Anton Korteweg – Nooit eens lekker nergens

Milde ironie om te overleven

door Hans Franse



Het weer is somber en grijs, de sfeer vervelend. Ik kan niet goed tegen deze herfst en voel me triestig. In de supermarkt zie ik echter een jonge moeder, ze staat voor me bij de kassa met haar baby in de wandelwagen, ze ziet er prachtig uit, goed verzorgd, ze is mooi om te zien. Mijn hart slaat over, er komt wat licht in mijn sombere gemoed, uiteindelijk valt zelfs in deze sombere sfeer wel te leven, zolang als er mooie, jonge moeders bestaan. Als ik per ongeluk op haar tenen trap gaat het mis. Ondanks mijn gestamelde verontschuldigingen, scheldt ze me uit, ik hoor een plat Haags dat zijn weerga niet kent, van een Haagse mooie, keurig verzorgde Harriëtte. Weg gevoel van verlichting naast de triestige kerstboom in de supermarkt, diepe treurigheid omvangt mij. Gelukkig is er altijd de ironie in mij die mij opbeurt. ’Dit moet toch de beste aller werelden zijn’, denk ik. Thuis breekt een lichtstraal door de grauwe deemster: de redactie van Meander zond mij een bundel van Anton Korteweg met de fascinerende titel: Nooit eens lekker nergens. Ik kijk naar het reuzenrad op de omslag en blader. Alles is goed! Wat een cadeautje! Wat een genot om in deze grijste aller dagen, deze somberheid der somberheden, zo een bundel te krijgen en na een beschrijving van iets zeer triviaals, een zachtmoedig statement te lezen vol zelfspot of ironie waarmee je kunt overleven. ‘De illusie in stand houden dat / het leven wat meer is dan je / op de been proberen te houden, / vereist, naast dommige hoop, / vitale smakeloosheid’. Deze regels komen uit ‘Zuidbuurt’ (p. 101), waarin ik een mannelijk equivalent vind van de door mij geschetste ‘moeder’ uit de supermarkt. Die ik, min of meer, ook terugvind in ‘Kampen’ (p. 79), daar herken ik haar als ‘een Andrélon-meisje’. Ik lees de bundel tweemaal achter elkaar en voel me beter; de kracht van poëzie die het duister verdrijft.

De dichter Anton Korteweg, ooit directeur van het Letterkundig Museum in Den Haag, heeft in de inleiding de titel verklaard. Al fietsend door Zeeland nestelde zich een rood-zwart kevertje op des dichters been. Na anderhalf uur nam het ‘roekeloos de vleugels’. Er waren voor die kever dus twee dingen belangrijk: ‘aangewaaid worden, (…), en weggewaaid tot slot’. Dat geldt ook voor mensen. Daartussenin ben je altijd ergens, of in je kamer in alle rust of ergens waar veel prikkels zijn. ’Van dat onontkoombaar ergens aanwezig zijn, moeten we maar het beste zien te maken. (…) Het is de reis zelf die van belang is; het reisdoel stelt teleur’. De dichter zette zijn ervaringen van al die reizen, niet alleen échte reizen, maar ook virtuele en metafysische, bij elkaar en ordende de gedichten op grond van de plaatsen waar hij was geweest, thuis of onderweg, plaatsen die bijdroegen aan zijn menselijke vorming. En zoals de druppel rode wijn die in zee geplengd wordt, de kleur van de zee verandert (zie het gedicht van Leopold ‘Oinou hena stalagmon’ ), ‘beïnvloedt iets onzegbaar kleins, iets onmetelijk groots (…). Zo hebben naarmate je ouder wordt meer plaatsen vorm aan je leven gegeven’.

