Ânne de Jong – Kerven

Tegen het verdwijnen

door Christina Vanderhaeghe



Voorbij de zomer nadert de herfst. De winter is nog ver, en over de lente blijven we dromen. In een cyclus van vier getijden heeft Ânne de Jong zijn dichtbundel Kerven geschreven: ‘Licht’, ‘Afstand’, ‘Aan zee’, ‘Lied en Verwondering’. De prachtige illustraties in deze dichtbundel schrijven zich in, als een kerven op papier. Als een tijdlijn rollen deze gedichten uit de hand van een schrijven dat zich het einde van een mensenleven realiseert, omdat er een begin was, en dat begin is  L I C H T. En het duister wandelt van bij het begin mee, als een onrust die nergens thuiskomt.

Het begin van tijd

Toen de aarde woest was
en grotendeels leeg
gingen wij afgewezen
met het vallen van het duister
angstig huiverend
bij de onrustig snuivende dieren slapen.

Aan onszelf overgelaten
trekken wij thuisloos verder
en gehinderd door
een onverschillig universum
vragen wij keer op keer
van wie wij zijn.

(…)

Het is deze onverschilligheid die stil doet staan, en resoneert met de dichter W.H. Auden (1907-1973), waarbij niemand opkijkt als Icarus valt. Naar een schilderij van Breughel kijkend, of naar de sterren kerft Auden het volgende: ‘Als ik kijk naar de sterren, weet ik zeer goed / dat mijn bestaan er voor hen niets toe doet / maar onverschilligheid is het minste kwaad’, in een vrije vertaling van het gedicht ‘The more loving one’. Net deze onverschilligheid dwingt Ânne de Jong om te schrijven, om te kerven en minstens een paar sporen achter te laten. Daarmee schrijft de dichter zich in. In een rots bijvoorbeeld, zoals zovelen deden, héél lang geleden en wij als nakomelingen verwonderd kijken naar rotswandschilderijen in de grotten van Lascaux, of naar Mexico reizen om de Maya’s en hun geschrift in stenen te leren lezen.

Als een uitnodiging om zich in te schrijven, om te laten weten ik besta, zo vurig is ‘We bevissen het water / bewerken de grond / kerven ons lot in een rots’. We willen niet dood, en als het dan toch moet, willen we herkend worden, voor altijd als het kan. Als een rode draad loopt deze vraag naar (h)erkenning doorheen de dichtbundel. Ik ben een lezer. Ik wandel mee door diepe dalen, ik klim mee over een heuvelrug, ik word mijn lijn gewaar en ‘het belang van een plek’. Deze gedichten zijn een plek, schoon gerangschikt, allen even lang met voldoende witruimte om te schuilen. Een mooie uitgave. Een mooie herinnering waarin je graag bladert, tuurt, verblijft. Doorheen het geruis en de chaos van het heelal in het eerste deel van deze bundel, hoor je muziek doorklinken. Ik kan alleen maar luisteren naar ‘de galm van de nevels / de toon van de zon / de gong, de hartslag / de drum van de neanderthaler’ in het gedicht ‘Maatslag’. ‘Luister naar de vogels / zij praten ons elke dag bij’ in het gedicht ‘Ademnood’.  En hoe beeldrijk dit eerste deel ‘Licht’ wordt afgesloten. Je ziet de dichter zitten in een vervallen hut als vanger van geweken licht. Daarmee kunnen dichters en lezers van poëzie verder: ze krijgen een plek, en daarin altijd wat licht, altijd wat ritme, altijd wat klank.

In het tweede deel ‘Afstand’ blijven de grote vragen onbeantwoord. Het verleden woekert, overleeft her en der in stenen, in een plaats voor de doden. Een somber deel, zonder nieuwe inzichten. In het langste gedicht ‘De stenen’ zijn de bewegingen klein, de vooruitzichten minimalistisch. Alsof de dichter het even voor bekeken houdt en berusting in een steen of in een monument schuilt. Nog even brandt er een vuur. Een verder kijken dan naar herhalingen is er niet.

