Johanna Geels

Johanna Geels (1968) is dichter, schrijver en columnist. Zij schrijft voornamelijk over de absurdistische en poëtische kant van de dagelijkse dingen en haar dagelijks gevecht met chronisch ziek-zijn (h-EDS). Zij publiceerde 4 dichtbundels (haar debuutbundel Tuig werd genomineerd voor de C.Buddingh’-prijs) en een verzameld columnboek met columns die eerder bij HP/DeTijd verschenen. Voorjaar 2020 verschijnt haar debuutroman Wat een tuin ziet als hij slaapt. Later volgt haar dichtbundel Planeetversterkers, waaruit wij nu al drie gedichten mogen plaatsen.  Ondertussen probeert zij  twee blogs bij te houden (mits haar gezondheid dit toelaat).

foto Hadewych Veys

 

Het onderhouden van een zeegezicht

We kochten twee eenzame mensen
langs de kant van de weg, een mist
en een boot in de verte.

We schoven het panoramadak open
voor de draadlange lijven, de damp waarvan
we later pas begrepen dat hij blijvend was.

We kochten vakliteratuur en handleidingen, een hok
groot genoeg voor een mist, mensen, een boot, een verte
en zetten het in de bijkeuken.

Eerst gingen we regelmatig kijken. Toen minder.
Dit kon volgens de handleiding.
De mensen aten mist, de mist at boot, de boot de verte
en de verte niets.

Iedereen weet hoe dit afloopt. Wat we zagen
de laatste keer dat we keken, in de bijkeuken,
net achter de deur.

 

 

 

Paskamer

De onder het bed gerolde kroon
trekt mild aan onze wangen
je hardkale kop waar het kwaad
van de wereld tegen afketst

In deze kamer draagt niemand zijn naam

Zijn je handen om mijn hals je ogen
de manier waarop je naar me kijkt
me elke ochtend uit-en-aankleedt
alsof je me voor het eerst

Je vingers tussen mijn kaken mijn mond
die gehoorzaam opent

En dat het zo wonderlijk is, zeg je
terwijl je mijn lippen
zacht dwingend uit elkaar duwt
mijn tong naar buiten lokt

Hoe ik er ineens was
met al mijn eigenwijze dingetjes
woordjes, wangetjes en kinnetjes

Het allemaal in deze kamer past

 

 

Voor het donker

De televisie knippert, net voor de kamerdeur sluit
nu blijft iedereen leven, drijven er geen kinderen meer
in rivierwater tussen koffiebekers.

(We schakelen over naar het tweede net: we zien een markt
waar kazen en panty’s onder boze mannen rondgaan)

Mensen beginnen te praten, dwars door de marktmuziek heen
nu worden alle geliefden zacht en gelukkig
kauwen er geen kaken meer aan botten van vrienden.

(Kaas, zo leren wij, is een stremselproduct, panty’s zijn gemaakt van nylon
en boze mensen van luchtdicht verpakt en gestapeld oud zeer)

Het glaucoomoog van de wereld knippert, knettert
net voor de keukenklok zijn uren slaat
nu komt alles samen op wegen zo breed dat niemand in de weg
struikelt of verdwaalt.

Zoek het teken, het schrift om in te schrijven
de stok om mee te wijzen als de avond valt.
Geplaatst in Gedichten.