Guus Middag – De wereld is weer plat, ja

De ideale lezer

door Hans Puper

In De wereld is weer plat, ja bespreekt Guus Middag twintig gedichten van na 2000; de dichters zijn niet ouder zijn dan ongeveer vijftig. De titel is een regel uit de songtekst ‘Sterrenstof’ van De Jeugd van Tegenwoordig en de ondertitel De poëzie van tegenwoordig verwijst naar hun groepsnaam. Middag heeft de titel gekozen vanwege de ‘sensatie van nieuwe ontdekkingen en ervaringen (…). Een nieuwe blik op de werkelijkheid’. (Terzijde: er zijn mensen die echt denken dat de wereld plat is, dat is hun nieuwe blik op de werkelijkheid. Onze Lieve Heer heeft vreemde kostgangers, zei een oude buurvrouw van mij regelmatig  – altijd hoofdschuddend).
De gedichten vormen niet de top-twintig van Middag; ze moesten hem raken en de gelegenheid bieden om te variëren in zijn aanpak. Hij bespreekt onder andere het beeldrijke prozagedicht ‘Alles is wat het lijkt’ van Marieke Rijneveld, het aanstekelijke ‘Vuurdoorn me’ van Annemarie Estor, het tweetalige ‘leave nimmen wit…’ / ‘liefste niemand weet …’ van Tsead Bruinja, maar ook songteksten: ‘H2O’ van Katinka Polderman, het eerder genoemde ‘Sterrenstof’ van De Jeugd van Tegenwoordig en ‘De kerke’ van Daniël Lohues. Voor wie alleen van zogenaamd ‘echte’ poëzie houdt: ook deze besprekingen zijn heel boeiend. De aanpak verschilt inderdaad: van analyse, verkenningen, een historische achtergrond als basis van de bespreking, et cetera. Ook de biografie van de dichter kan meespelen, zij het spaarzaam. Ik heb zijn stukken met plezier gelezen: hij is enthousiast, kundig, creatief – een lezer moet een gedicht herscheppen – en ze zijn open genoeg om mee te denken en eventueel tot andere conclusies te komen.

Ondanks het streven naar variatie in de besprekingen, zijn er wel overeenkomsten. Over ‘Terug’ van Esther Naomi Perquin schrijft hij: ‘Ik houd in het algemeen meer van wat ze gebonden spraak noemen, ingesnoerde taal, opgeschroefde zegging, van vormgeving met een functie’. (Dit is geen kritiek op het gedicht van Perquin). Dat zie je in iedere bespreking terug en hij laat het overtuigend zien. In ‘Idylle 18’ van Ilja Leonard Pfeijffer waagt een Malinees vanuit Libië de oversteek naar Europa. Het gedicht is geschreven in Alexandrijnen, die, als je de klassieke regels wilt volgen, een strakke vormgeving hebben. Dat lijkt hier ook zo, maar dat is weldoordachte schijn: ‘De zinnen slingeren zich als het ware losjes over de strakke regelstructuur heen. De inhoud wordt hier en daar wel gesteund, maar niet dwingend gestuurd door de vorm. Al die dingen bij elkaar zorgen voor een licht deinend effect, alsof we op of aan zee zijn, met brede regels als altijd maar aan- en afrollende golven.’ Mooi.

Het is aardig om te zien hoe Middag te werk gaat.

