Poëzie om te bewaren

 

door Jan Loogman

Hoe ouder ik word, hoe vaker ik stil sta, bevangen door melancholie. Geldt dat niet voor iedereen? Natuurlijk, er zijn mensen die geen tijd hebben daarvoor, zij moeten zorgen voor eten, drinken, onderdak. Maar wie de zekerheid daarvan heeft, kan zichzelf de stilstand gunnen. De beukenlaan doet denken aan andere beukenlanen, uit eerdere jaren. Het zonlicht valt er in september altijd zo mooi, weet je nog? Een rij platanen kan hetzelfde gevoel van melancholie oproepen, maar daarvoor moet je naar het buitenland.

De beukenlaan die ik voor me zie leidt van het kerkplein naar het kerkhof en voorbij mijn eigen herinnering.  Hij ligt achter de kerk waar mijn ouders in 1945 zijn getrouwd. Het is kort na de bevrijding, het halve dorp staat op het plein als zij de kerk uitkomen. Jonge voetballers van de plaatselijke sportvereniging vormen een haag, links en rechts. Het kersverse bruidspaar loopt ertussendoor, de voetballers houden vlaggen omhoog, sommige ervan strijken over de hoofden van mijn ouders. Achter het bruidspaar lopen mijn grootouders, en daarachter de enorme familie van mijn moeder en de paar broers van mijn vader. Niemand kijkt in de richting van de beukenlaan, iedereen lacht om de vlaggen die het kapsel van de bruid in de war dreigen te brengen. Mijn vaders haar is onaantastbaar dankzij de brillantine. Iedereen leeft.

‘Waar is de tijd? Hier is de tijd.’ Vijfenzestig jaar en bijna zes maanden later, het is half november geworden, doet de pastoor de mis vanwege de begrafenis van mijn moeder. Aan het slot dragen wij de kist de kerk uit, het kerkplein op. Er staan weinig mensen. Het dorp is niet kleiner geworden, maar er wonen minder mensen dan vroeger. Alle dorpswinkels zijn gesloten, de school is dicht, de kinderen op. Er staat geen haag van voetballers op het plein. Mijn vader is allang dood, net als zijn twee broers. Wel lopen er nog een stuk of wat broers van mijn moeder achter ons aan, en ook haar zus, onze tante Riek. Bij de bruiloft was zij afwezig geweest. Als non had zij het klooster niet mogen verlaten. Ze had haar zus een mooie brief geschreven. Nu zijn de kloosterregels allang versoepeld en loopt zij mee in de stoet, aan de arm van een van mijn zussen. We slaan rechtsaf, op weg naar de beukenlaan, en laten de kerk achter ons. Het is fijn dat tante Riek achter me loopt en toch hoor ik twee regels van Armando: ‘Houd de tijd toch tegen, / breng de tijd tot stilstand.’ Hebben wij nu over het verlaten kerkplein gelopen op weg naar het kerkhof, loopt tante Riek achter me? Of is mijn moeder nog eens de bruid naast mijn van brillantine glimmende vader?

 

afbeelding Pixabay

Jaren geleden publiceerde Maria Barnas ‘White horse hill’ met daarin deze regels: ‘Op de heuvel staat een paard van krijt / Ik luister naar herinneringen / die niet meer om mijn vingers passen / Raak ik ze kwijt of verliezen ze mij / Met mijn oor tegen de aarde / hoor ik het naderen / Het gaat niet voorbij’. Er zijn dramatische, onomkeerbare gebeurtenissen, die voorbijgaan en toch blijven. ‘Alles gaat voorbij, maar niets gaat over’ heet de bundel van Daniël Billet, die in mijn boekenkast staat. Eenmaal gebeurd, is het te laat. Voorbij totdat het gebeurde je weer aangrijpt. Gelukkig is de tijd ook vol van zoete gebeurtenissen. Voorbij maar nog altijd kunnen ze je doen glimlachen. Ooit vertrouwde handelingen waarvan niemand het bestaan nog vermoedt. Het is herfst, ik loop door de stad en ga na een tijdje een café binnen. De plankenvloer, de lange bar, tafeltjes waarop de kleedjes ontbreken. Ik ga zitten, de serveerster vraagt wat ik wil drinken. Ik hoor haar stem, maar haar gezicht valt weg tegen het licht dat door de grote ramen naar binnen valt. Ik zie de beukenlaan. Dit keer loop ik niet naar het kerkhof, ik ga de andere kant uit. Tegenover het kerkplein staat het café. Kerkzicht. Daar zit mijn vader als jongeman, elke zondagochtend. De misviering is achter de rug, hij installeert zich aan het tafeltje bij het raam. De kastelein komt aanlopen met een glaasje en een grote fles. Hij plaatst het glaasje op het kleedje en schenkt het tot de rand toe vol.

‘Waar is de tijd? Hier is de tijd’, is een regel van zowel Herman de Coninck als Esther Jansma. De een gebruikt hem in het gedicht Meisje, de ander in het sonnet Archeologie in de bundel Hier is de tijd. Het slot ervan gaat zo: ‘…Je zit aan tafel. Opeens zie je hoe iemand / ijs overstak, hoe hem de kou beving // of een ander einde en je zegt: kijk, / hier heb je zijn schoenen, leren mantel, wanten. / ‘Waar is de tijd? Hier is de tijd.’  Hier is deze laatste regel een aanbod van de dichter aan de lezer: vraag jij je af waar de tijd is? Kijk, hier is hij, hier heb ik het verleden voor je neergezet, hier is de tijd. Ik knipper met mijn ogen. ‘Een jonge jenever,’ zeg ik tegen de onzichtbare serveerster. Mijn vader buigt naar de tafel en nipt voorzichtig aan mijn borrel.

Geplaatst in column.