De favorieten van Herbert Mouwen

 

In deze nieuwe serie Favorieten van Meandermedewerkers de drie lievelingsgedichten van Herbert Mouwen

 

De baggerman

Vergeef het mij, maar ‘k durf u niet genaken,
daar mijn gelaat nog glimt van ‘t laatst ontbijt,
en gij misschien reeds uren bezig zijt
uw duizendvierde slootje schoon te maken.

Ik groet met diep ontzag uw aardse banden:
uw krommen rug en moedelozen baard,
waarlangs de regen naar beneden vaart,
uw dunne benen en uw grote handen.

De koeien staken af en toe het grazen
om op te zien met sluwe koppigheid
en luid te loeien dat ge een luiaard zijt,
wanneer gij rust om even uit te blazen.

Die stomme beesten zouden u verklikken;
pas op uw tellen dus en schep maar raak.
Vertrouw ook niet de raaf, dien zwarten snaak,
die in uw slijk de wormen op komt pikken.

Het is des Heren wil of ‘t zou niet wezen.
En trouwens, man, het slijk moet uit de sloot.
Wees dus maar stil, gij zijt toch spoedig dood:
als gij in ‘t water kijkt dan kunt gij ‘t lezen.

Rotterdam 1908

Willem Elsschot, uit: Verzen (Amsterdam 1974)

 

 

HOERA! DE HERFST KOMT

De roodkoperen kont van de kunst
wordt door velen gekust,
zo komen ook op de 60watts gloeilamp
vliegen en torren af bij miriaden

denkend: waar ’t licht is is ’t lekker
De schrik van de torren ontlaadt zich
in minuskule stipjes, hun altaren
die zij bouwen op het glas van de gloeilamp

Hoera! de herfst komt! veel duister
veel lampen veel vleugelslag
Lezer onder je gloeilamp hef je hoofd op:
de trekvogels gaan, de uiltjes komen.

Habakuk II de Balker, uit: Boerengedichten Uier van t oosten (Amsterdam, 1974)

 

 

schimmenspel

nu begint dat andere taaie ongerief
dat van de ouderdom van ik had je zo lief
moeder wereld knekelhuis en zonder baten
blaat je alleen nog verminkte citaten
waarmee je de legende van jezelf kruidt en bederft
en het wordt later en later

en dan de conversatie zeg maar geklets
elke aanspraak valt als een pot erwten in je oor
in je wanhoop zet je daar dan een dikke deur voor
en achter grendels achter het al vagere gekeuvel
draag je hijgend zand aan voor een hoge heuvel
die je dan met wankele tred beklimt tot de top
daar aangekomen stijg je langzaam op
in mist en stilte verdwijnt je oude kop

Lucebert, uit: van de roerloze woelgeest. Gedichten (Amsterdam 1993)

Geplaatst in Gedichten.