H.H. ter Balkt – Stilstaand leeft alles hier. Een keuze uit de gedichten door Alfred Schaffer

Grote beuk

door Peter J.R. Vermaat

Pas lang nadat ik de dichter Ter Balkt onder zijn pseudoniem Habakuk II de Balker voor het eerst in een bloemlezing tegenkwam – wat voor meer hilariteit dan herkenning zorgde – begon ik mijn verkenningen in zijn taal. Veel herkende ik, veel ook bleef mij vreemd en duister. Ter Balkt is een meester in het op een schijnbaar bekende weg voeren van de lezer en die dan opeens in een ravijn van associatie laten storten. Een eenvoudig of gemakkelijk dichter is Ter Balkt allerminst.

In de bundel Stilstaand leeft alles hier hebben we te maken met een extra perspectief, aangezien het hier een bloemlezing uit Ter Balkt’s werk door Alfred Schaffer betreft. Dit leidt mogelijk tot schijnwerpers op plaatsen waar Ter Balkt ze niet zou willen hebben en schaduwen waar hij meer licht had gewenst. Het zij zo: ook bij bundels die door dichters zelf samengesteld heten te zijn, zal een redacteur of uitgever zijn – voor de lezer onzichtbare – invloed hebben doen gelden.

Wie bij Ter Balkt zoekt naar ik-jij-zij-relaties of liefdeslyriek, heeft een vergrootglas nodig. Aan het menselijk lichaam en de daarbij horende sensaties loopt hij – in elk geval in deze bloemlezing – voorbij. In geen enkel gedicht ligt de dichter aan de oppervlakte en wanneer er al sprake is van personen met naam en toenaam, is het maar raden in welke verhouding, als dat al het geval is, deze tot de dichter staan. Ter Balkt is veel meer de dichter van het voorbijgelopene, het over het hoofd geziene, het vergetene, het onuitsprekelijke. De steen die door de stratenmakers als onbruikbaar opzij geworpen is, wordt bij hem tot de hoeksteen van een gedicht:

De straatsteen

Lelijk als de nacht snikt stil de straatsteen.
Ook de straatsteen heeft een onderkant, een keerzij
donker als de achterkant van de maan of
obscuur als oeroude kamelentred onder de aartsvader.

De straatsteen wordt door autobussen overreden
en hij wou zanger zijn, ster in de winterlucht.
Zijn wens is zo klein maar ochgot en toch ruw verstoten
door jullie wiel vervloekt hij ons en snikt maar.

De straatsteen wil bloed zien aan de paal, ja.
Kan t geen ster zijn, zegt hij, dan alsjeblieft asfalt.
De straatsteen vervloekt de stad die hij opbouwt.
Kan t geen asfalt zijn dan weer zand, woostijn, zegt hij.

[p. 20]

Bij ‘woostijn’ zou je kunnen denken aan een zetfout, maar zoiets kan ik me niet goed voorstellen. Ik heb Ter Balkt nergens op slordigheden kunnen betrappen, dus ik ben overtuigd van opzet. Ik dacht zelf aan een Engelse uitspraak van woost, wat klinkt als woest en wat mij de associatie met vernieling gaf. Het is ook mogelijk dat de dichter de steen in zijn streektaal laat spreken.
Inmiddels heeft redacteur Eric van Loo aangetoond dat de oorspronkelijke versie van het gedicht, zoals aangehaald door Arie van den Berg in een voor het overige zeer vermakelijk stuk in Maatstaf (jaargang 1973, p.260 – als pdf hier in te zien) niet alleen op die plaats ‘woestijn’ heeft, maar ook dat het origineel ‘obskuur’ en ‘kameletred’ gebruikt in plaats van ‘obscuur’ en ‘kamelentred’. Hier lijkt sprake van een bloemlezer en/of een corrector die het beter menen te weten dan de dichter.
Op die manier wordt de lezer (on)behoorlijk op het verkeerde been gezet. Ik leg er daarbij mijn hoofd niet voor op het blok dat de bloemlezing voor het overige wel foutloos is.

De aandacht voor het gewone, om niet te zeggen banale en soms vulgaire, maakt overigens geen Jopie Huisman van Ter Balkt. Al in de eerste strofe schemert de dark side of the moon (Pink Floyd) en even later wordt met ‘aartsvaders’ aan de Bijbel aangehaakt. In de wereld van Ter Balkt hebben Andy Warhol en Sandro Botticelli een even duidelijke plaats als varkens en aardappelsorteermachines.

