Annelie David – Schokbos

De lusthof van Hembrug

door Inge Bak




In het bos op het voormalige munitieterrein in Zaandam, ooit bedoeld om eventuele schokgolven van explosies op te vangen, is een jong bos ontstaan. Het is het decor van dichteres en vertaalster Annelie David (1959, Keulen) voor de poëzie in haar tweede dichtbundel Schokbos, over de onlosmakelijke verbinding tussen het leven en de vergankelijkheid. De setting van Hembrug is op zichzelf staand al een doordacht dichterlijk idee. In dit vervallen en verlaten ‘schokbos’ staan nog de ruïnes van het oude staatsbedrijf Artillerie Inrichtingen .

Geworteld in een professionele danscarrière – als danser en choreograaf – is David zich vanaf 2003 gaan richten op het schrijven en performen van Nederlandstalige poëzie, haar tweede taal. Haar eerste bundel Machandel kwam uit in 2013. Zij zegt dat zij zich het Nederlands niet alleen eigen heeft gemaakt door het te leren lezen en schrijven, maar er helemaal van doordrongen is geraakt. Dat laatste is voelbaar in haar jongste poëzie.

Schokbos is stijlvol geïllustreerd met zwart-wit tekeningen van striptekenaar/filmregisseur Guido van Driel. Beeld en tekst gaan een symbiotische samenwerking aan. De schaduwrijke tekeningen tonen het ondoordringbare woud dat David met haar woorden binnendringt en toegankelijk maakt voor een goed verstaander.

De ongenummerde bundel is onderverdeeld in twee afdelingen I en II, gevolgd door een epiloog. De bundel start met de coördinaten 52° 25′ 14” NB, 4° 49′ 53” OL , zij geven voldoende leesrichting – te weten in welk gebied het zich afspeelt, volstaat.

De gedichten zijn wisselend van opmaak. Soms enkele regels omringd door wit, dan weer zijn ze lang en smal maar eveneens staan er compacte blokken tekst. Het is alsof de visuele aanblik het bos verbeeldt – de open plekken, dunne stammen waar je tussendoor kunt kijken en dichtbegroeide stukken. Door het spaarzaam gebruik van interpunctie heb je als lezer zelf de leespauzes te plaatsen in de meer samengepakte gedichten. Door deze manier van vormgeven dwingt David je om in te zoomen op waar je snel aan voorbij kunt gaan. Zinnen die aandacht verdienen sneeuwen daardoor niet onder, wat altijd een risico is bij deze manier van notatie. Hier resulteert het in een fraai staaltje van componeren. Door de afwisseling van vorm blijft de bundel in balans. Bij de meer open geschreven gedichten komen de mooie beelden – die veelvuldig voorkomen – direct aan de oppervlakte: ‘doordrenkt / van de eerste regen / nat gesproeid de witte muggen / lijfjes filigraan / en als met tranen besprenkeld / een vibrerende levendigheid / die zich verzameld / in de warmte boven de thermoskan / (dragen ze bekraste zielen of dragen ze die niet).’

David grijpt soms terug naar haar moedertaal; het Duits. Dit vergroot de zeggingskracht van haar werk. Zoals het begrip Waldgänger – afkomstig uit het essay Der Waldgang van Ernst Jünger uit 1951 – dat doet. Een enkele keer benadrukt ze van nature in het Duits haar poëzie en is het alsof ze, in de voor haar oorspronkelijke taal, to the point komt:

onlangs zag ik in rijstpapieren vogelperspectief hoe bloemwortels-ranken
luchtslingerend kelkenkolkend door een torenhoog plafond heen groeiden
waar ik ingesponnen onder lag
alsof ik sliep (ich schlief)

Zouden er sporen zijn terug te vinden van lichaamstaal – een taal die Annelie David als danseres/choreografe beheerst − in haar poëzie op papier?

