Over boertige nonnen en sonnettenkransenkransen

Bas Jongenelen (Roosendaal, 1968) is dichter en docent Nederlandse letterkunde aan een lerarenopleiding. Hij studeerde literatuurgeschiedenis aan de universiteit van Tilburg en promoveerde in 2019 op zestiende-eeuwse rederijkershumor aan de Radboud Universiteit: Humor in 1561. Comt sotten / helpt sottelijck sotheyt bedrijven.
Hij schreef mee aan diverse schoolboeken over literatuur en taalbeheersing.
Jongenelen is vooral door zijn ‘kranswerk’ een bijzondere eend in de dichterlijke bijt. Samen met schrijver en docent Anne-Marie Maartens maakte hij sonnettenkransen. Een sonnettenkrans is een reeks van vijftien kunstig in elkaar gevlochten sonnetten. En daar bleef het niet bij. Samen met vele andere sonnettiers creëerde hij in 2016 de eerste Nederlandstalige sonnettenkransenkrans, i.e. een cyclus waarin maar liefst 211 sonnetten op ingenieuze wijze in elkaar zijn gevlochten. Die reeks, samengesteld met Martijn Neggers, verscheen bij Uitgeverij Geroosterde Hond.
Op Wikipedia zijn de formele eigenschappen van kransen te vinden.

Inge Boulonois sprak met hem.

foto  O.B. Kunst

Je leven lijkt geheel in het teken van de literatuur te staan. Kwam je daar als kind al vroeg mee in aanraking?
Zo lang als ik mij kan herinneren, lees ik. Er was vroeger thuis niet echt een leescultuur, maar de krant werd wel gelezen, en er waren tijdschriften. Voor mij waren er de Donald Duck en de Kijk. Mijn ouders stimuleerden mij om te lezen, volgens mij gingen we iedere week naar de bieb.

Het jaar 1561 is vermeld in de titel van je dissertatie. Wat is er zo belangrijk aan dat jaar, behalve dan dat kort daarna de Beeldenstorm en de Tachtigjarige oorlog begonnen?
Het is een belangrijk jaar in onze literatuurgeschiedenis, zo’n 10% van de literaire teksten uit de zestiende eeuw komen uit 1561 – hetgeen statistisch niet logisch is. In dat jaar was het laatste Landjuweel (in Antwerpen), er was een redelijk groot literair festival in Rotterdam en Eduard de Dene legde de laatste hand aan zijn boek Testament Rhetoricael. Het is stom toeval dat deze drie dingen in één jaar plaatsvonden. Maar toeval telt ook.

Kun je in zeer kort bestek vertellen wat de belangrijkste bevindingen zijn van je descriptieve onderzoek?
Ik verwachtte veel meer te lezen over onderhuidse spanningen en ongenoegen over het bestuur dat in Brussel zetelde. Dat viel tegen. Veel grappen gingen over niks, of over bier drinken. Wel zijn er vrij veel teksten over huishoudelijke misstanden. Het zou kunnen zijn dat deze misstanden staan voor de misstanden op bestuurlijk niveau – maar daar heb ik verder geen aanwijzingen voor gevonden. Alsof Zondag met Lubach alleen maar gaat over hoe de buurvrouw en buurman van Arjen Lubach ruzie maken. Tja, dat kan best leuk zijn, maar niet als je maatschappijkritische satire verwacht. Waarschijnlijk zal er over 500 jaar iemand zijn die een proefschrift over de liedjes van Snollebollekes schrijft, in relatie tot de liedjes van Wim Kersten en De Viltjes natuurlijk.

Humor is voor een groot deel gebonden aan tijd en plaats, bovendien vrij subjectief. Wat is het specifieke van rederijkershumor? Verschilde de humor van toen van die van ons, en zo ja in welk opzicht?
Er zijn nogal wat overeenkomsten met carnavalsliedjes. ‘Laten we feest vieren en bier drinken’ is een thema dat in de vrolijke gedichten en liedjes naar voren komt. Het lijkt erop dat het een vlucht is uit de werkelijkheid: de maatschappij staat in brand, laten wij vandaag gewoon een feestje vieren. Voor je het weet is alles voorbij.

Wat vind je zelf de geestigste schertsstelling uit je dissertatie?
Ik had geen stellingen. Dat was niet nodig.

Als dat wel had gemoeten, wat was het dan geworden?
‘Er moet op scholen meer aandacht komen voor literatuur.’ Dat is geen grappige stelling, maar ik maak mij zorgen over de afnemende taalvaardigheid van de leerlingen. Het gaat mij niet alleen om het schoolvak Nederlands maar ook om de moderne vreemde talen. Goed literatuuronderwijs is goed voor de taalvaardigheid en voor de bildung. Als er op school weinig aan bildung wordt gedaan, waar gebeurt het dan wel? Overigens vind ik dat er ook op MBO’s, HBO’s en universiteiten literatuuronderwijs gegeven moet worden, weliswaar op wat beperkte schaal, maar toch… Het kan voor psychologiestudenten, aankomende kappers en elektrotechnici geen kwaad om af en toe een boek te lezen en om daarover te discussiëren met andere studenten en de docent.