De stenen

Ondanks nog een ruime
voorradigheid
is het stenen tijdperk
als beëindigd te beschouwen.

Alles ligt er nu
dwars en lomp bij.
Wat valt er te ruimen
na tijden van onverschilligheid?

Het eindrapport is opgemaakt
de bekende vormen zijn getekend
de voorgevallen geologische
mirakelen geïnventariseerd.

Het verhaal gaat dat stenen
broden werden en vice versa.
Gekeken wordt nog naar
de steen van de eeuwige wederkeer.

(…)

Even terug naar een oud Bijbels verhaal, Lukas 11, waarin mensen om dagelijks brood vragen: ‘Geen vader geeft toch zijn zoon een steen als hij om brood vraagt’.  In tijden van onverschilligheid geraakt het brood niet goed verdeeld, dreigt er een eindtijd ook al kennen we enkele oorzaken. We verzaken. Verantwoordelijkheid legt het af tegen productiviteit, plastic, reclame, bouwwoede en namaak waarin ook het Delfts blauw ten onder gaat in het volgende gedicht.

Man-made

De bakens die de mens achterlaat
in een zee aan artefacten
zullen naast nog onversleten plastic
beton en baksteen zijn.

Al het fijne, het ooit bedachte
Nescio, Nijinsky, Da Vinci, Bach
legt het af tegen kunststof en steen
met mogelijk nog wat resten porselein.

Een kloeke keuze uit design, namaak
kunst en hemels gedecoreerd Delfts blauw
komt uit een catalogus met een oplage
hoger dan Koran plus Bijbel.

Na duizenden jaren ligt dan onopgemerkt
in een aardlaagje antropoceen residu
het fijngewreven materiaal van
de scherven, de vaas van Ikea.

Deze zoektocht naar identiteit, naar waar we vandaan komen en waar het naartoe gaat, met de dichter, met de mensheid, wordt prangend actueel in vier verzen uit het gedicht ‘A Hard Day’s Night’: “‘Paspoort’, klinkt het / Niet eens vragend. / ‘Dat heb ik niet’. Een ruwe hand neemt mij mee. / Daarna wil ik nooit meer zijn waarvoor ik kwam.” Tegenover het verval in stenen, met misschien een wedergeboorte, vervalt identiteit in een elektronisch paspoort, binnenkort met vingerafdrukken. Het geboren zijn op die plek, bepaalt gedeeltelijk hoe en wanneer jouw steen rolt. Sterke poëzie die dit zo beeldend beschrijft. Ik zie het voor me, op de luchthaven van Dakar, op de trein Brussel-Parijs, op de reddingssloepen die de overtocht niet halen. Voor deze bundel een werkzaam tussendoortje, geen slotakkoord.

Voor deze dichter zijn er ouders geweest, aan wie hij vertrouwen geeft en bevindingen. Zij luisteren bezorgd en sprakeloos mee. Het beeld van het harken in de tuin, in hetzelfde gedicht ‘A Hard Day’s Night’, van het roepen in het diepst bereikbare deel bij het graven, blijft in mijn oren hangen. Dit roepen tegen het zand, tegen de klei moet weerklank vinden in een ver verleden en in wat toekomst voor jonge tuinplantjes. Zo breekt het leven nog op een andere plaats door in dit hoofdstuk, meer bepaald in het gedicht

Dagreis

Op een perron een kind
dat in de rails het hamerende
naderen, de telkens
tikkende onrust hoort.

Een soldaat met dragende
beenwond, nagejaagd door
waanzin, niemand thuis trof
verder gaat in niets.

En dan de danspassen
bij een nieuw ontmoeten
na al dat wachten, na al die dromen
de nacht tegemoet.

Wat is het schrijven van een review anders dan het kerven van een dans met het werk van een dichter die zichzelf bijeenraapt in verzen en zich aldus leesbaar maakt?