In de eerste plaats schrijft hij voor een breed, geïnteresseerd publiek. Op een enkele noodzakelijke keer na vermijdt hij prosodische terminologie, die lezers weleens het gevoel geeft een bord zand leeg te moeten eten om door te dringen in de interpretatie van een gedicht. Dat betekent niet dat hij op zijn knieën gaat zitten, hij versimpelt niets. Dat is ook niet verwonderlijk voor iemand die de nadruk legt op vormgeving met een functie.
In de tweede plaats maakt hij veel gebruik van het woordenboek, ook als dat niet voor de hand lijkt te liggen. Toch kan dat verrassende resultaten hebben. Hij zoekt bijvoorbeeld het woord ‘zuigeling’ op (In ‘De zuigeling van Sint-Petersburg’ van Peter Ghyssaert). Waarom? We weten toch wat een zuigeling is? Middag: “Volgens Van Dale is een zuigeling een ‘kind dat nog gezoogd wordt, zeer jong kindje (in de geneeskundige praktijk: minder dan 1 jaar oud)’, maar soms ook, figuurlijk, een ‘nog geheel onschuldig, onbedorven kind of persoon.’” Die figuurlijke betekenis past goed: de zuigeling is een baby op sterk water, van ‘een van de beroemde anatomische preparaten van de Amsterdamse anatoom, botanicus, zoöloog, apotheker, gerechtsdoctor en stadsvroedmeester Frederik Ruysch (1638 – 1731)’. Tsaar Peter de Grote, die het kwam bekijken in Ruysch’ tentoonstellingshuis aan de tegenwoordige Spuistraat, was zo onder de indruk dat hij het kocht het en meenam naar Sint-Petersburg. De zuigeling is dus al zo’n driehonderd jaar oud en daarom zou je hem kunnen beschouwen als buiten de tijd staand. Middag vergelijkt hem aan het eind van zijn betoog met het pasgeboren kind dat de drie wijzen uit het oosten aantroffen in ‘een voederbak van stro’. Ook een bijzonder kind, ‘niet jong of oud, maar wijs’. Het Etymologisch woordenboek, de Taaladviesdienst van Onze Taal, historische en nog andere bronnen raadpleegt hij zo nodig ook. Als je ervan uitgaat dat niets vanzelfsprekend is, kun je tot mooie ontdekkingen komen.
Tot slot: hij telt vaak het aantal regels, de lettergrepen per regel, het aantal zinnen, et cetera. Dat levert niet altijd iets op, maar bij het sonnet ‘Queeste’  van Mieke van Zonneveld wel. Het is een sonnet met een regelmatige afwisseling van elf of twaalf regels, behalve de laatste, die telt er nog maar acht. Ik citeer het gedicht in zijn geheel.

Valencia lokt hem naar haar kathedraal
ontbloot voor zijn ogen het hart van de stad
haar gotische poort en haar heilige graal
die eenmaal gevonden geen waarde meer had.

Hij hangt de toerist uit en kuiert langs pleinen
die aangenaam stralen in laatwinterlicht
kust andere borsten en denkt aan de mijne
die wit zijn en heilig en altijd uit zicht.

En ik die al veertien jaar woon in gezangen
mijn liefdesverklaringen schreef in de wind
vanwaar raak ik plots in de ban van dit wrange

besef dat ik mij op een tweesprong bevind?
En hoe kom ik af van dit bange verlangen
naar rijtjeshuis, echtgenoot, kind?

Middag laat zien dat de laatste regel makkelijk is aan te vullen, bijvoorbeeld zo: ‘En hoe kom ik af van dit bange verlangen / naar rijtjeshuis, echtgenoot, moeder en kind?’ Hij zegt er dit over: ‘Maar Van Zonneveld koos ervoor om het gedicht aan het slot te laten struikelen. Waarom? Ik weet het niet. Misschien is dit een verklaring: met de keus voor het burgerlijke bestaan zal er voor haar onherroepelijk iets verloren gaan; dan zal de schwung, het lekkere ritme, de poëzie uit het leven verdwijnen. Dan loopt er iets vast. Dan ontbreekt er iets – net als in die te korte slotregel.’

In de literatuurwetenschap werd bij onderzoeken naar de receptie van literaire teksten weleens gesproken over de onbestaanbare ‘ideale lezer’ – het is een concept. Maar wat mij betreft komt Guus Middag dicht in de buurt; de besproken dichters zullen blij met hem zijn. Hij schreef een aantal diepgaande, geanimeerde en goed leesbare stukken, ieder voor zich een voorbeeld voor lezers die zichzelf èn de dichter tekort doen door al te snel te denken dat je niet alles wat er staat hoeft te begrijpen. Dat betekent niet dat interpretaties vast moeten staan, integendeel – zie De wereld is weer plat, ja.

____

Guus Middag (2019). De wereld is weer plat, ja. Van Oorschot, 207 blz. € 22,50. ISBN 9789028292192

Geplaatst in Recensies.