In de zestiende eeuw was het voor vrouwen moeilijk om kunstschilder te worden; ze werden niet toegelaten op academies. Ik vermoed dat vrouwen toen evenmin lid van rederijkerskamers mochten worden. Een bekende talentvolle Antwerpse dichteres was Anna Bijns, die meesterlijke ‘refereinen’ schreef. Zij is ongetwijfeld wel van invloed geweest op de poëziecultuur van toen. Komt haar naam in je proefschrift voor?
Er zijn geen vrouwen actief geweest als auteur in 1561, maar wel als uitgever. Marie Anxt was de weduwe van Jacob van Liesvelt en zij zette eigenhandig de drukkerij / uitgeverij van haar man voort. En jazeker komt Anna Bijns voor in mijn proefschrift! Haar refereyn over schetenlatende nonnen is een van mijn favoriete gedichten. Haar gedichten komen niet uit 1561, maar ik plaats de literatuur uit dat jaar in relatie tot andere literaire werken uit de zestiende eeuw. Het gaat niet zozeer om dat ene jaar. 1561 is een soort uitsnede uit de zestiende eeuw.

Ik hoorde dat er gewerkt wordt aan een nieuwe sonnettenkransenkrans, een maatschappijkritische reeks over bureaucratie. Daaraan werken legio dichters mee, ook bekende namen als Frank van Pamelen, Jaap van den Born, Machiel Pomp, Christiaan Abbing. Hoe krijg je het steeds voor elkaar om zoveel sonnettiers te enthousiasmeren?
Gewoon vragen. Een sonnettenkransenkrans is zo raar, daar willen veel mensen aan meewerken. De lol spat van de sonnetten af. Het is alleen maar plezier. Daar wil je als plezierdichter bij zijn. Verder is het allemaal heel low profile. Er is geen budget, er is geen reclamebureau, er zal geen winst gemaakt worden, er is helemaal niets. Ik heb niets te bieden, alleen de gein. En een exemplaar van het boek. Dat betaal ik uit eigen zak. Een sonnettenkransenkrans is financieel verliesdraaiend, maar de lol! Och, het is zo ontzettend grappig!

Wat zijn je toekomstige dichterlijke plannen? Zijn er grotere uitdagingen te bedenken dan sonnettenkransenkransen?
Ik ben nu een literatuurgeschiedenis aan het schrijven, Nederlandse literatuur vanaf de Middeleeuwen tot en met de negentiende eeuw. Mijn dichterlijke plannen zijn in de ijskast gezet, maar ik heb het sterke vermoeden dat er in 2021 wel weer een sonnettenkransenkrans gemaakt wordt.

Drie ongepubliceerde sonnetten uit de bundel in wording: Problemen, dingen, zooi en tribulaties. Een sonnettenkransenkrans, te verschijnen bij Korreltje Zeezout.

 

Meestersonnet

Er lopen griezels, monsters, fabeldieren,
centaurs, sfinxen, draken en cyclopen.
Waar zou je nog op kunnen / durven hopen?
De zotheid heerst op allerlei manieren.

Is het een rare droom of is het echt?
Het duizelt je, je voelt je niet normaal,
want om je kop klinkt managementkabaal.
Je denkt: een ware heer is niemands knecht.

Die rare wezens komen je verstoren,
je wordt geknecht, je vrijheid is eraan.
Ze zwermen rond als hongerige gieren,

ze blaten onzin die niemand wil horen.
Het zijn de mensen met de bullshitbaan
en alle gekkigheid wil hoogtij vieren.

© Machiel Pomp, Anne-Marie Maartens, Frank Fabian van Keeren & Bas Jongenelen

En alle gekkigheid wil hoogtij vieren
wanneer de chef zijn hielen heeft gelicht.
Snel zetten Ans en Cor het op een gieren
als Klaas probeert om Joke te versieren,

En Madelon haast onder het gewicht
van Ben de junior accountant zwicht,
Veronica met Tom begint te klieren,
terwijl ook Ben z’n goede daad verricht.

Eén iemand echter zal dit feest verstieren,
begeesterd door zijn dagelijkse plicht
blijft hij met beide handen aan ’t gezicht,
gebogen achter al zijn formulieren.

’t Is Bart, die vieze vuile huichelaar:
Een spreadsheet hier en ook een spreadsheet daar.

© Remko Koplamp
Een spreadsheet hier en ook een spreadsheet daar,
met tabs en tachtigduizend vakjes, hokjes,
zijn hand ligt op de muis, geeft kleine schokjes,
de cursor floept en vliegt van hot naar haar.

Zijn dunne vingers dansen over toetsen,
de koffie drinkt hij lauw met kleine slokjes,
hij wijst mij op mijn uren in de blokjes,
want ik ben van niet-lullen-maar-wel-poetsen.

Hij zet mij aan het werk, is nooit abuis,
hij is mijn chef, hij morst met chocovlokjes,
vertelt mij wat te doen in een heel jaar.

Ik projecteer zijn handen in mijn kruis,
hij blinddoekt mij en komt verveeld in brokjes,
met vele cijfers en formules klaar.

© Anne-Marie Maartens
Geplaatst in Interviews.