Hans Franse – De wereldreis van lijn 11

Heimwee in sfeerbeelden

door Janine Jongsma




Recensent bij Meander Hans Franse (1940) gaf ter ere van zijn tachtigste verjaardag een dichtbundel uit met reispoëzie. Dit is alweer zijn zevende bundel, een volgende staat op stapel. Franse is een productief man, hij schreef hiervoor ook zes boeken en het zevende is zojuist voltooid. De wereldreis van lijn 11 is heimwee-poëzie, waarin we met hem meereizen door zijn geliefde Frankrijk en Italië. Ook aan bod komen zijn geboorte- en woonplaats Scheveningen, Den Haag en De Lage Landen; er zijn zelfs uitstapjes naar Spanje en Canada. In de laatste afdeling, ‘De laatste reis’ , zijn de gedichten meer persoonlijk van aard. De bundel wordt opgedragen aan zijn vrouw Andrea, die niet alleen zijn levensgezellin is, maar ook zijn reisgenoot.

Het is een flinke bundel met 72 gedichten. Zo af en toe is er een toepasselijke illustratie bij een gedicht. Soms een foto, soms een tekening. Het is een mooi verzorgde bundel. Het bijzondere voorplat is een afbeelding van een schilderij van de kunstschilder Joop Polder. De titel De wereldreis van lijn 11 is van het gelijknamige gedicht in de bundel dat onderdeel uitmaakt van de introductie. De tram van lijn 11 rijdt van het station Hollands Spoor in De Haag naar de Strandweg in Scheveningen: ‘Waar alle sporen uit de oude wereld samenkomen / vertrekt lijn elf voor zijn wereldreis / over de continenten, van onderen / naar boven, van laag naar hoog, / van zwart naar wit / langs muezzin en Brahmaan / tot het einde van de wereld.’ De dichter doelt hier op de verscheidenheid aan etniciteiten die hij ziet onderweg om te eindigen bij: ‘de oneindigheid van de grote zee’, waarmee hij het einde van de wereld bedoelt. Voordat we met hem naar het buitenland gaan, laat hij hier zien dat je op de tram van lijn 11 al mensen ziet van andere continenten. Daarvoor hoef je dus niet naar verre landen toe.

Ernst Jan Peters besprak in Meander de bundel De lof der espresso uit 2018 van Franse en noemt zijn poëzie: ‘poëtische ansichtkaarten’. Dat is de beste omschrijving van zijn werk als dichter. Franse is een scherp waarnemer van zijn omgeving en schildert met woorden een sfeerbeeld. Hij schrijft in het vrije vers, parlandopoëzie, maar zonder veel kenmerken van poëzie. Zo ontbreekt de diepere laag en de ambiguïteit, daarnaast is de beeldspraak –als die al gebruikt wordt– niet verrassend. Wat ik jammer vind bij de gedichten van Franse is dat er niks te raden overblijft. Bij het beschrijven van een landschap bijvoorbeeld , waarin toch al niet veel gebeurt, moet de dichter het spannend maken door het poëtisch omhoog te tillen door beeldspraak te gebruiken. Denk aan metafoor, personificatie of vergelijking.

Laten we eens kijken naar zo’n sfeerbeeld. Uit de afdeling ‘Sicilië’ het eerste gedicht:

HET HEIMWEE EILAND

Het heimwee eiland is bereikbaar
over de gestolde tranen van een huilende vulkaan,
brem en bougainville bloeien op de zwarte lava,
diep donkerrood als wijn, lichtend geel als de citroenen
op de zwarte hard geworden ondergrond.

In de voetstappen van Odysseus
loop ik langzaam in de lome zon.
Langs de smalle straten bloeien sinaasappels,
de bloesem waait
waar een keizer ooit kastelen bouwde.

Ik drink alles in, dichter bij de wijn,
de volle rode, de fruitige witte;
de tranen van het heimwee eiland,
groeiend tussen de tempels van weleer:
het heimwee houdt mij knagend uit mijn slaap.

