Poëzie Kort 2019 / 10


door Lennert Ras, Janine Jongsma en Hans Puper

Tom van Rossum – Pijnpunten

(door Lennert Ras)

Er zijn veel pijnpunten in deze bundel. Kinderen in oorlogssituaties: ‘Geboren in onvrede’ (p. 7), een kind dat een bomgordel om krijgt in ‘Een meisje van slechts 13 lentes’ (p. 24), een kind dat haar moeder en zus al kwijt is in ‘Zeemonster’ (p. 26). De ik-figuur heeft het er maar moeilijk mee en roept tegen God: ‘Laat de kindertjes met rust / en geef ze een eerlijke kans. (‘Gebed’ p.52). Maar naast pijnpunten in relatie tot kinderen zijn er ook andere pijnpunten zoals in ‘Eerwraak’ (p.10) en ‘Aardbeving in Nepal’ (p.38).

Maar er is ook humor, zoals in ‘Lachverwekkend’(p.40): ‘Dokter, ik ben nog niet jarig / zegt mijn vrouw / Dat klopt meneer, / pas over een half jaar.’ En ook de schaamte, als de ik-figuur wordt afgewezen door een meisje met pukkels, ‘Ik was 17’ (p.34), is ergens wel grappig. Maar of dit opweegt tegen alle wrangheid, dat vraag ik mij af, zoals in ‘Zinloos’ (p.48): ‘doe je voorzichtig jong / ja mam je kent me toch (…) een snuiter vraagt / ben jij homo // horendol slaat hij op hol / grijpt een mes en steekt / een jong leven aan flarden’. Of in ‘Promotie’ (p. 60) waarin een kijvend stel in de auto een dodelijk ongeluk maakt en hun leven erbij inschiet.

Verder speelt ook de psychiatrie een rol in de bundel. Zo moet een vrouw in bad van het protocol in ‘Eindelijk’ (p.22), maar ook dit loopt af als pijnpunt: ‘Niets om het lijf / stapt ze het water in. / Ze valt, komt niet meer boven.’ En heel plastisch wordt het als het gaat over problemen in het hoofd, ‘Muizenval’ (p.58): ‘ze maffen in mijn slaapkwab / waardoor ik wakker blijf’. En in ‘Zielenknijper’ (p.55): ‘Zelfs de allerbeste psychiater / kan niet uit mijn ziel knijpen / wat vastgeroest zit’.

Pijnpunten is geschreven in heldere alledaagse taal. Het is alsof je tante Sjaan hoort praten, met haar rugzak aan levenservaring…of pijnpunten. De gedichten zijn vaak op de man af en soms wat volks: ‘sta op van die bank, slome / jouw tijd zit verstopt / in je luie reet’ (p.57). Als je de bundel uit hebt, moet je wat bijkomen van het soms verbale geweld. Misschien een opsteker, als je zelf pijnpunten hebt; dat het nog erger kan.
____
Tom van Rossum (2019). Pijnpunten. Eigen beheer. € 13,90. ISBN 9789461292193

 

 

Theo Monkhorst , Huis Huid

(door Janine Jongsma)

Theo Monkhorst schrijft al sinds 1957 poëzie. Hij is geen onbekende van Meander. In een interview uit 2009 vertelt hij over zijn beleving van de poëzie. De bundel Huis Huid bestaat uit één afdeling van zesentwintig gedichten, opgedragen aan de muze: ‘Maribel, geleerde, zongestoofde’. De eerste regels van de gedichten zijn vetgedrukt en doen dienst als titel. De ‘ik’ beschrijft zijn leefomgeving, het huis waar hij woont, waar andere woonden en leefden met- en voor hem. Dat huis valt samen met zijn lichaam. Zoals we lezen in het openingsgedicht: ‘De stoel in mijn borst vertoont mijn rimpels / zoals het behang van de kamer mijn huid vormt.’ Verderop lezen we: ‘Dit huis is mijn huid die ik van een ander kreeg / de schepping van een dode die mij omsluit’. De titel van de bundel Huis Huid is helder, de metaforen herkenbaar. De ‘ik’ maakt de balans op van zijn leven in dat huis als oudere man.
Er wordt teruggedacht aan een vorige bewoonster:

(…)
– wat weet ik van haar
dan dat zij zweeg over haar dood
alsof zij oefende voor het eeuwige zwijgen.
Zij gunde niemand toegang tot haar lijden,
misschien was het een vergezicht
voorbij een horizon, waar ik geen zicht op heb.
In dit huis laat zij geen woorden na.

