Peter Verhelst – ZON

De blindheid van de zonaanbidders

door Johan Reijmerink



De dichter en essayist Hendrik Marsman (1899-1940) schreef in zijn vitalistische periode het gedicht ‘De vrouw van de zon’ over een vrouw die nooit zou sterven: ‘Vrij en eeuwig / tijdeloos ontheven, / in een hoog en onaanrandbaar zweven, / schrijdt gij, / koninklijk geheven, / langs de blauwe bergen van het licht.’ Deze dithyrambische atmosfeer proefde ik bij eerste lezing ook in de eerste afdeling van de nieuwe bundel ZON (2019) van Peter Verhelst. Hij zet zijn poëtisch relaas eveneens in een wereldomspannend en mythisch perspectief neer. En toch beweegt zich daarin gelijktijdig het wankelmoedig en kwetsbaar universum van de ik en zijn geliefde. Dat in- en uiteenvloeien van die twee werelden heeft Verhelst overtuigend en beeldrijk verbonden. Als zodanig lijkt hij te wensen aan de dualiteit van de menselijke conditie te willen ontkomen.

Verhelst zet zijn verering van de zon én de geliefde uiteraard in een hedendaagse aankleding neer die veel directer en persoonlijker tot je komt dan bij Marsman, maar hij roept wel eenzelfde zichzelf bedwelmend vitalisme op. Het lyrisch subject lijkt bijna uiteen te spatten van genegenheid, animale driften en schoonheidsbeleving. Het virginale en ontijdige morgen- en avondlicht, de nachtelijke duisternis hebben allemaal hun aandeel in deze sterk georkestreerde bundel. Hij bestaat uit vijf Sun Arise! afdelingen die weer onderverdeeld zijn in meerdere delen in vrije verzen. Het lyrisch subject lijkt het universum van de zon, de aarde en de mensen te willen beheersen. De strofische vormgeving onderstreept de wijze waarop Verhelst zijn in associatie opwellende gevoelens en gedachten in bedwang probeert te houden.

Sun arise! 1: De oproep aan de zon is: verdrijf de duisternis buiten en binnen mij, en laat het ‘verblindend licht’ over mij schijnen. De ik schept zich een eigen wereld. Er volgt een reeks gedichten onder de verzameltitel ‘Marines’. De ik en de jij leveren als ‘zeesoldaten’ slag met zichzelf, de zee en de wisselvalligheid van het leven. In het gedicht ‘Zwarte marine’ schrijden ‘langpotige, zwarte dieren’ die soms jongen, soms meisje zijn, en die ervoor zijn ‘om de wereld te redden’ met de zee en het strand als decor: ‘De wolken boven de nachtelijke zee, / uit viltlagen samengestelde stilte.’ Dat we ons in een denkbeeldige wereld bevinden, blijkt al uit het tweede gelijknamige gedicht waarin deze ongeslachtelijke wezens ‘met de tongpunt aan het duister (…) pulken’. Ze gaan zozeer in elkaar op dat op het laatst niet meer duidelijk is ‘wiens hand wiens mond / been schouderblad geslacht’ van de een of de ander is. Ze bewegen zich tegen een surrealistische achtergrond.

In deze eerste afdeling zijn de wij, als ze elkaar beklimmen, nog jong en atletisch. Het strand als fitnessruimte, in en uit het water rennen. Ze verliezen grond onder de voeten. Herinneringen dringen zich aan hen op. Wie zijn ze zoal uit het oog verloren? De verzen zijn van droombeelden doortrokken. Een cilindervormig schroefdraad wentelt zich om de ik heen. Er dreigt gevaar: ‘Wat zou uit de zee komen om ons te redden?’ Dan groeit het verlangen de overkant te bereiken. Maar de vraag is of er wel een overkant is. In de droom van de ik stapt de jij van de boot. Is er dan toch een overkant? We lijken ons te bevinden in een bodemloze wereld. Er gaat een grote aantrekkingskracht van het gat ‘aan de rand van de dam waar ooit / de stad was’ uit. Datzelfde gat blijkt in het gedicht ‘Thuiskomst’ een gat in de tijd te zijn waardoor de jij weer in het leven van de ik terugkeert: ‘Ik zal stilte / in je oogleden wrijven, in de kam van je neus, je hals, / je borst, je navel, je geslacht, je voetzolen.’ De ik verovert het lichaam van de ander. In die bewegingen biedt de omgeving hen geen houvast en thuisgevoel meer, maar desoriëntatie. In het ‘huis aan het water’ trekken ze de conclusie: ‘we weten niet wie we zijn.’ Even later keert het thuisgevoel weer terug door die glimlach ‘in het eerste licht / toen je me zag, alsof je in de nek werd gekust.’ De zee lijkt zich plots terug te trekken.

