Klassieker 234: N.E.M. Pareau – De sidderrog

door Pieter M. van Sterkenburg

Meander Klassieker 234

Herman Jan Scheltema (1906 –1981) gold als een markante hoogleraar rechtsgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. Vooral op jongere leeftijd publiceerde hij poëzie, onder het pseudoniem N.E.M. Pareau. Voor Pieter M. van Sterkenburg is ‘De sidderrog’ een bijzonder gedicht. Een klassiek sonnet, op het eerste gezicht wat archaïsch en bedaard. Maar leest u vooral door: het venijn zit hem in de staart.

De sidderrog

Schoon week en traag schuwt hij den vijand niet;
zijn blanke buik komt door het slijk gegleden
en peinzend starend prevelt hij gebeden,
’t vermoeide oog vol eeuwenoud verdriet.

Maar ijzig gif doorstroomt de klamme leden,
verschrikking, die het vadsig merg doorziedt.
Het oog vlamt op. De kille bliksem schiet.
De prooi is dood, de sidderrog tevreden.

Somwijl heeft hem het listig aas bedrogen,
de haak is door de dunne lip gebogen.
Thans spilt niet, ijdel rukkend, hij zijn kracht.

De visscher trekt… hij ziet het monster drijven
en loost het snoer – dan plots: de handen stijven;
de sidderrog zinkt bodemwaarts en lacht.


N.E.M. Pareau (1906 –1981)

uit: Mengelingen (1933)
uitgever: Eben Haëzer

‘De sidderrog’ van N.E.M. Pareau is om twee redenen een bijzonder gedicht. Allereerst zijn inhoud, vorm, klank en stijl van een zeldzame schoonheid en in volmaakte harmonie tot eenheid gesmeed. Een tweede reden waarom dit gedicht zo fascineert, is dat het de lezer een rationeel houvast geeft. Een richtsnoer die hem in geval van onterechte afwijzing, oneerlijkheid, vernedering dan wel levensgevaar – situaties waarin de kans op irrationeel gedrag groot is – van pas kan komen. We zullen dat verderop lezen. Om gedicht en levensles goed te begrijpen is vooraf enige kennis van de sidderrog noodzakelijk.

De sidderrog is een zeebodembewoner die bij voorkeur leeft op zanderige bodems en zeegrasvelden in de kustwateren van de Atlantische Oceaan. Hij ligt er meestal doodstil, nauwelijks zichtbaar en vaak loerend op een prooi. Bijzonder daarbij is dat de sidderrog beschikt over een elektrisch orgaan waarmee hij stroomstoten kan voortbrengen van meer dan 200 volt. Hij kan met dit orgaan prooien opsporen, verschalken en hij kan zich ermee verdedigen. De jacht op roggen valt onder de langelijnvisserij.

Maar nu het gedicht: de tekst verplaatst de lezer naar zee, het strijdtoneel waarop een verbeten strijd gestreden wordt tussen mens en dier, tussen visser en zeerog, tussen jager en prooi. Een gevecht waarin de jager uiteindelijk het onderspit delft. En hoe!

Het gedicht opent met een kwatrijn, een vierregelige strofe die slechts uit één zin bestaat en door het omarmend eindrijm als een afgerond geheel kan worden beschouwd. Het eerste woord van de eerste versregel schoon betekent hoewel, ofschoon of ook al. Er is sprake van een onderschikkend voegwoord van toegeving. Want hoewel de sidderrog week aanvoelt, traag is en verdrietig oogt, vreest hij zijn vijanden niet.

Wat opvalt in deze en de daarop volgende strofen is het archaïsch taalgebruik, zoals het reeds besproken schoon en de woorden schuwt, doorziedt, somwijl en bodemwaarts. Ook het gebruik van de accusativus in r.1 den vijand is daarvan een voorbeeld. Storend is dat allerminst. Het geeft het gedicht een plechtige connotatie. Het draagt bij aan de elevatie van een levenswijsheid die zich in de derde strofe majestueus openbaart.