De ‘ik’ wendt zich regelmatig rechtstreeks tot zijn muze. Uit die dichterlijke gesprekken komt naar voren hoeveel onmacht de ‘ik’ voelt ten opzichte van zijn ‘Maribel, geleerde, zongestoofde’, als hij ooit sterft. Zij kan namelijk alleen in de taal worden behouden als hij er is om over haar te schrijven. Als hij tot stof geworden is dan leeft zij enkel nog in zijn achtergebleven taal:

In de baan van zonlicht daalt het stof
slaat neer in schaduw onder kast en stoelen,
onzichtbaar voor mijn oog. Restanten minuscule
dood, voer voor mijten en stofzuigers. Ooit zal ik
stof zijn en gegeten worden of gekuist door
een vrolijke meid, die zingend dit huis doorkruist.
Schoon wordt dat genoemd, bevrijd van
wat er van mij over is en van jou Mirabel,
geleerde zongestoofde. Onze schilfers mengen
zich als hoogste graad van samenzijn. Nooit
waren wij zo’n eenheid als in de zak van deze zuiger,
alsof onze levende lijven een barricade
vormden tussen ons. Maar in deze zak kan ik niet
van je houden, omdat breinen ontbreken
die liefde verzinnen en jou maakt zoals jij
voor mij bent en jij mij door jouw ogen ziet.
Jij Mirabel, geleerde zongestoofde,
die ik hier maak van taal omdat ik
alleen met taal jou kan behouden
Ook als ik stof geworden ben.

De gedichten in Huis Huid getuigen van een fijnzinnige dichter die aansprekend schrijft. Als lezer dwaal je met de ‘ik’ mee door het huis, zie je de schilderijen en de foto’s. Hoor je de klanken van de muziek en loop je met hem mee over de ‘O, eeuwenoude Okergele Planken, warm als zand (…) waarop mijn nest rust (…)’. Treffende, beeldrijke poëzie.
____
Theo Monkhorst (2019). Huis Huid. Uitgeverij In de Knipscheer, 42 blz. € 13,50. ISBN 9789062657711

 

 

Jozef Deleu (samenstelling), Het Liegend Konijn 2019/2

(door Hans Puper)

Een van de sterke kanten van Het Liegend Konijn is de grote aandacht voor dichters die nog geen bundel hebben gepubliceerd. Een Fundgrube voor uitgevers. Ditmaal zijn het er twaalf: Evi Aarens, Kevin Amse, Ruud van den Beuken, Eelkje Christine Bosch, Bob Vanden Broeck, Jonas Bruyneel, Klaas Ten Holt, Erik Lumens, Joep Stapel, Patrizia Vespa, Meliza de Vries en Anne van Winkelhof. De jongste is geboren in 2000: Evi Aarens, die een sonnettenkrans schreef die zo goed is dat je in verwarring raakt, want hier manifesteert zich een natuurtalent dat de schijn wekt al zeer ervaren te zijn. De krans met de intrigerende titel ‘Goed falen is een hoogbegaafde daad’ is in zijn geheel opgenomen: vijftien gedichten dus. De van eruditie getuigende discussie van Adam met zijn schepper, de schrijver, speelt een centrale rol. Is Evi Aarens een pseudoniem, samengesteld uit Adam, Eva en misschien nog een andere naam? En is Evi echt zo jong?
Mooi is de beeldspraak van Vanden Broeck: ‘aan de botten van de bomen / hingen brokken blauwe lucht te drogen’; Jonas Bruyneel heeft maar één regel nodig om een persoon tot leven te wekken: ‘Iemand missen doet ze trefzeker’; Klaas ten Holt: ‘vroedvrouwen wensten je vruchteloos geluk’.
Naast hen nam Deleu natuurlijk ook dichters op die nog niet zolang geleden zijn gedebuteerd, zoals Maarten Buser, Vicky Francken en Tijl Nuyts.
Gerenommeerde dichters als Anneke Brassinga, Eva Gerlach en Anna Enquist komen ook ruim aan bod. De ‘Demetercyclus’ van Enquist raakte me diep. De ‘ik’ laat de radeloosheid zien van deze godin van de landbouw (ook wel beschouwd als moeder aarde) als zij denkt dat haar dochter dood is: ‘(…) zij krijst / dag en nacht over bergen en velden. Zij voelt geen honger / of kou, zij is de naam van haar dochter’. Maar Kore wordt vrijgelaten uit de onderwereld, maar moet drie maanden per jaar terug. In die perioden laat Demeter het winter zijn, ze is dan ten einde raad: ‘ (…) Gebrek / aan het kind kooit haar in moederschap. // Ze rukt aan de tralies. Krommer en grijzer / van dag tot vervlogen dag. Kijk / hoe ze nooit ontsnapt, nooit iets vindt.’ Huiveringwekkend wordt het als we beseffen dat de ‘ik’ haar kind voor altijd kwijt is. Als Demeter al zo ondraaglijk lijdt, hoe moet het verlies dan voor haar zijn? Dat kun je niet in woorden vatten, hooguit omschrijven. De tweede strofe van ‘Willen en kunnen’:

Waar ze maar zit, knielt of staat, vliegt
de afwezige aan, overmant haar en neemt
in beslag wat er is aan bloemknoppen,
nageslacht, wolkenlucht. Het ontbrekende
kind is heftig aanwezig maar kijkt
haar niet aan, zegt niets terug.

