Steven Van Der Heyden

Steven Van Der Heyden  (Gent, 1974) is palliatief thuisverpleegkundige en tracht met taal de wereld te lezen, het is zijn oorsprong en bestemming.
Gedichten van hem verschenen in Vlaamse en Nederlandse literaire magazines o.a. in Het Gezeefde Gedicht, Meander, Tijdschrift Ei, De Vallei, Ballustrada, Extaze en Liter. In 2017 was hij deelnemend dichter aan het internationaal kunstenfestival Watou. In 2018 werd hij genomineerd voor de Melopee poëzieprijs.
In februari 2020 debuteerde hij bij Uitgeverij P met de duo-bundel ‘Tot ze koud is’. In deze bundel gaan 2 dichters (Steven Van Der Heyden en Luc C. Martens) met hun eigen poëtica een duet aan om jeugdige, onbezonnen, verloren en verdorven liefdes te bezingen. Delphine Lecompte zei hierover: “Er is iets wonderlijks aan de hand met deze bundel: de sensuele muzikale gedichten van Luc C. Martens vloeien moeiteloos over in de spirituele sinistere gedichten van Steven Van Der Heyden. Steven is de donkere versie van Luc. Of Luc is de frivolere versie van Steven.”
Hierbij enkele nieuwe gedichten!

foto Carmen De Vos

 

Aankomst

Ik ben het kind van bittere verwijten
zoon van een vader die niet lacht
los zand op een plattegrond van genen

Familie, of liever het gebrek eraan
lijkt een stilleven met het terloopse
van een polaroid

Zoek ik daarom een reden om te blijven
meestal volg ik vluchtlijnen
ze slingeren als barsten door mijn dagen

Ik los de wereld op in een shot
brandstof voor de droom waarin ik vleugel ben
aankomen doe ik al lang niet meer
Lady Morphine

De vertrouwde prik, terugvloei van bloed
In de kleurloze slang de wolk van roze
Ik word opgeslorpt, mijn vlees welwillend,
één met de stuwing in plakkerige lakens

alles in me trekt samen, prettig benauwd
verbeelding in embryonale vorm
met mijn geheugen als mes snij ik
de korsten van de dagen, verlies eindelijk grip

vergeet hoe snel ik kan verdwalen
in mijn eigen web, vol van verwachting
ben ik helemaal vleugel, herken de bodem niet
ik word zo goed als nieuw
Jij en ik

ik zeg je en jij omdat we elkaar al lang kennen
twee cirkels met mijn stem als raakvlak

een deel van mij heeft altijd het laatste woord
geeft me soms een compliment

zet daarna alles weer op losse schroeven
tot onze talen langs elkaar heen praten

ik volg de vluchtlijnen, beweeg me
op twee sporen die nooit samenkomen

ik lijk een kladversie van mezelf
zoek al jaren met open armen

op een dag kruip ik in mijn eigen huid
blijf, zolang jij ons aankunt
Geplaatst in Gedichten.