Zeker de lezers die op het Italiaanse eiland Sicilië zijn geweest, zullen dit gedicht een feest van herkenning vinden. Maar de eerste zin klopt al niet. Sicilië is op meerdere manieren bereikbaar maar niet over de gestolde tranen van de vulkaan Etna. Pas als je op het eiland bent kun je erover lopen en deze –overigens mooie – beeldspraak gebruiken. Dit soort slordigheden zien we helaas vaker in de bundel. Daarna volgt in dezelfde strofe tweemaal de verklaring van die gestolde tranen middels: ‘zwarte lava’ en ‘zwarte ondergrond’. Tweemaal het woord zwart en driemaal een omschrijving van lava doet alles teniet wat met ‘zwart gestolde tranen’ alleen, wél poëtisch gezegd had kunnen worden. We komen langs de gele brem en donkerrode bougainville. De alliteratie komt natuurlijk over. Franse maakt hier een makkelijke, maar mooie verbinding met de wijn en de citroenen. In strofe twee betrekt hij er de oudheid bij en zien we de sinaasappels hangen. In strofe drie drinken we met onze ogen het landschap in dat hij met woorden heeft geschilderd. En de rode en witte wijn van Sicilië, dát vocht, maar vooral die druiven (ze blijven keurig ongenoemd hier) zijn de echte poëtische tranen van een land waar je heimwee naar blijft houden, voor de rest van je leven. Toch een aardig sfeerbeeld.

In de laatste afdeling, ‘De laatste reis’, schrijft Franse over de vergankelijkheid van het leven en neemt hij ons bijvoorbeeld mee naar de graven van zijn gestorven zus (een oorlogsbruid) en zijn zwager (een Canadese soldaat). Maar ik wil eindigen met de oude Hans die nu, op de respectabele leeftijd van tachtig, heimwee heeft naar de jonge Hans, naar het vroeger waarin zijn ouders nog leefden. Franse probeert zich hier overigens niet te meten met Martinus Nijhoff, die poëzie schreef waarin de persoonlijkheid van de dichter ondergeschikt was aan het gedicht en aan de vorm. Dat is het tegenovergestelde van wat Franse doet. Die schrijft hier weliswaar een modern sonnet maar dicht altijd vanuit de persoon en in de bundel is het merendeel van zijn gedichten in de vrije vorm geschreven. Nee, hij herlas Nijhoffs gedichten – ik gok dat het de gedichten waren waarin Nijhoff zichzelf als kleine jongen beschrijft – en ervoer hierdoor dezelfde heimwee.

OUDERLIJK HUIS
Na voor de zoveelste keer Nijhoff te hebben herlezen

Ik zat in het gras van de kleine stadstuin
en hoorde uit het tedere huis onder de hoge hemel
hun stemmen. Ze klonken als liefde en
genegenheid, muziek die een kind rustig stemt

Zij praatte zachtjes tegen haar grote liefde.
Hij bromde goedig wat woorden terug met zijn
vertrouwde, diepe stem. Dan speelde zij, hij vond het fijn,
het enige pianostukje dat zij kende.

De tien maten van Czerny met een foute linkerhand
leken een stroom van warmte toen het leven
nog braafjes van warme liefde zong
en samenzijn. Zij verdwenen in het niets als de geluksmuziek.

De laatste maten stierven weg;
zelfs hun graven bestaan niet meer.

In de eerste strofe is ‘het tedere huis’ dat opvalt een mooie vondst. ‘Liefde’ en ‘genegenheid’ zijn hier synoniem en daarnaast abstracte begrippen. Jammer. En in strofe drie ‘warmte’ en ‘warme’ in dezelfde zin. Dit alles doet amateuristisch aan. Daar komt nog bij: zet de zinnen achter elkaar en er blijft enkel een kort stukje proza over. Daarnaast mag je verwachten in een gedicht over muziek dat er aandacht is voor ritme in het gedicht. Zonde van deze sfeervolle herinnering. Concluderend kun je stellen dat Franse met liefde en enthousiasme schrijft over alles waar hij heimwee naar heeft. Dat hij mooie sfeerbeelden schildert met woorden. Maar schrijven is schrappen en het poëtische gehalte van zijn gedichten moet écht omhoog.

____

Hans Franse (2020). De wereldreis van lijn 11. U2Pi, 129 blz. € 15,00. ISBN 9789087599072

Geplaatst in Recensies.