Sun arise! 2. We keren vanuit de imaginaire werkelijkheid terug naar de bewoonde wereld. De mens zonder eigenschappen komt in beeld. Herinneringen gaan terug naar de huizen waarin de ik en de jij gelukkig waren. Voortdurend is er die behoefte om het geluk vast te houden en te bestendigen, terwijl dat eigenlijk niet goed mogelijk is: ‘We lagen te kauwen op de eenzaamste versie van onszelf.’ Er is voortdurend dat wachten op elkaars komst: ‘Telkens als ze niet komt, blijft de hoop’ dat ze wel komt. Dit aanwezig en afwezig zijn geeft aan de relatie emotionele spanning en tragiek. Juist in de nabijheid van de ander wordt de onbereikbaarheid ervaren: ‘Eenzaamheid knielt op mijn middenrif / zodat ik haar kan likken.’ Het ‘aanbidden van de zon’ maakt eenzaam. Het openingsgedicht zet het paar in het monochrome wit neer. Wit als kleur die alle kleur omvat, symboliseert wat zal blijven. ‘Altijd bang geweest // je te verliezen, eiwitwit’ is de onderliggende emotie die dit mythische spel van water en licht beheerst: ‘Schilder met je tong de zon / waarin we kunnen verdwijnen of waar we ons aan laven’.

De ik bouwt zich een zon in zijn oogkas om zo te kunnen dromen van de lach en de kus van de jij. Op alle mogelijke onwerkelijke manieren creëert de ik zich de vrouw van zijn dromen, zoals een schilder zijn model naar zijn hand zet. Op een dag kijken we in de monochrome zon: ‘Ik verbeeld me / dat je naast me op de grond ligt’. De immens citroengele schijf van Vincent van Gogh zet de ik aan om in kleurrijke bewoordingen zijn atletische liefdeskwaliteiten uit te beelden, opdat we op een dag ons niets anders meer zullen herinneren dan ‘de witte zon’. Zo langzamerhand wordt het duidelijk dat de jij voor de ik het middelpunt van zijn kosmos is. Die inleving gaat zo ver dat in de ‘Zonsverduistering’ de ik depersonaliseert: ‘Het gezicht van mij, maar altijd met de kleur van jouw ogen.’ In hun telkens terugkerende verwijdering en toenadering blijft de zee een cruciale rol spelen. Op die plek gaan ze de vergankelijkheid te lijf. De wijze waarop Verhelst in staat blijkt om de verzengende liefde met beelden uit de werkelijkheid en de verbeeldingswereld te mengen, getuigt van zijn dichterlijk meesterschap. Hij weet het onmetelijke en het nabije met elkaar te verbinden:

Je sluit als een bloem.
Kijkt in de zwarte zon
om door je hand heen de botjes,
door je oogleden heen je eigen schedel te zien,

als röntgenzilver opflakkerend,
open- en dichtgaand kwalletje
dat door het water schiet door zich binnenstebuiten te keren

als een spier zonder lichaam.

In de zonsverduistering van het alleen zijn is er de strijd om zich daarvan te ontdoen. Nu ze door de pijn heen zijn gegaan, is de vraag of ze andere mensen zijn geworden: ‘betere mensen dan voorheen / omdat we weten wat pijn is’.

In ‘Dans, dans, anders zijn we verloren, zwarte zon’ hebben de ik en jij eindelijk een dak boven hun hoofd: ‘we veranderen constant’ (…) // ’s ochtends lijkt niets meer vast te staan, niets blijft, niets gaat ten onder.’ Het leven zet zich op paradoxale wijze bruisend voort. Enkel de dans kan hen nog redden om ‘vestingmuren’ te slechten, ‘ophaalbruggen’ neer te laten. Zie dat je al dansend ‘voorbij wie je bent’ komt, ‘spring [ondertussen] de ziel uit je lijf.’ Ze trachten het ‘oorverdovend zoemend’ verdriet uit hun voorhoofden te vegen. Er rijst een monoliet van om eigen as wentelende, ‘panterzwarte zon’ op.

