De belofte van het komen en gaan

Inge Nicole werd in 1968 geboren als Inge Nicole Bak. In 1991 studeerde zij af aan de Pedagogische Academie Basis Onderwijs. Na een korte periode in het onderwijs besloot zij om verder te gaan met wat zij in haar kindertijd al zo graag deed: verhalen schrijven in woord en beeld. Vanaf 2004 publiceerde zij een aantal romans bij uitgeverij In de Knipscheer, met als laatste het in 2017 verschenen De blauwdruk van Capgras. Ook maakt zij beeldend werk (een werk van haar hand dient als inspiratie voor de deelnemers aan de dichterswedstrijd om de Rob de Vos-prijs 2020). In januari van dit jaar verscheen bij In de Knipscheer haar bundel Maanbrief aan het getij – de belofte van het komen en gaan-.

Jan Loogman interviewde haar.

foto Maurice Hof

 

De gedichten in je bundel zijn vanaf het najaar van 2016 ontstaan als een reactie op beelden die beeldend kunstenaar Pieter Bijwaard jou toestuurde.  Was het schrijven van poëzie voordien voor jou een bijzaak? Hoe komt het dat je na de eerste uitdaging in het najaar van 2016 kennelijk betrekkelijk snel een ritme vond voor het regelmatig schrijven van poëzie?
Ik heb altijd wel poëzie geschreven, maar steeds een roman of novelle voorrang gegeven boven een dichtbundel. De poëzie moest eigenlijk telkens wachten. Af en toe schreef ik wel gedichten, bijvoorbeeld voor Als morgen een mens (proza en poëzie bij tekeningen van Pieter Bijwaard), maar het bleef toch weinig in verhouding tot mijn prozawerk. Ik vind het ook lastiger aan poëzie te beginnen dan aan proza. Voor proza kan ik achter mijn bureau gaan zitten en op commando beginnen met schrijven. Het vraagt om een meer ambachtelijke benadering. Voor poëzie heb ik een bepaalde stemming nodig en een prikkelarme omgeving.
Toen Pieter Bijwaard voorstelde om mij beelden te sturen van kunst die hem had geïnspireerd was dat in eerste instantie een mooie manier om in beeld en taal vriendschappelijk te communiceren. Hij stuurde me ook beelden die mij niet direct inspireerden. Ik ben toch de uitdaging aangegaan om ook die tot iets van mij te maken. Enkele beelden leidden tot gedichten over wat zich nu in de wereld afspeelt, zoals de grote stroom vluchtelingen. Denk bijvoorbeeld aan Waterlanders en Landen. Ik gaf mezelf ook de vrijheid om van de beelden weg te dwalen.
Later, toen het geheel een bundel leek te worden, heb ik besloten ook gedichten op te nemen die geheel vanuit mezelf zijn ontstaan. Ik wilde dat juist omdat het mijn debuutbundel is en poëzie voor mij het instrument is om onderhuids te gaan. Ik wilde niet met een te observerende bundel debuteren.

 

Landen

Een wolkje melk in een blauw geaderde kroes, kwal
in het luchtruim; onder strak gespannen tentakels
een pendule die het voor gezien houdt – op afstand

Landverlaters die wederkeren, holronde maanmigranten
hoe er gewicht aan wordt gegeven, geld en plat voedsel
geen vaste grond onder de voeten – wie heeft de ruimte?

Ontheemd in het heelal, ademen uit een rugzak, reizen
met de snelheid van het licht en zwart zien, op een tablet
berekent men waar je landen mag – dat heb je te slikken

Klein, de groenblauwe knikker die naar de afgrond rolt
opgevangen in een kommetje van mensenhanden, knip het
touw niet door, wortel diep – vergroei met wat je aantreft.

