Meander Klassieker 239: Jan van Nijlen – Winter op het land

door Pieter M. van Sterkenburg

Meander Klassieker 239

Terwijl we vandaag volgens de astronomische kalender de winter achter ons laten, blikken we nog één keer terug met ‘Winter op het land’ van Jan van Nijlen. Ruim een eeuw geleden geschreven, toen de winters –zeker op het Vlaamse platteland– nog veel indringender ervaren werden. Pieter M. van Sterkenburg bespreekt dit pareltje van een bijna vergeten dichter.

Winter op het land

Reeds vuurt in mat en mistig inkarnaat
de lage zon te weinig en te zelden;
duisternis komt en het vroegste uur is laat
voor wie al de uren van de zomer telde.

Alleen prijkt nog op witberijmde velden
het rapenloof, het laatste groen sieraad
des najaars. Hoor, de zwarte raven melden
de lange winter die nu komen gaat.

Giet olie in de lamp, ontsteek de haard,
sluit al de deuren en de vensters dicht,
staar door het raam naar de ontblaarde gaard,

kijk naar uw vrouw, zie haar bemind gezicht,
zo leert gij hoe goed en beminnenswaard
een dag kan zijn ook zonder kleur en licht.


Jan van Nijlen (1884 – 1965)

Uit: Verzen (1906)
Uitgever: De Nederlandsche Boekhandel

Inleiding                                                    

Als leraar Nederlandse taal– en letterkunde behandelde ik jaren achtereen in de eindexamenklas Atheneum het gedicht ‘Winter op het land’ van Jan van Nijlen. Meestal was het dan doodstil in de klas. Ook daarna werd er weinig gesproken. Wel wist ik dat de inhoud van het gedicht in de hoofden van de leerlingen bleef malen. Niet zelden is het effect van stilzwijgen indringender dan praten. Toch lijkt het erop alsof het gedicht in vergetelheid is geraakt.

De vermaarde, Utrechtse hoogleraar A.L. Sötemann bracht Van Nijlen zelfs onder in een twaalftal gerenommeerde maar vergeten lagelandendichters uit de eerste helft van de 20e eeuw. Gelauwerde dichters wier literaire sporen langzaam door de tijd lijken te zijn gewist. Discipelen van het woord wier stemmen niet meer boven het lawaai van alledag uitkomen, laat staan gehoord worden. Literair criticus professor Kees Fens schreef in zijn voorwoord dat de door Sötemann geroemde dichters in diens boekje Dichters die nog maar namen lijken (2003) een laatste kans krijgen. Het lijkt me daarom een goede zaak om een van hen, Jan van Nijlen, in de rubriek Meander Klassiekers opnieuw voor het voetlicht te brengen.

Het gedicht

Zelden is het Vlaamse land treffender geschetst dan in het Vlakke Land van Jacques Brel. Een lied waarin laaggrijze luchten en straffe wind nederigheid leren. Het gedicht van Jan van Nijlen, een halve eeuw eerder geschreven, past in die traditie. Het beschrijft plastisch en in gedragen stijl het arme Vlaamse boerenland. Doordrenkte aarde waarboven gitzwarte raven klapperend de winter aankondigen. Land ook, waar de boer zich klein weet.

De titel van het gedicht verwijst expliciet naar het akkerland waar najaarsstorm en regenval de landman zijn boerderij injagen en hem dwingen tot lijdzaamheid. Land is hier ook op te vatten als tegenstelling van de grootstad, waar de natuurelementen veel minder intens worden beleefd dan op de uitgestrekte landouwen. Intussen hebben de zomerdagen hun langste tijd gehad en is de oogst binnengehaald. Maar de dagen korten snel en de avonden komen vroeg. Vuile regen en gure wind teisteren het geplunderde bouwland en ginds, aan de einder, vuurt [reeds] in mat en mistig inkarnaat de lage zon te weinig en te zelden’.  De met katholieke doopnamen gezegende Joannes (de evangelist), Joannes–Baptista (Johannes de Doper), Maria (Stabat Mater dolorosa), Ignatius (van Loyola, stichter van de orde der Jezuïeten) van Nijlen (1884 – 1965) demonstreert in zijn poëzie ostentatief zijn ambachtelijke vaardigheid in vorm, klank en metrum. En ook in dit sonnet wordt die poëticale ambachtelijkheid overdadig geëtaleerd.

In de eerste versregel doen de beklemtoonde, lange vocalen ee, uu en aa afgewisseld met bilabiale, allitererende medeklinkers en de daarop volgende korte klinkers denken aan de cadans die seizoenswisselingen eigen is: van lang naar kort, van warm naar koud, van droog naar nat en van rijk naar schraal. Dat alles geschraagd door een overwegend metrisch patroon van jambevoeten, voorzien van fraaie antimetrieën zoals al direct waarneembaar is in v1, waar het accent op het eerste woord ‘reeds’ de snelheid accentueert van de voortijlende tijd. Nog ‘vuurt’ het bloedrood aan de horizon maar het zijn slechts stuiptrekkingen van een stervende zomerzon.