Het metrum in de eerste strofe is traag-jambisch en sluit perfect aan bij de beschrijving van de lome zeebewoner die zich zelden aan de mens vertoont, hem niet tot last is. Hij ligt daar al zo lang, in het eeuwige duister, half verscholen in het zand, in stilte en volstrekte eenzaamheid. Hij torst zijn eeuwenoud verdriet en murmelt zachte geluiden, onverstaanbaar en mysterieus. Geluiden die doen denken aan de oude godenzangen. De lezer voelt compassie met dit arme beest, juist ook door de menselijke en mystieke trekjes die hij van dichter krijgt.

Fraai zijn in deze strofe de assonanties en alliteraties. De langgerekte e-, o-, a- en ij-assonanties die in het gehele kwatrijn opduiken en de alliteraties in r.2 blanke buik en in r.3 peinzend prevelt dragen eveneens bij aan de vertraging van het leestempo in de versregels. Zo sluiten metrum en rijm naadloos aan bij het wezen van de sidderrog: lusteloos, traag en vol verdriet.

Ook de tweede strofe is door zijn omarmend eindrijm een afgerond geheel. Er voltrekt zich in deze strofe een ommekeer. Er doemt een ware metamorfose op. Zij wordt aangekondigd door de antimetrie waarmee het tweede kwatrijn opent: het nevenschikkende voegwoord maar, de aankondiging van een tegenstelling. Het onschuldig lijkende dier verandert in een moordzuchtige rover die meedogenloos zijn prooi verschalkt. De snelheid en hevigheid waarmee dat gepaard gaat, worden mede bewerkstelligd door de korte, felle i- en a-klanken in respectievelijk gif, verschrikking, kil, bliksem en in klam, vadsig en vlamt. En natuurlijk in de acceleratie van vier elkaar opzwepende, korte zinnetjes.

In deze tweede strofe krijgt de lezer een tegengesteld beeld van het aanvankelijk sympathieke en zachtaardige dier dat plotsklaps verandert in een moordlustig en wreed monster. De dichter maakt het de lezer niet gemakkelijk. Is er nu sympathie of antipathie voor de rog? Hiermee is het eerste gedeelte van het gedicht, het octaaf bestaande uit twee kwatrijnen, ten einde. Het wachten is nu op de chute.

Hoewel er tussen de eerste en tweede strofe al sprake is van een scherpe wending in de karakterisering van de sidderrog, valt de echte wending of chute van dit sonnet tussen regel 8 en 9, in de overgang van octaaf naar sextet. Een ommekeer die we zouden kunnen typeren als abstract naar concreet, als algemeen naar bijzonder.

Overigens is er tussen de tweede en de derde strofe ook weer sprake van een tegenstelling. In de derde strofe zijn de rollen omgedraaid. Is de sidderrog in de tweede strofe nog de jager; in de derde strofe is hij de prooi waarop gejaagd wordt. Hij laat zich bedriegen, niet door het listige aas (een mooie hypallage) maar door de sluwe visser, de jager die onzichtbaar voor de rog, hem aan de haak heeft geslagen. Tussen de derde en vierde strofe wordt vervolgens nog een keer een tegenstelling geschetst: een tafereel boven en een tafereel onder water.

In de derde strofe is de sidderrog aan de haak geslagen. Hij weet zich – vooralsnog diep in het water – de mindere. Hij berust, naar het lijkt, in zijn lot. In de vierde strofe waant de visser zich de overwinnaar. Hij ziet de sidderrog op het watervlak drijven en raakt in een euforie. Hij verslapt een weinig, wat de sidderrog merkt. De felle pijn van de scherpe haak in zijn dunne lip voelt even wat lichter. De sidderrog weet wat komen gaat en een felle stroomstoot – metrisch ingeleid door een sterke antimetrie in het midden van r.13 – doet de rest. En ook nu krijgt de rog menselijke eigenschappen. Het is een vileine lach. Het is hem opnieuw gelukt uit de klauwen van zijn onzichtbare vijand te blijven.

