Annemarie Estor – De bruidsvlucht

Een bedwelmend, grootbloemig heelal

door Herbert Mouwen




De dichtbundel De bruidsvlucht van Annemarie Estor opent met het korte gedicht ‘Zwendelheks’, waarin de ik-figuur na enkele bezweringsformules tot slot aan de heks vraagt: ‘Laat taal uitbreken in een nieuw glas’; daarna volgen zestien lange, breed uitgewerkte gedichten. Het vijfde gedicht ‘De dag dat ik besloot om parfumeur te worden’ bevat de volgende versregels:

En ik zong:
Niemand weet, niemand weet,
Dat ik Hermes Trismegistus heet.

De naam is een speelse verwijzing naar de mythische figuur Hermes Trismegistus die in het lichtvoetige rijmpje uit het sprookje van Repelsteeltje gepresenteerd wordt. Iedereen kent de zelfverzekerde, triomfantelijk gezongen woorden van ‘Niemand weet’, terwijl niet iedereen de inhoud van het sprookje (nog) kent. Hermes Trismegistus – de betekenis van zijn naam is ‘Hermes de driemaal de grootste’ – openbaarde geheime magische en mystieke kennis aan de mens. Hij is verbonden met alles wat beschouwd wordt als hermetisch. Het hemelse en aardse stelt hij op gelijke voet en verbindt beide. Een bekende uitspraak van hem over deze gelijkstelling is ‘Zo boven, zo beneden’. De gedichten van Estor zijn inderdaad gesloten en weinig toegankelijk, ze stellen hoge eisen aan de lezer om ze te begrijpen. De gedichten kunnen ook gezien worden als een vorm van poëtische vertelkunst. Allerlei aardse zaken worden in een kosmische en mythische context gepresenteerd. De biologische planten- en dierenwereld is prominent aanwezig. De verbindingen die Estor maakt tussen deze werelden zijn kort en direct. In hetzelfde gedicht staan de volgende aankondigende dichtregels die na dit fragment uitgewerkt worden:

Tussen de maartse viooltjes vond ik een telefoon.
Een dure telefoon. Met sterren in het glas.
Er stonden twee dromen op.

De ene klonk als de zang van de witgesterde blauwborst.
De andere als het bonken van de staafgrafieken.

Flora (‘maartse viooltjes’) en fauna (‘witgesterde blauwborst’) staan tegenover de technologie (‘telefoon’) en het aardse (‘dure telefoon’) staat tegenover het kosmologische (‘sterren’). Heeft de aardse telefoon gefaald als middel om te kunnen communiceren met de kosmos en is deze daarom weggegooid? Het gedicht geeft het antwoord niet. De ‘twee dromen’ die nog op de telefoon staan, worden in de vorm van een als-vergelijking uitgesplitst in een positief klinkende en een negatief klinkende droom. Het esthetische (‘klinken’) en het lelijke (‘bonken’) worden als tegenstellingen opgevoerd. Natuurlijk is de frase ‘Met sterren in het glas’ ambigue, waarmee de aardse betekenis van het kapotte glas tegenover de spiegeling van de sterren als hemellichamen in het glazen telefoonvenster wordt gezet. Ook is er nog het woordspel met ‘sterren’ en het woord ‘witgesterde’ in de vogelnaam. De diepgang die in de gedichten van Estor aanwezig is, wordt speels getoond met de assonantie, de alliteratie, de tegenstelling en de paradox als zorgvuldig gehanteerde stijlmiddelen. Het is fascinerend om te zien op welke wijze de thematiek van het volledige gedicht op macroniveau – het gedicht is tweeënhalve pagina lang – ook in de vijf versregels, dus op microniveau, terug te zien is.

Het titelgedicht ‘De bruidsvlucht’ is het kerngedicht in de bundel. Na dit gedicht krijgt de bundel een meer menselijk karakter en worden de gedichten ook toegankelijker. In een bruidsvlucht gaat de bronstige koningin op zoek naar de darren om mee te paren. Het is een massale bijeenkomst van allerlei soorten insecten in een kleine ruimte, namelijk in ‘een beslagkom’. Deze is goed gevuld met ‘Honderd bijen volken zwermend, / zesendertig metselbijen, zeven krekels, / achtentachtig voorjaarsspanners, / termieten en motten en wolzwevers, / wespen en vliegen – ’. Vanaf dat moment dat alle insecten in de beslagkom aanwezig zijn, ontstaat er een boeiend spel van vermenging, is er sprake van een smeltkroes met de natuurwereld en de mensenwereld als ingrediënten die elkaar op feestelijke wijze ontmoeten en waarin de natuurwereld wordt overwoekerd door een overheersende materialistische wereld, waarin geld een grote rol speelt. Tegelijkertijd krijgt de bruidsvlucht zijn beslag om ook de betekenis van de uitdrukking ‘zijn beslag krijgen’ te noemen.