sinds tijden kijk ik weer van dichtbij naar die zonderlinge maaksels:
de schorshuid diep gegroefd
ruwe gravure van
droog-ritsen wirwar-stroompjes doorsnijden winden zich
waarin kermesrood
een rondhangen
traag trekken
van vuurwantsengewemel
stamopwaarts
voortschuift
tastend
voelhoorns volgend

aldoor snijdende honger
drijft hen
van ver hierbuiten
vleugelloos kruipend
zo duizelingwekkend
hoog

wat zij daar ruiken is wat ik hoor
het loofgroen
manna
van robinia’s

plots schieten
twee . . drie buizerds
door het nog dunne bladerdak
het mossige maartse licht
dalen roepend uit de winter
de een rond de ander
in thuiskomstspiralen af
naar hun oude aan het zicht onttrokken nesten
alsof er niets vóór hen zou zijn geweest
verleden ouder dan het bos
delen van een kruitfabriek
de kroniek door braambossen opgeslokt
de muren bedekt met mos
een mozaïek
nagenoeg uitgevlakt

wind komt op
hij dwaalt

hij kent geen einde

scheert over de vreemde verweerde stenen
langs de bomen
vroeger
gras

nooit weten wij
wat blijft

Wanneer je het woord ‘vuurwantsengewemel’ hardop uitspreekt kun je de muzikaliteit daarvan niet missen. De alliteratie, staccato accenten en klank van de klinkers zouden beweging kunnen uitlokken. En zo kom je in de bundel veel ‘zingende woorden’ tegen: ‘onrustogen’, ‘wortelarmgebaren’, ‘brandnetelnesten’, ‘ontsproten pollen parelgras’ en ‘loopgravenleegte’ om er een paar te noemen. Ik vermoed dat de achtergrond van de dichteres een sterke basis is voor het toepassen van klank, ritme en vorm in haar poëzie.

Inhoudelijk valt er in dit gedicht evenveel te beleven. De zin met ‘manna van robinia’s’ is op het eerste gezicht raadselachtig, maar na een vertaalslag – de bladeren van de robinia (acacia) zijn voedsel voor de vuurwantsen – identificeer je je moeiteloos met het wezen van de vuurwants; is het geen vraatzuchtig ongedierte meer maar een gelijkwaardig levend schepsel met honger. Het geeft de ervaring weer dat alles zijn/haar plek heeft in het geheel. In de laatste strofe wordt de zekerheid daarvan weer aan het wankelen gebracht.

Wanneer iemand zich in alle rust in de natuur begeeft, dringen existentiële overpeinzingen zich al gauw op en zo ook een associatie met een waarneming. Vul je mensen op de plek van de vuurwantsen in dan krijgt het gedicht een heel andere lading. Zou je er zomaar het leed van de vluchtelingen in kunnen zien. Ik weet niet of de dichteres dat zo heeft bedoeld. Maar ze geeft de lezer alle ruimte voor eigen interpretaties.

In de epiloog bedeelt David zichzelf een kleine rol in het grote geheel toe: ‘waar ik als kind onder zomergroene kruinen een ruisend firmament / een blijven voelde / dat duizenden jaren oud dat tijdloos schijnt en langer zou bestaan dan / vader moeder zouden leven / en er nog zal zijn als vanuit warm verlichte kamers niemand meer / mijn naam roept’, waardoor ze het bescheiden aandeel van haar eigen – en impliciet van ieder ander – bestaan onderstreept.

Er zit veel in deze bundel verborgen. Het is poëzie om te lezen en te herlezen en eigen ideeën over het leven en de dood de vrije loop te laten. Daarnaast is het met veel liefde voor de taal geschreven en staat het vol met gedetailleerde natuurbeschrijvingen. Maar het is vooral poëzie die je hebt te ondergaan.

het is winter nu
de kou blijft weg

sneeuw sneeuwt
op beelden slechts

het ruikt naar
vocht
schimmel
kelderlucht

mist ontstijgt
schuilgangen

als gestold
likt zich
in mijn oog
lavazwart
een tong

kogelhoutskoolzwam
dringt uit
holen
höllenmündern
wonden
van bomen in winterslaap

krassende kreten van kauwen
raken de lucht

van mijn schutkleurige regenjas
stijgen eendagsvliegen op
ontsnappen aan de nacht

____

Annelie David (2020). Schokbos. Uitgeverij Oevers, 72 blz. €19,95. ISBN 9789492068385

Geplaatst in Recensies.