Geen antwoorden maar sporen trekken tot ‘Aan zee’, het derde deel van deze bundel. Hier komt het schone bovendrijven. Het schone van wat taal vermag in beelden, en de muziek klinkt verder door, zoals in het gedicht

Halte Melkweg opgeheven

Het moment na het moment
dat in de diepte
de ongenaakbare golven
op de klippen te pletter slaan.
Boeoem
Hoog boven op de rotsen
van het eiland
dwaal je door jouw decadent domein
dicteer je memoires.
Boeoem
Balancerend op de wankele balustrade
Stel je stijfkoppig de wetten.
Besef je dit:
dit ene ogenblik.
Boeoem
Het stille geruis van het water
Dat zich vergaart ver op zee
aanzwelt en dan breekt.
Boeoem
De halte, een tel
de schok
nog steeds te leven.

Anders dan een steen is de zee blijvend. Haar beweeglijkheid is hoorbaar, haar kracht brengt stenen ongemak. Alsof alleen zij het vermogen heeft om steeds opnieuw te breken en te baren. Ook de dichter bestaat in hoofdzaak uit water. Hij is geen steen, geen holle rots. De zee dringt zijn bestaan binnen, alvast voor dit moment waarop hij ontwaakt en deel wordt van een waarheid: een vloeibaar bestaan.

Het gedicht ‘De man die tegen het water loog’ gaat over een astronaut, een bevoorrechte om de oceanen te zien vanuit zijn vaartuig, draaiend rond de Aarde. Hij gaat aan de praat tegen het water op een ontroerende manier nu zijn huis onzichtbaar is.

Na het haast fatale op de Pacific
’s ochtends, praat hij tegen het water.
Iets dat hij eerder had willen zeggen
toen hij nog thuis was
en het steeds zo hard regende.

Alsof die regen het spreken tegenhield. Thuis. Lang geleden als je in de ruimte hangt.

Na meer dan honderd dagen
eindelijk aan wal.
Af en toe prevelt hij:
‘God, wat is de zee mooi.’
Daarna kan hij alleen maar huilen.

Landen in de zee. Opnieuw thuiskomen, in water. Geen geboortekreet maar een huilen in een taal die alleen een dichter weer opraapt en verschoont. Een God die het schone prevelt. Wat is de zee toch mooi. Heel veel beweging tussen een ‘ik’ en een ander persoon lees ik niet in deze dichtbundel Kerven. Als een verrassing, God, en Venetië in dit deel. ‘Wees nog eenmaal. Vandaag. Voor altijd.’ Zeg het tegen de Cruisevaarders, zeg het tegen de bezetters van de stad, de toeristen. Zeg het tegen Murano, tegen de graven van het Cementario dat je terug bent. En dat de zon over deze stad mag blijven. En de vele brugjes die de stad zo genegen zijn.

De dichter keert terug in het vierde deel van dit boek, ‘Lied en Verwondering’. Als na een lange reis doorheen stormende zeeën en gedachten, trekt deze Odysseus huiswaarts, naar het alledaagse waar hij de ander opnieuw ziet, er weer bij hoort. Mooi, dit eerste gedicht ‘Birth of the Cool’, met daarin de verbazing over de geluiden aan de monding van een rivier. Er mag weer worden gefeest in de haven, geschud rond middernacht ‘van de avondster / het diamantstof uit je haren’. En het blijft cool in deze nieuwe tijd. ‘Steeds blijft die hang naar / de warmte van nu in nog te winnen ooit / naar de rust van het herkenbare / de niet-wetende verte.’

