Dick Roggen

Geboren onder een tabaksblad in het Indië van weleer, vertrok Dick, 3 jaar oud, met zijn vader naar Nederland. Na de oorlog werkte hij tien jaar in Indonesië om daarna voorgoed terug te keren naar Nederland.
Hij publiceerde twee verzenbundels, de bundel Wat maakt het uit en de Haiku bundel Verborgen Woorden.
Zijn favoriete quote: ‘Dichters moeten niet alleen gelezen worden, maar ook gehoord’ kan helaas voor hem niet meer opgaan; maar hij kan gelukkig nog altijd “gelezen” worden.
Dick Roggen overleed op 22 maart 1999 in Dordrecht, zijn graf ligt vlakbij dat van Cees Budding’, uiteindelijk toch nog onder gelijkgestemden (tekst Rudolf de Vries).
Over het werk van Dick Roggen maakte De Vries onlangs een website.

foto Rudolf de Vries

 

Weerzien

Na vele jaren
zag ik hem weer,
als altijd op de fiets,
en onveranderd.

Hij reed aan mij voorbij,
zei niets,
of ik een vreemde was.

Nadien sprak ik zijn vrouw,
die mij terloops vertelt,
dat hij, al jaren voor zijn dood,
niet had gefietst.

Zij heeft een steen voor hem besteld
(zij is een goede vrouw)
van ’t geld, dat hij haar achterliet.

Vrij onverwachts zegt zij:
‘Ik weet het niet,
het is in huis zo stil,
misschien dat ik weer trouw.’
(ik denk: ’t Is de familie die het wil’)

Wanneer ik haar verlaat
zie ik hem weer,
als altijd op de fiets.
Hij stopt; ik vraag hoe het hem gaat,
hij zwijgt, maar in z’n ogen staat:
‘Verwijt haar niets’.

Nog vele malen zal ik hem zien,
als altijd op de fiets,
en telkenmale zal het zijn
of niets veranderd is.

 

Drie-hoog achter in de Tollensstraat.

Opoe, altijd weduwe in ’t zwart,
met haar voeten op een stoof,
en ’s zomers voor het open raam,
dat uitzag op een binnenplaats,
drie-hoog achter in de Tollensstraat.

M’n vader was me onbekend,
m’n moeder was een sloof,
dat ging zo in die tijd;
een haring kostte toen zes cent.
Als we moesten, moesten we op een open plee.
Nu is er, naar ik hoor, een keurige W.C.,
drie-hoog achter in de Tollensstraat.

Ik hoorde fluiten in de straat:
De Bolerò, het teken van verraad.
Eerst later hoorde ik dat Ome Ko,
gelijk met kleine Goof was opgepakt.

Nu heb ik af en toe wel spijt
dat ik hem vroeger heb gepest,
hij was de slechtste niet uit ’t nest.
Hij was anders dan ik, hij was niet laf.
Nog zie ik zijn gezicht,
ik lag in ‘t donker, hij in ’t licht.
Soms denk ik wel: ‘Zijn deze dromen nu mijn straf’,
wanneer ik ’s avonds laat Ravèl
hoor fluiten in de Tollensstraat.

 

 

Ik ben een aarzeling

Ik ben een aarzeling
tussen Oost en West.

Ik heb twee vaderlanden
(één van moederskant).

Ik heb soms een verlangen
naar waar ik niet ben –

Maar voor de rest….
is er niets aan de hand.
Geplaatst in Gedichten.