Elk van de drie delen van de bundel begint met een kaartje van de omgeving waarin de poëzie zich afspeelt dan wel geschreven is, de schrijver noemt dat ‘autotopografisch. Hij munt een nieuw woord, een nieuw begrip, het woord bestond niet. We staan dus als lezers aan het begin van een nieuw ordeningsmodel: autotopografische gedichten. En dat alleen al maakt deze bundel belangrijk. Er kan op twee manieren autotopografisch geordend worden, alfabetisch of chronologisch. In deze autotopografische bloemlezing (ik blijf het herhalen ondanks de rode streepjes onder het woord die de literair zwakbegaafde computer steeds opnieuw aangeeft) heeft Korteweg in de drie afdelingen, die in elkaar overvloeien, de gedichten chronologisch geordend.
In afdeling één staan centraal de gedichten die met ‘mijn calvinistische jeugd in Zevenbergen te maken hebben, wonen en werken (als leraar) in Leiden en lange afstandswandelingen in Frankrijk, (vrijwel altijd richting Compostella (…)’. In afdeling twee ‘wordt er gefietst, gewoond in Leiden en als directeur van het Letterkundig Museum gewerkt in Den Haag’. De laatste afdeling bevat gedichten ‘met in de hoofdrol Vlaanderen, wandelen (het Zuiderzeepad) en fietsen, en opnieuw mijn woonplaats Leiden, waar ik al meer dan een halve eeuw rustig in mijn kamer probeer te blijven zitten om erger te voorkomen’.
De lezer, aldus Korteweg, legt dus het autotopografisch parcours af dat hij in meer dan zestig jaar heeft afgelegd. Zo leest hij het levensverhaal ’van een man die overigens voor een dichter behoorlijk normaal is’. Als voorbeeld van dit autotopografisch parcours vertelt hij over de slotavond van de literaire week Herfstschrift (1985), waarin hij ‘gehoorzaam kwam aanwaaien in de Groningse Stadsschouwburg en daar als volgt verslag van deed’:

Uit lezen

Die avond las ik in
Groningen. Het
was weer eens herfst en
dan moet dat.

Dat liefde sterft, het
verstrijken van tijd,
onbereikbaarheid,
dat soort dingen.

Beschaafd applaus, contant
betaald en volop drank.

Dit is de toon van de gedichten, een beschrijving, een opsomming die soms iets van een intrinsieke triestheid heeft en dan de alles opluchtende, ironische opmerking die, althans voor je zelf , de strohalm tot overleven aanreikt. Zoals ook dit korte gedicht:

Feest

Ik moest de HEMA in. Voor vruchtentaart.
Goed en goedkoop. Want junior verjaart.
Als je nou kijkt wat daar los loopt aan vrouw
dan wil je wel naar huis. Naar die van jou.

Nog één klein vers en dan schei ik uit met citeren, zal inhoudelijk mijn plicht doen, misschien citeer ik er dan nog één.

Den Haag Centraal

Wat laat u mij nu toch weer lijden, Heer!
Weet u niet, hoe ik aan het tobben ben
en tastend rondga? Waarom moet mijn blik
zich dan nog hechten aan een apparaat
met knoppen en met gleufjes en de tekst
‘Zoek uw bestemming en druk dan de knop in?’

Een heel calvinistisch verleden in een korte overpeinzing, prachtige poëzie maar onder de schijnbaar achteloze tekst, ligt een wereld van gevoel.

Ik vind het een heel belangrijke bloemlezing. Allereerst vanwege het creëren van een nieuw ordeningsmodel, – mijn computer weigert het nog steeds te erkennen- de autotopografische ordening, poëzie chronologisch ordenen naar gelang de plaatsen die belangrijk voor je zijn. Ook de helderheid van de poëzie plus de warme ironie, verwijzend naar de wereld van gevoel, een strijd om in de gewoonheid, misschien zelfs de lelijkheid van alledag te overleven door middel van de ironie. Ooit door kunstcriticus Albert Plasschaert (1874-1941) gedefinieerd als ‘een zachtmoedig zijn’.
Maar ook vanwege het belang van de bundel voor de literaire geschiedenis die Korteweg ervoer in zijn functie van directeur van het Letterkundig Museum. Zijn ontmoetingen met- en beschouwingen over de dichters en schrijvers die hij gekend heeft zoals Piet Piryns, Herman de Coninck, Leonard Nolens en misschien wel de grootste; Rutger Kopland (Rudi van den Hoofdakker). Ik citeer dit gedicht over hem als laatst, omdat ik het zo mooi vind, zo integer, zo vol gevoel en bijna liefde:

De laatste jaren van Rudi

We kwamen in zijn kabouterhuis
aan de ronde keukentafel
regelmatig tot goede gezwijgen.

Dat de dingen de dingen zijn
de wereld de wereld,
er niets is om naar terug te keren,
nergens iets achter ligt-
zwijgstof volop, altijd.

Alleen als ik dringend iets kwijt moest,
verbrak ik even het zwijgen:
dat het gesneeuwd had, bijvoorbeeld,
als het die nacht gesneeuwd had.
‘Die slag is voor jou,’ zei hij dan.

Vervolgens werd er weer gezwegen.
Over problemen dit keer
die er wel en die er niet zijn,
en dat die dezelfde zijn.

Zo goed als Rudi kon zwijgen,
zo zweeg er op aarde nooit een.

Prachtig toch? Deze bloemlezing is verplicht.

____

Anton Korteweg (2019). Nooit eens lekker nergens. Meulenhoff, 109 blz. € 19,99. ISBN 9789029093576

Geplaatst in Recensies.