Op deze herfstdag moet je wel naar binnen, huiswaarts en daar het vuur brandend houden. Hoe anders kan je wegblijven, ver weg van die knagende onrust die we vergankelijkheid noemen? Want ‘Achter de façades van monotone / woonblokken langs de straten / klinkt de langgerekte onmacht / een nooit ontsnappen aan tragiek.’ Of ‘Duiven trippelen / in de vensterbank / van een verwaarloosd huis.’ En op hetzelfde moment, hoort de dichter ‘Een buurvrouw barst los op de tuba / Vandaag begint met een groot geheim / De zon schijnt’. Gedaan met stenen tijdperk voor de dichter, en met de grote vragen waarop niemand een antwoord vindt. En ook de vrouw van de dichter wordt nieuw leven ingeblazen.  ‘Dicht naast haar ben ik / bij wat welhaast zijn diepste / hunkering moet zijn // Dat zij mooi is, hoe de borsten / wanneer ik haar zie bukken / bij het voeteneinde van ’t bed / komt overeen met zijn beste gedicht.’

Moet er nog verder gekerfd worden, nu zij terug plaats krijgt en neemt, nu zij terug ‘triomfantelijk haar lange haren kamt’? Over welke triomf gaat het hier? Haar aanwezig maken, een overwinning van Eros tegenover al die sterfelijke zinnen op papier? Hij, de dichter maakt haar schoon en vrijlustig. ‘Erbij blijven jongen / anders is het met je gedaan.’ Je hoort het haar zo zeggen, een moeder misschien. Want in hetzelfde gedicht, ‘De val’, is er een zevende dag. De dichter zit in een taxi, kijkt door de achteruitspiegel, ziet op de achterbank zijn ouders, zij huilen niet. Ze rijden mee met de dichter, onbewogen voor de omstandigheden waarin hij zich bevindt, hij kan ze aanwezig stellen in een alledaagse autorit. Zolang hij ze herinnert, zolang blijven ze. Zo eenvoudig kan het, nu het grote denkwerk ophoudt te bestaan. De titels van de gedichten in dit deel worden tastbaar eenvoudig. ‘Café’, ‘De vallei’, ‘Van slag’.

Het geluk binnen handbereik in ‘Café’: ‘Een accordeon speelt / muziek van strelende / tong naar meer / meer meerkorigheid / schenkt ons het kleine begrensde geluk / van overal en altijd.’ Juist in het begrenzen van een plek, in de eenvoud van stukje muziek, wordt een al dan niet versteend hart in beroering gebracht.  En het delen van deze kleine momenten van geluk, daar lees ik voor het eerst een woord als liefhebben.

In ‘De vallei’ stroomt dit geluk niet alleen: ‘Groot is de vergeefsheid / en groot de troost van de overgave / met ongrijpbaar / het wederzijds compliment. // We sluiten onze ogen / en strelen in gedachten / het silhouet van de berg / om alles zo onmetelijk lief te hebben.’

Er is veel meer ‘wij, een ik en een jij’ in dit vierde deel. Het vereenzamen in het stellen van al te moeilijke vragen uit het eerste deel is gestopt. Het kerven mag doorgaan en moet langer ontcijferd worden. Flarden van geluk worden niet langer onder stenen bedolven. Ânne de Jong. Ook al is de dood niet weg te denken, blijven ze niet ver weg. ‘Het is helder: iets kan uit niets ontstaan / onder de voorwaarde dat het weer verdwenen is / voordat het ontdekt wordt.’ Als een spel, dat verdwijnen, dat herontdekken, heruitvinden van taal voor het smeden van een stem, een persoon, anders dan jij, anders dan ik. Als een herborene leest deze bundel. En mee met de dichter, een lezer, veel lezers die, misschien, niet langer in moeilijke levensvragen wentelen maar erdoor stappen, moedig, al was het maar om het zien van een regenboog na een heftig onweer.

Met appreciatie voor de ‘Noten en verantwoording’ op het einde van deze dichtbundel. Met daarin wat verwijzingen, plekken en een paar namen die mij als lezer behulpzaam waren.

____

Ânne de Jong (2019). Kerven. Uitgeverij Monnier, 59 blz. € 14,50. ISBN 9789490769079

Geplaatst in Recensies.