Daniël Van Hecke – De verschroeide Hof van Eden

Het knallende zweepje van Daniël Van Hecke

door Marc Bruynseraede



Daniël Van Hecke (1938) is een naam die een belletje laat rinkelen bij letterliefhebbers. In de jaren 60-70 was hij één van de paradepaardjes van Julien Weverberghs Vijfde Meridiaan-reeks bij Manteau, die enkele van de toenmalige vernieuwers in de literatuur bij elkaar bracht. We kennen hem vooral als schrijver van romans en kortverhalen die een kritische blik werpen op het maatschappelijk gebeuren en die van deze houding een literair credo heeft gemaakt.

Dat is niet anders in de bundel gedichten De verschroeide Hof van Eden – een kanjer van 160 pagina’s en 13 cycli – hoewel poëzie niet het eerste genre is waar hij de voorbije jaren bedrijvig in was. De bundel doet vermoeden dat de hier gebrachte poëzie over een lange periode tot stand gekomen is.

Gefascineerd als hij is door de mythe/het mythische laat hij voortdurend in zijn verzen de huidige leefwereld botsen met de mythologische achtergrond. Gelukkig dat de dichter Jos Daelman ons daar, in zijn voorwoord (op de flap van de voorzijde van de bundel) tijdig op attent maakt. De auteur beschikt over een brede culturele en cultuurhistorische bagage en gebruikt deze graag als referentiekader. Van de lezer(es) verwacht hij dan dezelfde eruditie. Is dat niet zo, dan zal de Google-toets van de iPad, ingedrukt op ‘Griekse mythologie’, verlossing moeten brengen. Zo komt hij/zij te weten waar de klepel van Cerberus, Sisyphus, Demeter en Lethe hangt.

De dichter is, in zijn kritische visie, tevens de actuele golf van klimaatbetogers vooraf gegaan, door zijn bundel de veelzeggende titel De verschroeide Hof van Eden mee te geven (onderlijning MB). Niet in verleidelijke gelukzaligheid of idyllische paradijselijke taferelen dient men zich te koesteren, want het pretpark ‘Hof van Eden’ is wel degelijk verschroeid. Aan de poort ligt de vervaarlijk grommende, driekoppige hond Cerberus de naderende lezer op te wachten.

Goed, we hebben ons daar voorbij gewaagd en gestort in de onheilspellend galmende grotten van Van Heckes poëzie. De eerste cyclus ‘Echo’s’ refereert naar verwant-kritische zielen als Albert Camus en Orhan Pamuk. Een gedachte – in de vorm van een citaat boven het gedicht – heeft de dichter geïnspireerd en dient als inleiding. Zo draagt het gedicht ‘Eindstation’ als motto het citaat van Albert Camus: ‘J’aime ou je vénère peu d’êtres. Pour le reste, j’ai honte de mon indifférence’ (Ik hou van, of vereer, weinig mensen. Voor de rest schaam ik me om mijn onverschilligheid). Het gedicht besluit met:

woorden staan als
kruisen in ’t gelid
op ’t knekelveld.

Het zevende gedicht van deze eerste cyclus ‘Echo’s’ illustreert zeer goed wat inleider Jos Daelman bedoelt met: ‘Het lijkt wel een middeleeuws schimmenspel op een scenario van Ingmar Bergman’. De zwaarmoedige, doodnuchtere criticus-dichter schrijft:

Schuld

Uit de voegen van
de klaagmuur
sijpelt bloed
in de handpalmen
van de gelovers.

God heeft lak
aan zijn kudde:
zijn Woord maalt
niet om Verlossing.

De pooier die
Macht heet
naait zijn hoer
met de blik op Mekka
of Wall Street.

Intussen verpulvert
de laatste woestijnroos.

Let erop hoe de dichter gelovigen ‘gelovers’ noemt en hoe hij Woord, Verlossing, Macht, Mekka en Wall Street telkens met hoofdletters schrijft. De mythes zijn overal: in de hemel, op aarde en op alle plaatsen. Sommigen geloven in God, anderen in Geld of Macht.

Soms roepen de vervreemdende verzen van Van Hecke beelden op van artificiële schoonheid als in de film La Grande Bellezza of het beeld van de verdronken Ophelia, een schilderij van de Pre-Rafaëliet John Everett Millais (iPad !).

Van een sarcastische kijk op de wereld spreekt de cyclus ‘Genesis’ die de zeven dagen van de schepping neerzet, met het volgende beeld:

Zevende dag

Vaderlijke e-mail:
Het is volbracht,
de aarde voor eeuwig
gedrenkt in hun bloed.

Op het puin
rapt blijmoedig
gabber Kaïn.

Het is evenwel niet al kommer en kwel wat Van Hecke schrijft. Vertroosting en bewondering vindt hij bij Pina Bausch, Stephen Hawking, choreograaf Eduard Loch en anarchistisch denker Anton Constandse. Figuren die hem aanzetten tot het schrijven van een bewogen gedicht. De cyclus ‘Ingekleurd’ illustreert zijn enthousiaste admiratie voor Picasso, Gaudi, Leonor Fini en Jackson Pollock.

Een moment van diepzinnigheid treffen we aan in het gedicht Lethe, dat reflecteert over de dood. Lethe is immers, in de Griekse mythologie, de stroom der vergetelheid, waar de doden van drinken om het aardse bestaan te vergeten:

Lethe

Toen ik dook, dieper
dan zij nu ligt
in de dode rivier,
kon ik niet weten

van de vele vissen
die binnen haar kroos
als zij wellicht
binnen tederheden

van groen licht
in haar bedding
tot aarde zacht
zijn vergaan.

Van Hecke zou Van Hecke niet zijn als hij niet zijn bundel besloot met de cyclus ‘Millenniumgraffiti’ waarin de dichter nog eens ten volle zijn engagement voor een beter bestaan en dégout voor het burgerlijk leventje botviert, op rekening van de Oostenrijkse rechts-populistische leider Jörg Haider. In het gedicht ‘Götterdämmerung’ laat hij hem al jodelend het gedicht uitwandelen, met het vers: ‘Gott ist tot aber / Der Führer lebt!’. Nagels met koppen, als u het mij vraagt.

Akkoord, we leven niet in de beste der werelden. Akkoord, dat daar hoognodig iets aan dient gedaan te worden, bij voorkeur met enig cultureel verzet. Daaraan heeft Daniël Van Hecke, met de knallende zweepslagen van deze verzen, ten overvloede toe bijgedragen.

____

Daniël Van Hecke (2019) De verschroeide Hof van Eden – Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, 160 pag. € 24,50 ISBN 9789059276277

Geplaatst in Recensies.