In die zin kan er wel een vergelijking worden gemaakt met Achterberg, aangezien beiden niet alleen in staat, maar er zelfs min of meer op gericht waren om poëzie te vinden in of te bevrijden uit schijnbaar onpoëtische zaken.

Bij Ter Balkt lijkt er geen onderscheid te bestaan in zijn werkelijkheid tussen wat we tot ‘natuur’ en wat we tot ‘cultuur’ zouden willen rekenen. Ik kan me niet onttrekken aan de indruk dat dit een mogelijk wezenskenmerk van de dichter Ter Balkt is. Het transponeren van het banale naar het kosmische en omgekeerd lijkt geen stijlkenmerk, maar een aspect van zijn waarneming, waarvan hij zich niet kan losmaken en dat hij inzet als voedingsbodem voor zijn poëzie:

De blindheid

De blindheid is bij je ook als je ziet en zo
zie je soms in een stadscentrum op een dag
in de zomer of herfst de stammen in ’t bos
of de wateren van het moeras dat daar blonk

of lag, lang vóór de stenen. Iets regeert je,
het is de blindheid in het bloed, het is in
de sissende zweep die je niet hoort, niet ziet,
het is de stap om de straathoek, klauw

en snavel onhoorbaar boven je suizend. Roof is
in de zachtmoedigheid, oorlog gaat schuil
vóór en achter de vrede. Berkenstammen rijzen

bij klaarlichte dag of nacht op het plein, niet
te zien voor de verblinden, en de zienden
verschrikken zij als het koude oog in de zeis.

[p. 83]

De associatie met de blinde ziener Teiresias en de blinde zanger Bernlef is bijna niet te missen en zo ontstaat er al meteen zoveel meer dan de sensatie van een vermenging in dezelfde oogopslag van de huidige stad die zich aan je voordoet en het beeld van bos en moeras die ooit, lang voordien, het gezicht van deze plek bepaalden. De blinde zanger bewaart het beeld van het verleden en de blinde ziener schouwt in de toekomst, terwijl aan beiden het zicht op het nu is ontnomen. Of de ‘blindheid in het bloed’ voor ieder mens gelden kan, of is voorbehouden aan dichters, blijft onbeslist.

In dit gedicht, evenals in meer van de latere gedichten van Ter Balkt, zien we tevens de dreiging van de dood naar voren komen. Of het daarbij gaat om een angst voor het fysiek afsterven van de persoon of voor het uiteindelijk verdwijnen van de werkelijkheid zoals wij die kennen, is hieruit niet goed op te maken. Waarschijnlijk spelen beide gegevens een rol en Ter Balkt zou Ter Balkt niet zijn als hij niet had geprobeerd om het beeld van het einde van een tijdperk te laten samenvallen met het einde van de beperkte ruimte die door een ik kan worden ingenomen:

Grote beuk

Hij is het zwijgen rechtop de hemel in;
de wind, de hitte en regen hieuwen zijn stam
en takken, zijn wortels als houten fonteinen
wellend uit de bronnen. Alle seizoenen

krijgen kwartier, hij is het opgetaste
korte en lange jaar, in de zomer fluistert
nog de witte sneeuwjacht in zijn blad en bronzen
herfst omarmt stormend zijn schors in de meimaand.

Toen de bleke, felle bliksems kwamen die hun
harpoenen plantten in jouw hart en vier takken
woedend versplinterden, sapstromen dempten

die opstijgen wilden na de winter, wachtte,
grote beuk, achter je de kuil (doodkalm kraken
slaapt in het veld) slechts voor jou daar gegraven.

[p. 93]

In die grote, nu omgevallen en in zijn eigen gat begraven boom zie ik de dichter, die naar zichzelf kijkt als hij er eenmaal niet meer is. Wie zijn eigen dood voorspelt, is geen profeet, maar wie in dat vooruitzicht de verbinding tussen hemel en aarde kan leggen, is waarlijk een dichter. De chroniqueur van wat in de loop van de geschiedenis niemand opviel dan hemzelf, ontving voor zijn gehele oeuvre zowel de Constantijn Huygens-prijs (1998) als de P.C. Hooftprijs (2003) en overleed in 2015.

De akkerdistel knikte om.

[p. 103]

____

H.H. ter Balkt (2019). Stilstaand leeft alles hier. Een keuze uit de gedichten door Alfred Schaffer. De Bezige Bij, 127 blz. € 25,00. ISBN: 9789023497745

Geplaatst in Recensies.