Jozef Deleu – ondoorgrond

Wachttorens tegen de dood

door Peter Vermaat



Eén van de voordelen van mijn rol als recensent is dat ik regelmatig in aanraking kom met poëzie, die mij tot dan toe nog onbekend was. Behalve het feit dat dit mij beschermt tegen – altijd lastig te onderdrukken – vooroordelen op basis van in het verleden opgedane leeservaringen, brengt het me meestal een verrijkte blik op wat taal in poëzie vermag te doen.

Jozef Deleu (1937) is een Vlaamse dichter, die volgens de inleiding op de bundel door Carl de Strycker, ‘waarschijnlijk bekender als cultuurpoliticus en bloemlezer dan als dichter is’. Hij is mede-oprichter van het tijdschrift Ons Erfdeel en (enig) redacteur van Het Liegend Konijn.

Sinds zijn debuut in 1962 heeft hij, met grote tussenpozen, inmiddels tien bundels met poëzie en poëtisch proza gepubliceerd, waarvan de laatste, Tussentijd (2019), uitsluitend als onderdeel van ondoorgrond is uitgebracht.

Er is een groot verschil tussen de jonge en de oude Deleu, in de zin dat naarmate hij ouder wordt, de dichter de taal steeds meer condenseert tot – voor hem – essentiële woorden. De oude Deleu ontwikkelt zich als het ware uit de jonge Deleu door toepassing van het literair vriesdrogen, zodat een gedicht uiteindelijk bestaat uit kale taal, een ingedroogd lichaam zonder overbodige sappen:

Watermolen

de molen
maalt
het water

de molen
maalt
de geest

de molen
herhaalt
hoe de dood

zich herhaalt
het water
maalt

[p. 353]

Vanaf zijn eerste bundel zet Deleu de taal expliciet in als verdedigingsmiddel tegen de dood. Waar zijn eerste gedichten nog legers zijn, met vlaggen en uitdossing in bonte kleuren, vormen de latere gedichten, zoals hierboven, eenzame donkere wachttorens op de grens, terwijl de naderende donkere wolken steeds zichtbaarder worden.
Steeds duidelijker ook wordt een beroep gedaan op de bezwerende herhaling, alsof alleen een spreuk het onvermijdelijke nog kan uitstellen, terwijl aan afstel niemand meer geloven kan.

Een ander kenmerk van Deleu’s poëzie is ‘ernst’. Meer dan af en toe een glimlach laat de dichter niet toe en taalmuziek, waarmee de lezer door klank in een dwarrelende rondedans meegesleept wordt, zul je bij Deleu tevergeefs zoeken. De taal is bij hem vooral gereedschap om door denken en zien een bepaald perspectief uit de werkelijkheid te bevrijden, zoals een beeldhouwer zijn visioen uit de steen weet los te maken. Bij Deleu blijft die steen, evenals de uiteindelijke figuur, weerbarstig van aard. Al in zijn eerste bundel wordt dat duidelijk:

Levensloop

Naarmate ik mij verwijder
glijdt een schaduw achter mij.
Herinnering aan zonneschijn
wordt tijdelijker,
gaat voorgoed voorbij.

[p. 13]

De enige plekken waar het leven in enige mate wordt gevierd, zijn de liefdesgedichten, die vrijwel altijd genoemd zijn naar of zijn opgedragen aan Deleu’s vrouw Annemarie. Niet alleen de taal, maar ook het beeld en de gebeurtenis staat in die gedichten pal voor het leven, waarbij de beschutting tegen de dood meestal eerder impliciet dan uitgesproken is. In deze gedichten krijgt de verbeelding in de taal de meeste ruimte.

Dit gebeurt tevens – en in nog sterkere mate – in de prozagedichten van Deleu, zoals in de bundel Gezangen uit het achterland (1981), waarin de vrouw Cecilia treurend, maar ook met liefde het leven gedenkt met haar man Felix, die na tewerkstelling gedurende de Tweede Wereldoorlog van de honger krankzinnig is geworden en uiteindelijk in het gesticht is gestorven.

Eerste beweging

5.

Je neemt de wekker in je handen en je gaat neerzitten
op de rand van het bed.
Je voeten raken niet eens de vloer.
Het bed kraakt.
Oude bedden willen hun verleden kwijt.
Ze kunnen het niet in stilte verteren.
De mist glijdt langzaam uit je kleren.
Je gaat languit op bed neerliggen en drukt met beide
handen de wekker tegen je borst.
Het tikken van het uurwerk overstemt je luide hartslag.
Je voelt de warmte van je handen overgaan in de metalen
wekker die nu bijna inniger gaat tikken.
Ik draag de tijd aan mijn hart, denk je overmoedig.
Je voelt je een korte eeuwigheid een beetje god.
Het is een schone leugen.
Om van te dromen.
Dwars door de tijd.

[p. 101]

Het is opvallend dat de manier waarop Deleu de achterblijver als het ware achter de dood langs laat kijken naar het leven, tot heel andere taal leidt dan waarin hij zelf de dood op voldoende afstand wil houden. Als de dood eenmaal zijn beslag gekregen heeft in het leven, is er blijkbaar geen reden meer om de angst bezwerende taal in stelling te brengen, maar worden de kleuren, de geuren en het voelen van wat was weer relevant.

We lezen hier veel in wat er staat, maar nog veel meer tussen de regels door. Niet in het minst in de namen van de personages, waar ‘Felix’ afgeleid is van het Latijnse woord voor ‘gelukkig’ en ‘Cecilia’ van het eveneens Latijnse woord voor ‘blind’.

Toch komt Cecilia uiteindelijk tot inzicht, nadat ze een avond lang in de hotelkamer geweest is, waarin ze indertijd met haar man hun eerste huwelijksnacht doorgebracht heeft:

Zesde beweging

7.

Het is tien uur in de avond als je beneden komt en de rekening
vraagt aan de verbaasde hotelier.
Hij aarzelt tot hij merkt dat het je ernst is.
Je betaalt en verdwijnt in de nacht.
Ik wil vannacht weer thuis slapen, in het vertrouwde bed,
zeg je voor je uit.
Niet één nacht wil ik wegvluchten voor de eenzaamheid
van mijn huis.
De herinnering aan Felix draag ik overal met mij mee;
maar de plaats die hem het liefste was, zijn thuis, die plaats
wil ik bovenal blijven eren.
Je loopt bijna opgewekt tussen het feestende volk.
Er wordt gedanst en gezongen. In steegjes zie je jonge
koppels wegvluchten en dicht tegen mekaar aanschuilen.
Het leven gaat verder.
Je hoort hoe mannen je schor achterna roepen.
Maar je stapt voort, ongegeneerd.
Nu weet je dat alles de moeite waard blijft. Ondanks alles.
Een nieuw geloof heeft van jou bezit genomen.
Dank zij de liefde, zeg je stil voor je uit.
Maar je vindt de goede woorden niet.
En het doet er niet meer toe.

[p. 150]

De drie laatste regels mogen als literair testament spreken voor de dichter Jozef Deleu.

____

Jozef Deleu (2019). ondoorgrond gedichten 1963 – 2019. PoëzieCentrum, 368 blz. € 35,00. ISBN 9789056552688

Geplaatst in Recensies.