Inmiddels zijn we voorbij de kern van het gedicht. Die zit in r.11: Thans spilt niet, ijdel rukkend, hij zijn kracht. Deze samengestelde zin – een hoofdzin met daarin een beknopte bijzin – is bijzonder knap gecomponeerd. De hoofdzin Thans spilt niet hij zijn kracht krijgt door de inversie en zijn ongewone zinsorde, namelijk de plaatsing van het ontkennende bijwoord niet tussen persoonsvorm en onderwerp de status van een parool. De juiste duiding van de beknopte bijzin ijdel rukkend is daarbij essentieel. Het betekent geparafraseerd terwijl hij [de sidderrog] tevergeefs aan [zijn vislijn met haak] trekt. En dat doet hij nu juist niet. Hij spartelt niet tegen.

Het is alsof de sidderrog weet hoe hij zich in dergelijke situaties moet gedragen. Een leerzaam voorbeeld voor de mens, die zich, wetende dat hij de mindere is, met name in ongelijke situaties, moet beheersen. Hij voegt zich, ogenschijnlijk, naar de wil van de ander. Hij accepteert zijn rol als verliezer. Hij wacht evenwel zijn kans. Loeren zal hij slechts op één onachtzaamheid van de op dat moment sterkere tegenpartij en vervolgens toeslaan. Dat wil zeggen ontsnappen of zich revancheren.

En nu komen we bij de tweede reden waarom dit gedicht voor mij zo bijzonder is. Het is de les die ik ooit mijn dochter meegaf toen zij als 18-jarig meisje naar Leuven toog om er geneeskunde te studeren. De elfde versregel uit het gedicht ‘De sidderrog’ was daarbij mijn leidraad. Ik zei: “Word je ooit fysiek lastig gevallen, aangerand of nog erger, spartel niet tegen maar werk mee, ogenschijnlijk”. Verspil je tijd niet met een tevergeefs verzet; je zult die strijd verliezen. Spaar je krachten. Wees als de sidderrog. Wacht je kans af.

En zo geschiedde. Mijn dochter werd een paar jaar later vanuit een donkere nis vlak bij haar appartement van achteren door een stalker vastgegrepen. Als een flits kwam naar boven wat haar ooit over de sidderrog was verteld. Zij vermande zich, werd kalm, verhief niet haar stem en zowaar, de belager verslapte. En in dat ene moment van onachtzaamheid kreeg zij ruimte en voelde de stalker hoe haar hak zijn kruis trof. Hij verstijfde, en zij, zich los rukkend, ontkwam aan zijn drift en snelde weg.

Pareau predikt in ‘De sidderrog’ geen moralisme. Hij plaatst zijn levensles als een autonome regel in de poëtische context van zijn sonnet. Sta je er voor open, dan blijkt dat bij onterechte afwijzing, oneerlijkheid, vernedering of levensgevaar er een redelijke kans bestaat op eerherstel, genoegdoening, vergelding of lijfsbehoud.

Altijd zal ‘De sidderrog’ van Pareau mij en mijn dochter dierbaar blijven. Het werd ons levensparool.

____

De dichter N.E.M. Pareau (1906 – 1981) is een alter ego van professor Herman Jan Scheltema die van 1945 tot 1977 hoogleraar rechtsgeschiedenis was aan de Rijksuniversiteit Groningen. Gedurende die periode was hij ook enige jaren rector-magnificus. Als schrijver en dichter genoot hij aanzien. Onder een ander pseudoniem Mr. J. Jer. van Nes verschenen zijn composities. Kortom: een veelzijdig, erudiet en begenadigd mens.

_

Meander Klassiekers

In deze rubriek bespreken we elke maand een bijzonder gedicht, dat de tand des tijds heeft doorstaan. Of zal doorstaan. Sinds 2000 zijn in deze reeks ruim 200 analyses verschenen. Klik hier voor recente klassiekers, en hier voor een overzicht van de klassiekers vanaf 2000 – heden (work in progress).

Reageren op deze bespreking?

Neem contact op met de redactie: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Zelf een bijdrage leveren?

Voor de komende seizoen staan al besprekingen ingepland over werk van Gust Gils, Marije Langelaar, Frank Koenegracht en Jan Vanriet. We houden ons aanbevolen voor nieuwe inbreng. Mocht u zelf ideeën hebben voor een bespreking, neem svp tijdig contact met ons op: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)
_
Eric van Loo, redacteur Meander Klassiekers

Geplaatst in Klassiekers.