De angst voor natte voeten, oftewel: poëzie die staat als een kluis

‘Goede poëzie is mysterieus en ontoegankelijk,’ hoorde ik ooit de curator van een kunstenfestival zeggen. Ik vond het een curieuze uitspraak. Ik houd niet van raadsels en geheime genootschappen. Poëzie is geen exclusieve club met een cijferslot op de deur.

door Rogier de Jong

Moeilijke poëzie wordt vaak ‘hermetisch’ genoemd. Maar dat hoeft niet zo te zijn. Er zijn ondoorgrondelijke gedichten die ondanks hun geheimzinnigheid naar een herkenbare wereld verwijzen. Van dit soort moeilijke en toch invoelbare dichtkunst zijn talloze voorbeelden te vinden. Het werk van Marianne Moore, een Amerikaanse dichter getooid met het epitheton ‘gepantserd dier’ en een leerling van Ezra Pound, schiet mij het eerste te binnen. De raadselachtige bezweringen, rijmklanken en syllabische strofen van Moore’s gedichten nemen ons op een trage rivier mee stroomafwaarts:

Rosemary

Beauty and Beauty’s son and rosemary –
Venus and Love, her son, to speak plainly –
born of the sea supposedly,
at Christmas each, in company,
braids a garland of festivity.
Not always rosemary –

since the flight to Egypt, blooming indifferently.
With lancelike leaf, green but silver underneath,
its flowers – white originally –
turned blue. The herb of memory,
imitating the blue robe of Mary,
is not too legendary

to flower both as symbol and as pungency.
Springing from stones beside the sea,
the height of Christ when he was thirty-three,
it feeds on dew and to the bee
“hath a dumb language”; is in reality
a kind of Christmas tree

(Uit: ‘Collected poems’)

Anders wordt het wanneer gedichten niet aan een gedeelde wereld refereren maar aan een in zichzelf gekeerd universum, een domein in een domein. We betreden dan een ‘totaal witte kamer’ zonder deuren en ramen, een blanco reservaat met een eigen idioom, eigen referentiekaders en een eigen context. Het is alsof je bij een familie te gast bent wier omgangscodes je volledig ontgaan. Je bent geen ingewijde en dat laten de familieleden je ook goed merken in hun geheime communicatie:

Totaal witte kamer

Laten wij nog eenmaal de kamer wit maken
nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik

dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal
de kamer wit maken, nu, nooit meer later

en dat wij dan bijna het volmaakte napraten
alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar

dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale
zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven
witter dan, samen –

(Gerrit Kouwenaar)

Ik denk dat de curator uit mijn inleiding niet voor zichzelf spreekt. Het idee dat alleen hermetische poëzie ertoe doet wordt in Nederland breed gedragen. Veel Nederlandse redacteuren zien zichzelf als poortwachters van de ware poëzie die staat als een kluis waarvan de sleutel is weggegooid. Zij voelen zich de hoeders van de enige echte luchtdichte dichtkunst. Het is terecht dat hun meetlat hoog ligt. Maar wat meet die lat eigenlijk? Niveau, smaak of trend? Zolang dat niet duidelijk is, meet de meetlat de wolken. Het beroemde kunstwerk van Jan Fabre indachtig.

 

 

Ik sluit niet uit dat ons nationale karakter mede debet aan is aan onze voorliefde voor gesloten gedichten. Een volk dat gevormd is door het stukslaan van beelden en het tegenhouden van water is een dijkvolk, een nuchter slag mensen dat denkt in termen van indammen. Gesloten is goed, open is slecht. Alles beter dan een vinger in de dijk en natte voeten.
Maar wat doen we onszelf daarmee te kort! De ‘open’ of parlando-dichtkunst heeft prachtige poëzie opgeleverd:

De herenfiets spreekt

‘Madame, mijn spaken zijn gekraakt
sinds ik hier sta, mijn zadel raakte
kaal, mijn stuur lijkt nog wel stevig
maar ik sta aan de brug geleund voor eeuwig.

Daarom, Madame, wil ik u vragen
het roesten samen te verdragen
want ook het slot dat in mij knijpt
grijpt ons dan beide tegelijk.

Mijn bel begint zelfs te verruwen
laten wij samen zijn en huwen
hier is mijn wiel, Madame, en daar het Uwe
wil toch voorgoed het Uwe naast het mijne duwen.’

(Judith Herzberg, uit: ‘Doen en laten’, 1994).

Onverstaanbaarheid als kwaliteitscriterium; ‘t heeft iets tegenstrijdigs wanneer alleen ‘native speakers’ een kunstvorm mogen appreciëren die fysiek wel degelijk beschikbaar is voor het polyfone publiek. Stel je voor dat je bij een elektronicawinkel een Enigma-machine aanschaft. Het toestel is onbruikbaar omdat je de codering niet kent en ook nooit zult leren kennen, aangezien het toestel daarvoor is ontworpen. Dan voel je je toch flink bekocht. Het is hoopgevend dat een grote landelijke gedichtenwedstrijd, ingesteld door Gerrit Komrij, is genoemd naar de kraker van diezelfde Enigma-code, de wiskundige Alan Turing.

Daar komt nog iets bij. Ik verbeeld me soms dat het ‘hermetisme’ in de noordelijke Nederlanden toonaangevender is dan in Vlaanderen. In de Vlaamse poëzie is ‘moeilijke’ dichtkunst veel meer dan ‘ten onzent’ poëzie die je als lezer associatief meevoert op een meanderende bewustzijnsstroom zonder in kurkdroge orakeltaal te vervallen:

Ik denk nog
En stilzwijgend
Ga ik uit uw verheugend huis.
Langs de afschijn
Naar een vroom herdenken
Wat, van meisje tot vrouw
Sidderend leed.

In Antwerpen tel ik mijn laatste vrienden
En één vreemdeling en één vrouw,
En lange dagen laat ik
Lachend, pratend, vechtend
Aan een taal die ik begrijp.
Onbezield of losgebroken
Speel ik vals
En voor de anderen, nauwgezet
Begrijp ik dan uw vriendschapsblijk.
Aan schuldige en onschuldige
Viel niets meer te vragen.
Geen geweld.

(Hughues Pernath, uit: ‘Sedert leven en dood’)

Betekent dit nu dat poëzie voor mij niet gesloten mag zijn? Absoluut niet. Poëzie mag zo dicht zijn als een pot en zo open als een vergiet. Poëzie mag alles hebben en alles zijn en ze moet helemaal niets. Ze is een autonoom en aan niemand verantwoording schuldig gebied. Een meerstromenland met interessante rivieren, watergangen en kolken.
Binnen dat stelsel van waters en watertjes is veel moois te vinden. Soms is dat moois vederlicht en wijdopen, soms is het een atonaal of een typografisch experiment, soms stuiten we op een hermetisch gesloten totaal witte bunker en soms betreden we een wereld vol geheimzinnige associaties en beelden die toch op de een of andere manier invoelbaar is omdat wat er staat – in de termen van David Hockney – geheime kennis is die ons uitnodigt de techniek van oude meesters te herontdekken. Om al kijkend, voelend en associërend de sleutel te vinden waarmee we het paleis van de poëzie kunnen betreden.

 

Rogier de Jong (1952) is dichter. Hij publiceerde in Meander Magazine, Ballustrada en Tirade. In 2019 verscheen zijn debuutbundel Memento.

Geplaatst in Column.