat gaat het over de kunst van het samenblijven, wroetend desnoods. Als motto koos ik voor de historische woorden van president Kennedy in 1962 tijdens een speech in Houston: “We choose to go to the moon in this decade and do the other things, not because they are easy, but because they are hard.” Vanaf 16 november in de boekhandel te verkrijgen!

Al eerder stond werk van je in Meander en Extaze. Is het moeilijk jezelf onder de aandacht te brengen?
Opgepikt worden in literaire tijdschriften is altijd een beetje een gok. Vaak werkt een tijdschrift met thema’s en je hebt niet altijd iets passends klaarliggen. De redactie van sommige tijdschriften wisselt nogal en dan is het toch weer afwachten of je in de smaak valt bij het nieuwe team.
Ik heb wel de indruk dat de eerste publicatie de moeilijkste is en dat het daarna wat vlotter gaat.

 

geen zin die echt zingt, stort zich eindig op een punt – wat nu adempauze? zeg je

dat lange zinnen het mooist zijn, als herfstdraad tussen twijgen, iemands
ingehouden adem

dan kan zijn, zeg ik, maar was niet het opzet van de taak waarin zinsbouw
en vooral bewijs van competenties, zeg ik dat taal het complex van atoom en ui

in zich verenigt en dat je bij volgehouden weghalen van de vlezige rokken de kern bereikt en
de scherpe smaak van waarheid niet zonder traan soms

zie je wel, zeg jij

Voel je je thuis bij de hedendaagse dichters en de onafzienlijke stroom publicaties via de sociale media?
Ik ben weinig actief op sociale media dus die stroom gaat aan me voorbij. Er zijn voldoende andere kanalen (Meander bijvoorbeeld) om op de hoogte te blijven van wat er aan poëzie verschijnt.
Ik voel me thuis bij die groep hedendaagse dichters die woordkunstenaars zijn, kneders en maalders die de taal telkens op haar rekbaarheid testen en ze tot nieuwe hoogtes brengen. Dat hoeft niet in slam of experiment te eindigen, maar kan ook leiden tot een gestileerd of uitgepuurd gedicht.

 

het schemert in onze vacht
we tellen op één hand de uren, kijken achterom

berekenen onze kans bij een sprong naar de tijd
toen ons bot nog niet versuikerd was, het ademen

minder oppervlakkig. we waren driftig toen
kleefden kleurfilters op de ogen voor meer contrast

rukten ze later weer af omdat sommige dingen
te fel schenen en we dat niet langer geloofden

tellen we tot het uur nul dan, tot het uur
waarin licht ons haar meisjesnaam toevertrouwt

 

 

 

 

Geplaatst in Interviews.