‘Rode aarde’ is een opmerkelijk gedicht in deze bundel, omdat het gaat over het proces van gedichten schrijven en omdat het in zekere zin een poëticaal gedicht is. Concreet verwijst het naar de gebeurtenissen die plaatsvonden in ‘De Bruidsvlucht’. Het vers opent met: ‘Ik zit aan mijn bureau / en sla in het donker / het arme alfabet aan.’ De dichter wil ‘Recht in mijn blinde vlekken meppend’ komen tot ‘een witte steekvlam taal’. Daarvoor gebruikt Estor ‘gillende metaforen’, racende ‘symbolen’, jagende ‘paradoxen’ en ‘hyperbolen’ die ‘dwars door de taalbarrière gaan’. Het intens vitalistische gedicht eindigt in de laatste strofe ‘op de rode aarde’ in rust en berusting, waarin ‘de suffe mensheid’ zich zal afvragen hoe zij dit alles ‘aan zich voorbij / heeft kunnen laten gaan’.

Het gedicht ‘Ik weet nog steeds niet waar ik woon’ is een vertelling, een prozagedicht. De ik-figuur is na de gebeurtenissen totaal gedesoriënteerd: ‘Kan iemand mij in godsnaam vertellen waar ik ben?’ De ik-figuur draait rond ‘in een dubbelwandige koker’, ‘een caleidoscoop’, een ‘lichtkoker’. Deze is ‘tegelijk stortkoker’, namelijk ‘van al het afval dat ik ooit zelf heb geproduceerd’. Hierna komt een lange reeks van gestapelde beelden, vol overdadige dramatiek, waarvan er veel verwijzen naar – ook voor de lezer – herkenbare maatschappelijke wantoestanden die het leven van de ik-figuur beïnvloeden. Echter, de ik-figuur ziet de ogen van ‘het afgeslachte vrouwtjesdier’ opengaan, hoe ‘zacht haar netvlies loslaat’ en ‘een traan opwellen in haar oog.’ Het leidt tot het aaien van de ik-figuur van de ander, van het ‘vrouwtjesdier’, want ‘Zij wil niet dat ik triest ben / en alleen.’ De bundel eindigt met het positief klinkende gedicht ‘Qui vive’, hier opgevoerd als het geroep van ‘de haan / vanaf de muur / naar mij en mijn geliefde.’ En het eindigt met de versregels: ‘We gaven ons over / aan het lied van de merel / dat als een bom zou inslaan. // En we wisten waar het begon, / en waar het zou eindigen.’ Inderdaad, dat wist of hoopte de lezer ook: het eindigt positief met de al genoemde eerste droom, die ‘klonk als de zang van de witgesterde blauwborst’.

Om deelgenoot te kunnen worden van de bundel De bruidsvlucht moeten enkele flinke stappen gezet worden. In het mooi opgebouwde gedicht ‘Le Pavillon Bleu’ word je als lezer verleid om over een brug te gaan. De stad Avignon is o.a. bekend door de Pont Saint-Bénézet, beter bekend als de Pont d’Avignon, een restant van een twaalfde-eeuwse brug over de Rhône in het centrum van de stad. Wie kent het kinderliedje niet? De brug reikt slechts tot de helft van de rivier. De titel van het gedicht is de naam van een restaurant dat aan de ‘onbereikbare’ oever van het Île de la Barthelasse ligt. In de stad domineert het Palais des Papes, een monumentaal gotisch bouwwerk, waar in de veertiende eeuw enkele pausen in ballingschap verbleven. Elke keer wanneer je als lezer bij een volgend gedicht verleid wordt om toch over de brug te gaan, stap je een nieuwe poëtische wereld met een persoonlijke beeldtaal binnen.

Ik zie een brug die rust
in de ademhaling van de rivier.

Ik zie een brug die rust
in de ademhaling van de rivier, en daarboven
staan de sterren te knipogen als lichtekooien.

Ze verleiden me om over de brug te komen
naar het bevroren paleis van pausen
en mijn borst is jong en verre van ernstig
en de sterren springen op als bokjes.

____

Annemarie Estor (2020). De bruidsvlucht. PoëzieCentrum, 56 blz. € 20,00. ISBN 9789056554187

Geplaatst in Recensies.