En dat dag in, dag uit. Voor de ‘ik’ blijft het winter, haar leven lang: ‘Uitzicht op witte weiden, wachten op de laatste / halte, uitstappen op een onbekend perron’.

Een standbeeld van Demeter staat op de begraafplaats Zorgvlied in Amsterdam …
___
Het Liegend Konijn 2019/2 . Tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie (2019). Onder redactie van Jozef Deleu. Polis, 283 blz. € 20,00. ISBN 9789463104692

 

 

Frank Diamand – Ik is een ander

(door Lennert Ras)

Frank Diamand, dichter en filmmaker, werd in 1939 in Amsterdam geboren. Hij debuteerde in 1966 met het gedicht ‘Cybernetica’ in De Gids. Twintig jaar later verscheen bij uitgeverij Van Gennep zijn debuutbundel: Wie wil er nu met Hitler in de tobbe. Ik is een ander is het derde boek dat Amphora Books van hem uitgeeft. De titel is ontleend aan Ik is een ander van Arthur Rimbaud (1854-1891), tevens de titel van de vertaling uit 2009 van ‘Een seizoen in de hel’ en ‘Illuminations’ door Hans van Pinxteren.

De bundel is opgedragen aan Diamands onlangs overleden geliefde Evelien Gans (1951-2018) en opent met gedichten over dit verlies: ‘Je beeld is door je dood bevroren / je wordt niet ouder meer’ (p. 17). ‘Vandaag heb ik mijn tekst geschreven voor 4 mei (…) ik wil je bellen of je hem lezen [wilt] (…) en mis je dan, (…) omdat dat niet meer kan’ (p. 19). In deze eerste cyclus ‘Voor E.’ staat ook het titelgedicht ‘Ik is een ander’, over een gesprek dat de ‘ik’ heeft met Evelien over het concentratiekamp: ‘je hoeft toch ook niet zwart te zijn / om in te voelen wat Apartheid [is]’ om te eindigen met: ‘Het is niet voor te stellen / niet eens voor wie het zelf beleefde.’

In de tweede cyclus ‘Verlies in soorten en maten’ gaat het verder: ‘Zerfliesse mein Herz. / Fluwelen Jezus. / Je broertje is dood’ (p. 25) en over een aantal dode geliefden, vrienden en een overleden zus.

In de cyclus ‘Van alle dag’ komt een aantal zwanen voorbij. Maar ook de email en het programma Word (p. 40/41). Er komt een citaat van Marsman voorbij: ‘Groots en meeslepend wil ik leven / Dat heb je ooit gedaan’ (p. 49). Maar ook hier weer de dood, de vroege dood van de Franse dichter Arthur Rimbaud en de Russische dichter Boris Ryzhy.

In de cyclus ‘Ooit & nu’ speelt de oorlog een rol: ‘je bent pas groot als je een ster draagt / en ik had haast om dat te zijn’ (p. 53). ‘Werden ook kinderen gebrandmerkt? (…) Verdomd had ik daar anders ook heftig / naar een nummer op mijn arm verlangd?’ De ik-persoon droomt en ziet zichzelf als verzorger van kinderen met downsyndroom, maar weigert mee te werken aan hun vernietiging (p. 54). Een depressieve moslimterrorist komt voorbij (p. 56) en stuk gebombardeerde steden (p. 58). De ik-persoon maakt zich druk over de vluchtelingen: ‘Al gun je de vluchtenden veel, of zelfs alles’ (p. 59). Ook aan de beroemde video van de man die op het plein van de Hemelse Vrede een tank probeert tegen te houden, is een gedicht gewijd (p. 55).

In de cyclus ‘Dante’s hel is geen vakantiefolder’ gaat het over prostaatkanker en de gevolgen daarvan. De ik-persoon maakt zich zorgen dat een vriendin hem laat stikken, maar ze blijkt gewoon erg druk geweest te zijn en niet thuis (p. 67). Deze cyclus werd eerder al in bibliofiele uitgave gepubliceerd (Essential Arts 2007). In de bundel staat verdriet om verlies centraal, zoals het verlies van zijn geliefde, familie, vrienden en een verminderd libido. De gedichten zijn sierlijk, de bundel is prettig te lezen en de onderwerpkeuze is divers, zonder dat er gedichten uit de toon vallen.
_____
Frank Diamand (2019). Ik is een ander. Amphora Books, 84 blz. €15,00. ISBN 9789064461101

Geplaatst in Recensies.