In de tweede strofe is de laatste oogst binnengehaald. Op de inktzwarte velden ‘prijkt’ alleen nog maar het laatste loof van gerooide koolraap. In de nazomer de schraalste onder de bouwgewassen maar nu – op de godverlaten akkers – ‘het laatste groen sieraad des najaars’. Naargeestig klinkt het gekrauw van rovende raven. Dat ze ‘zwart’ zijn, benadrukt de desolate aanblik van het verdronken bouwland. In v5 en 6 toont Van Nijlen zich met het zinsfragment ‘Alleen prijkt nog op witberijmde velden’ opnieuw een creatief woordkunstenaar. ‘Alleen’ betekent hier enerzijds eenzaam en anderzijds datgene wat nog rest van de oogst. In diezelfde versregel valt het bijvoeglijk naamwoord ‘witberijmde’ op in de woordgroep op witberijmde velden’. ‘Rijm’ is een homoniem en heeft twee betekenissen: overeenkomst in klank en bevroren neerslag (rijp). Een woordspeling met metaforische kwaliteiten: velden als bladspiegels met daarop de laatste rijen rapenloof als rijmende dichtregels van een vers. Probeert de dichter hier niet ook te zeggen dat het troosteloze akkerland aanzet tot poëzie?

Dan volgt in de derde strofe – bij de overgang van octaaf naar sextet – de ommekeer, die karakteristiek is voor het klassieke sonnet: een wending die geduid kan worden als: van buiten naar binnen, van kou naar warmte, van arbeid naar rust en van donker naar licht. Van Nijlen bedient zich daarbij van een asyndetische enumeratie in de betekenis van niet meer te dralen maar – zoals de dichter Bloem (1887 – 1966) ooit heel toepasselijk in dit verband verwoordde – ’t uur te nutten dat wenkt voor tederheden.

Want nu de hoeve zich langzaam ingraaft en de naderende winter wacht, volgt in de laatste strofe dichters aansporing tot liefhebben. Het geschetste contrast tussen de behaaglijke warmte binnen en de doornatte ‘ontblaarde gaard’ buiten in de 3e alinea zetten die aansporing extra luister bij. Een aansporing die herinneringen oproept aan de eerste strofe van een gedicht van Karel van de Woestijne (1878 – 1929), de Vlaamse meesterdichter, die in dichterlijke zin leermeester was van Van Nijlen en wiens woorden op dagen ‘zonder kleur en licht’ zo markant weergeven wat Jan van Nijlen in de laatste strofe van zijn gedicht bedoelt:

Sluit uwe ogen op het licht
Dieper zal het branden
Nimmer is me uw lief gezicht
Liever, dan waar het veilig ligt
Binnen mijnen handen.

Laat alles buiten, sluit de luiken en ontsteek de olielamp, zo spoort de dichter aan. Somber dus niet langer maar bezie uw vrouw en koester haar weelde.

Over de dichter

‘Passanten zijn wij slechts maar wel passanten met dromen voor wie in elke stad een onderkomen is’, is een parafrase van een beroemde versregel uit de gedichtenbundel Bericht aan de reizigers van de Antwerpse dichter, Jan van Nijlen. Die versregel karakteriseert hem ten voeten uit. Hij beseft dat wij – zoals Adriaan Roland Holst ooit dichtte – ‘maar zijn als bladen voor de wind’. Van Nijlen – bekroond met vele literaire prijzen – leidde een tamelijk teruggetrokken leven, wars van de schijnwerpers uit het publieke domein. Hij genoot van de stille arbeid op het land, van de kleine, huiselijke dingen om hem heen en koesterde een bijna Gezelliaanse liefde voor dier en plant. In die wereld voelde hij zich thuis en schreef hij zijn gedichten, zoals het onvergetelijke en diep indringende sonnet ‘Winter op het land’.

____

Verantwoording tekstweergave

In de oorspronkelijk weergave in Verzen (1906) en Gedichten 1904–1938 (1938) begonnen alle versregels met een hoofdletter, en werd een oudere spelling gehanteerd (bijv. ‘Den langen winter’ en ‘Zoo’).

Wij hebben gekozen voor een gemoderniseerde weergave, zoals bijvoorbeeld terug te vinden is in:
Aperitief, vijftig gedichten ter voorbereiding op een schoolonderzoek of een mondeling examen. Dr. P.F.J.M. Eligh. Boekhandel Gianotten b.v. Tilburg-Breda, 2e druk 1989.

Meander Klassiekers

In deze rubriek bespreken we elke maand een bijzonder gedicht, dat de tand des tijds heeft doorstaan. Of zal doorstaan. Sinds 2000 zijn in deze reeks ruim 200 analyses verschenen. Klik hier voor recente klassiekers, en hier voor een overzicht van de klassiekers vanaf 2000 – heden (work in progress).

Reageren op deze bespreking?

Neem contact op met de redactie: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Zelf een bijdrage leveren?

Voor de komende maanden staan besprekingen ingepland over werk van Christine D’Haen, Ben Cami en Menno Wigman.
We houden ons aanbevolen voor nieuwe inbreng. Mocht u zelf ideeën hebben voor een bespreking, neem svp tijdig contact met ons op: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Eric van Loo, redacteur Meander Klassiekers

Geplaatst in Klassiekers.