Laurine Verweijen – Gasthuis

Onbeschroomd en soepel

door Paul Roelofsen



Het motto van Gasthuis luidt: ‘Oh no, we have seasons. (…) We have a sharp, cold winter. No snow – it’s rather like your late fall or early spring – sunny, fresh, cold at night. We have a very definite rainy season. But you don’t see rain for about half the year. You forget that rain exists.’ (Nadine Gordimer)

Een eenvoudige beschrijving van de wisseling der seizoenen met daarbij in de laatste twee zinnetjes de opmerking dat je na een half jaar geen regen vergeet dat er zoiets als regen bestaat. Die overgang van de seizoenen transponeert Verweijen na het openingsgedicht naar de vrouwelijke cyclus, het ‘vergeten’ ervan om er daarna steeds weer door te worden verrast. Zelden heb ik zo vrij van schroom poëzie over de intieme vrouwelijke gemoedsaandoeningen omtrent de maandstonden gelezen als in het gedicht ‘Notities, trillingen, melkglas, trapezewerk’.

met gesloten mond zing ik klanken naar mijn voorhoofd, trek
draden trilling los de holtes in, mijn open mond
maakt klinkers die hun kont mijn lijf in resoneren, ik
zucht zucht zucht tegen het trapezewerk van pijnen
in de danser valt vanzelf

een melkglazen bol vol auberginepaarse slierten rolt
in mijn bassin: de gebroken witte kelder, pijn die opkomt
is een trilling die ik terug naar beneden krom, met lage
tonen verspreid ik hem door mijn weke benen. kramp
balt in mijn bekkenschelp, de gemiste kans deelt
zweepslagen uit in deze arena, ik wieg de bol die met
natte nagels het rood van de wanden schraapt, het heeft
geen stem noch overstem ik het, laag grommend treed
ik de krampen tegemoet, wijs ze de wegweg——weg
mijn lichaam uit

Wat opvalt is de intensiteit van de gevoelens – de zweep gaat erover – in een woordkeus die origineel en treffend is zonder dat je het gevoel krijgt dat de dichter daarmee wil pronken. En ook de overgang van de ene zin naar de andere verloopt onalledaags maar zo vloeiend dat het vanzelfsprekend lijkt en je niet in verwarring raakt: ‘ik / zucht zucht zucht tegen het trapezewerk van pijnen / in, de danser valt vanzelf // een melkglazen bol vol auberginepaarse slierten rolt / in mijn bassin:’.

De bundel bestaat uit drie delen. In het eerste gaat het met name over de ik-figuur. Uit het titelgedicht ‘Gasthuis’: ‘tijd, ik in deze tijd, ik in deze ik / iets hoort niet thuis ’ en ‘Ego’ opent met: ‘Ik houd het ego in mijn hand om / er een beetje mee te spelen, / maar het ding is zo groot als / een rat, dus mijn vingers passen er maar / net omheen – ermee spelen ho maar’.

Het tweede deel is minder persoonlijk en luchtiger, het taalproces wordt vergeleken met de weeftechniek ‘als horizontaal als verticaal, als cultuur en omgangsvorm, de rechte lijnen van ons vlaklandschap’. En er mag nu ook gelachen worden.

AARDIG LACHT
HARTELIJK BULDERT

Aardig geeft een hand
hartelijk opent de armen

Terwijl aardig een strikje omdoet
staat hartelijk met de handen in het deeg
droog meel
en haren uit het gezicht te wrijven

De bel gaat
Doe jij open?

Tien vreemdelingen voor de deur

Kom binnen, zegt wie?
Trek je schoenen uit

Het gaat wat ver om dit tot light verse te rekenen, maar het schurkt er wel tegen aan. Ook in de omvangrijke cyclus ‘Hoe we rondjes lopen, draaiend om elkaar’, die ik overigens als geheel wat mager vind, staan fragmenten op deze grappige toon.

Het is de scène waarin iemand tegen Leo zegt
dat hij de geschiedenis niet kan herhalen,
en Leo met een lach op zijn gezicht
precies die woorden herhaalt.

(…)

Je kunt me aankijken met je tanden
dan zakken mijn botten. Je groet veranderen
dan zakken mijn botten. Jezelf vanuit het holle donker
kenbaar maken. Dan donder ik in elkaar.

In het derde deel opent Verweijen met het anaforische ‘Gospel’ waarin in tientallen versregels wordt opgesomd waaraan het de ik-figuur zoal ontbeert. De eerste twee gaan als volgt: ‘ik mis gospel en open kerkdeuren / ik mis met open borst door de straten lopen’ waarna het missen uitwaaiert naar ogenschijnlijk minder sacrale behoeften als de geur van motorboten en houten aanlegsteigers, de zwarte stem van avondwater onder water en het huis aan de kade om tenslotte soepel terug te keren naar het gemis van gospel en open kerkdeuren.

ik mis korsten pulken op mijn knieën. ik mis sporten waarbij ik
op mijn knieën viel
ik mis het landen op mijn knieën in de woonkamer
ik mis het plaatsnemen op mijn knieën in de kerkbank

Een mooie verweving van het wereldse en het gewijde.

Ik heb m.i. voldoende geciteerd om u een beeld te geven van deze bundel en zal daarom het openingsgedicht en het gedicht waarmee deze wordt afgesloten niet ook nog bespreken al behoren zij tot de sterkste. Daartussen zitten ook minder geslaagde verzen maar in zijn totaliteit vind ik dit debuut van een bijzonder hoog gehalte.

____

Laurine Verweijen (2020). Gasthuis. Uitgeverij Van Oorschot, 72 blz. € 18,50. ISBN 9789028210349

Geplaatst in Recensies.