In het openingsgedicht van Sun arise! 3 toont Verhelst zich opnieuw als een jongleur in woord en beeld:

Niemand weet uit welk verhaal Stilte komt.
Getik van teen- en vingernagels op de houten vloer.
Alsof ze dorst heeft

komt ze almaar dichterbij, adem naast een oor.

Alle zintuiglijke gewaarwordingen worden ingezet bij deze personifiëring van de stilte. Verhelst weet de droom tot in zijn uiterste perspectieven uiteen te zetten, totdat de droom als een werkelijke illusie uiteenspat: ‘Met onze onderbuik tegen het glas geduwd / staan we bloot achter het raam van haar te dromen.’ Daarop volgt een allegorische tweespraak tussen leeuw en schaap. De leeuw droomt ervan dat hij ‘onophoudelijk beslopen wordt door schapen.’ Hij verwerpt de leugenachtige beschuldiging door de voorvaderen van het schaap. De leeuw bedreigt het schaap. Daarop smeekt het schaap de leeuw hem uit zijn lijden te verlossen en van zijn doodswens te bevrijden. Deze allegorische vertelling geeft ons een beeld van de krachtsverhoudingen op aarde.

In de Sun arise! 4 zijn we in de verschrikkingen en de morele terreur van deze wereld terechtgekomen. We treden een wereld binnen waarin je mannen nodig hebt ‘die ethisch zijn … en die tegelijkertijd in staat zijn hun primaire instincten aan te spreken om te moorden zonder gevoel … zonder passie … zonder te oordelen.’ De leeuwen stijven zich daar bij wijze van spreken op tot ‘duizenden zonnebloemen’. Ze kijken reikhalzend uit naar de nieuwe dag. De wereld is aan een nieuwe scheppingsronde toe. We hebben ‘trillende zonnebloemen’ nodig, ‘ingevet met licht’. In deze vierde afdeling verschijnt Verhelst met zijn politiek-maatschappelijke inzichten. Onze maatschappij demoniseert de vreemdeling. Doen we er wel goed aan al die ‘bruinvissen’ uit zee op te pikken? Weg met ‘de wit-Europese zelfhaat’ en de daaruit voortvloeiende ‘schuldindustrie’. We zijn toe aan ‘een cursus waarden en normen’ in deze tijden. Zijn hoofdstrategie is: ‘Wie de nieuwe mens wil creëren moet de oude wissen’. Politici hebben niet meer de luxe ‘om de ethiek van hun overtuiging te volgen.’ Tot de iconen van de ik behoren de ‘marathon- en de lijdensman’. Ascese en tucht zullen ons ‘voorbij de horizon’ moeten brengen. De pijn van de ‘lijdensman’ Jezus doorstraalt ‘tussen de brokstukken / van wat ooit de grootste beschaving was’ aan ons zijn nieuwe perspectief. De zon trekt ‘als een bevel over ons heen’ die ons ingeeft ja te zeggen tegen de nieuwe wereld. We zijn toe aan een vijand ‘die ons kan verbinden’.

In Sun arise! 5 vormt zich ‘Een wolk in de vorm van een stad / boven wat ooit de stad was.’ Een Jobstijding! Onheil wacht ons na de schone schijn. Verhelst begon opzwepend enthousiast met een lofzang op de zee, de schepping, het leven, hij eindigt na alle uiterlijke en innerlijke omzwervingen van de mens bij een dreigende apocalyps die om een nieuwe verbinding tussen de mensen onderling en de kosmos vraagt. Dat alles heeft Verhelst in een breed uitwaaierende beeldenstroom op gang gebracht en laten uitmonden in een maatschappijkritische oproep tot een ascetisch besef van rentmeesterschap.

____

Peter Verhelst (2019). ZON. Uitgeverij De Bezige Bij, 128 blz. €20,99. ISBN 9789403167701

Geplaatst in Recensies.