Is het schrijven van poëzie een ander soort ‘maken’ dan het schrijven aan een roman of het maken van beeldende kunst?
Tussen het schrijven van proza, poëzie en het maken van beeldend werk zijn overlappingen maar de drie hebben elk een eigen vertrekpunt. Bij poëzie probeer ik woorden te vinden voor wat in klare taal te eenduidig overkomt ‒ een situatie, emotie, gebeurtenis of een enkele gedachte die genuanceerder uiteengezet dient te worden. Verder is mijn poëzie ook persoonlijker van aard dan mijn proza. De taal van poëzie maakt dat mogelijk, individuele uitingen worden als het ware beschermd doordat je ‘weg kunt drijven’ van de werkelijkheid. In mijn proza schrijf ik hoofdzakelijk over anderen, over levens die ver van mij afstaan. Ook al zit uiteraard in ieder hoofdpersonage wel een stukje Inge, toch ben ik in proza vooral bezig me te verplaatsen in een ander. Een overeenkomst met mijn poëzie is dat ik ook in romans veelal schrijf over wat ik aan het begin nog niet helemaal kan vatten en daar al schrijvende de vinger op wil leggen ‒ waarom doen mensen wat ze doen? In mijn beeldend werk gebruik ik heel veel kleur, ik zeg weleens dat mijn schilderingen mijn positieve inborst naar buiten brengen en mijn schrijven meer mijn melancholische kant. Al geef ik mijn schilderingen op zijn tijd ook een donker randje.

Je bundel heet Maanbrief aan het getij – de belofte van het komen en gaan-.  Ik dacht dat het woord ‘maanbrief’ geen bestaand woord was, maar toen ik het opzocht, vond ik het toch in het woordenboek.
Dat je bij het woord denkt aan een brief van de maan aan het getij, is logisch. Dat roept het woord nu eenmaal op en het getij associeer je ook met de maan. Maar het is een ‘aanmaning’ aan het getij. Het water dat komt en gaat – eb en vloed – zou je als metafoor voor het leven en de daaraan gekoppelde dood kunnen zien. De ‘maanbrief’ is een herinnering aan het bestaan, dat het eindig is en dat je daar af en toe bij stil zou moeten staan om het naar waarde te kunnen schatten. De maanbrief wil aanmanen iets te doen, namelijk het leven te omarmen juist omdat het eindig is.

 

Maanbrief aan het getij

In curieus waterland uit eerste hand
drijven dodenhuizen op het droge

De vleugelhoorn filtert een branding
ontluisterende leegte is geluid gegeven

Mocht ik mijzelf zijn kwijtgeraakt
spaar mij dan niet achter glas, wees
vrijgevig en deel herinneringen uit

Schuilend onder mijn schedeldak
rent mijn vader over de finishlijn
hij lost op in de grijze zandgolven

Plakken en vaantjes aan koperhaakjes
opgehangen vitaliteit in een vitrinekast.

Tot slot: In het titelgedicht lees ik in de twee eerste strofen een verwijzing naar overstroming, ik denk aan de watersnoodramp in Zeeland. Heb je die erin willen leggen?
Voor mij is het een persoonlijk gedicht over mijn vaders dood vanuit het perspectief van de dochter die hem zich herinnert op zijn geliefde strand. Ik vind het heel mooi dat jij er de watersnoodramp in leest. Ik lees nu ineens de eerste strofe met die lezing in mijn achterhoofd en vind het nu logisch dat het zo gelezen kan worden. Mijn vaders’ moeder kwam uit Zeeuws-Vlaanderen en hij had een enorme verbinding met Zeeland en dus ook met de geschiedenis van de watersnoodramp. Het is mooi dat die verwijzing erin geslopen is.

Verstrooide vader

Geef mij aan zee in Zeeland, zomaar uit het niets
in bad bezien lijkt vaders lichaam redelijk intact
Vlammen in de deining van zeevonk, mocht iemand
mij missen verschijn ik als regen en in alledaagse vissen

– hij weet het weggaan mooi te brengen –

Zijn hoofd duikt onder, voor even houdt hij
de adem in, de spons vangt water – het wringt

Alsjeblieft, blijf hier, ik ben een deel van jou
en wil dat je de passerende ploerten van mij
af blijft slaan – al kun je geen vuist meer maken

– dan is daar toch echt het laatste maankwartier –

Bij doodtij verwaaien de resten van zijn leven
de zon slaat een luchtbrug door het wolkendek.
Geplaatst in Interviews.