Frédérique Spigt – Misantroop

Kleurrijk en liefdevol vormgegeven gedichten

door Eric van Loo



Frédérique Spigt is bij het grote publiek bekend als zangeres van veelal zelfgeschreven Nederlandstalige muziek. Daarnaast is zij ook beeldend kunstenaar, afgestudeerd aan de Rotterdamse kunstacademie (richting Grafisch Ontwerpen). Naast haar muzikale carrière is ze altijd blijven tekenen, o.a. door haar albumhoezen en tekstboekjes zelf te illustreren. Ook Misantroop, haar debuut als dichter, is rijkelijk geïllustreerd. De mooi uitgevoerde bundel bevat 23 gedichten, die telkens door een tekening op gekleurd papier worden voorafgegaan. Gelukkig staat de illustratie niet op de tegenoverliggende bladzijde. De lezer wordt daardoor uitgenodigd om tekening en gedicht los van elkaar te bekijken, als zelfstandige kunstuitingen.

In een gesprek met Frits Spits vertelde zij, dat zij door gitariste Corrie van Binsbergen gestimuleerd werd tot het schrijven van poëzie. Zij had al wel af en toe een gedicht geschreven, maar pas toen Van Binsbergen haar uitnodigde samen een theaterprogramma te maken, zette Spigt zich tot het schrijven van gedichten. Er ging een wereld voor haar open. In de poëzie is zoveel meer vrijheid dan in een liedtekst. Alles kan, er zijn nauwelijks kaders. En door de bundel in eigen beheer uit te geven kon zij ook qua vormgeving alle vrijheid nemen, wat haar als multitalent wel is toevertrouwd.

Pissebed

Zoals zij schrijdt
landschaaldier
onder haar leigrijze pantser
haar monddelen en antennes richt
naar de doodverklaarde
wegkruipend van licht
in humide aarde
onder de bloempot
met verwelkte ogentroost

Een sterk gedicht over een bijzonder onpoëtisch onderwerp. Het kriebelt als je het leest, het voelt unheimisch om te worden aangesproken als ‘doodverklaarde’. Of zou de dichter hiermee de verwelkte ogentroost aanspreken? Mooi is ook ‘landschaaldier’. Het gebruik van ongebruikelijke woorden of namen is een stijlkenmerk in deze bundel. Een kleine greep: polyethyleentereftalaat, Luna Spica, cattle-brand-colt, roadpizza, de Devil’s Trill Sonata, Tjoekotka en Ecco Lucas Di Canelupi. Het laatste is de mysterieuze titel van een gedicht over een hond, waarvan ik een beetje het gevoel heb dat ik de clou mis omdat ik ondanks googelen niets van de titel begrijp.

In meer dan de helft van de gedichten speelt een dier de hoofdrol, in veel andere gedichten is een belangrijke rol voor dieren weggelegd. Niet alleen een terug-naar-de-natuur-verlangen, maar ook rauwe schetsen van dieren die het niet of nauwelijks redden in onze vervuilde wereld. Een reiger in een sloot naast een gezonken winkelwagentje en een gedumpte tv. Een kraai die aan kadavers op de snelweg pikt, tot hij zelf ook voedsel wordt voor soortgenoten. Of in ‘Herfst’: ‘tussen het opwaaiend blad / gescheurde vlindervleugels / van dagpauwogen / die poogden te schuilen’. Zou de dichter haar toevlucht zoeken bij dieren omdat het onder de mensen slecht toeven is?

Misantroop

Mijn gelovige vrienden zijn gelukkig weg
alle drank is op
pogingen tot troost zijn mislukt
naar hun zeggen
omdat ik mij op eenzame hoogte bevind

Krantenbericht:
cliënt met persisterende depressieve stoornis
ontsnapt uit kliniek, wint bergetappe
La Planche des Belles Filles

gezegend met winnaarsbokaal
godvergeten ver van huis
vlucht ik in hoe men mij het liefste ziet
een misantroop, lachend aan het kruis

Een heerlijk associatief gedicht, dat een wrange thematiek ombouwt tot een hilarische overwinning, om toch weer bitter te eindigen. Als enige heeft dit gedicht een illustratie die twee tegenover elkaar liggende pagina’s beslaat. De voorkant van de bundel toont hier de rechterhelft van. Het gedicht wordt bezegeld met een zeldzaam rijm. Over het algemeen werkt Spigt weinig met klank in deze bundel, op een enkel meer vormvast gedicht na. Zoals het uit onregelmatige vierregelige strofen bestaande ‘Husky Song’, met rijmschema ABCB, of het uit disticha opgebouwde ‘Paard’, dat min of meer hetzelfde rijmschema kent. Hoewel, als ik terugblader zie ik toch in veel gedichten af en toe eindrijm opduiken. Een regelmatig metrum ontbreekt wel volledig, zelfs in de meer rijmende gedichten. Opmerkelijk voor een liedjesschrijver. Of geniet zij juist van de vrijheid die poëzie haar biedt, waarin volgende strofen niet gebonden zijn aan een vastliggende melodie?

In de korte tekst op de achterflap wordt het NRC Handelsblad aangehaald: ‘De muziek van Spigt, die tevens verteller is, laveert knap tussen zwaarte en lichtheid.’ In haar gedichten heeft echter de zwaarte de overhand, zowel in thematiek als toonzetting. Het taalgebruik is vaak stug en weerbarstig, en komt soms wat gezocht over, met zinsnedes als ‘hartgespan, bitterzoet’, ‘stormachtige schaking’ en ‘geselroedes in de storm’.

Ondanks de vermelde redactionele inspanningen van Ellen Deckwitz en Frank van Dijl laten de gedichten op zich geen diepe indruk achter, een enkel gedicht daargelaten. Misschien speelt de korte ontstaansgeschiedenis een rol, poëzie moet vaak langer rijpen voor zij op dronk is. De combinatie met de tekeningen en kleurrijke vormgeving spreekt meer tot de verbeelding. En ik kan me voorstellen, dat de teksten nog meer tot hun recht kwamen in de voorstelling die Frédérique Spigt samen met Corrie van Binsbergen in februari en maart in de theaters gegeven heeft.

____

Frederique Spigt (2020). Misantroop. Uitgeverij Brave New Books, 106 blz. € 22,50. ISBN 9789402131949



Deze recensie komt ook –zijdelings– aan bod in de column ‘Dagboek van een redacteur’ van 29 maart jl.

Geplaatst in Recensies.