Hubert van Herreweghen – Verzamelde Gedichten

Levenslang strijden om thuis te komen in de taal

door Kamiel Choi




De verzamelde werken van de ‘nestor van de Vlaamse poëzie’ Hubert van Herreweghen is een dikke pil van 976 bladzijden, zorgvuldig geselecteerd en afgewerkt door uitgeverij P, de uitgeverij waar hij ook zijn laatste bundels vanaf 2005 heeft uitgegeven. Voor deze uitgave is gestreefd naar zowel volledigheid als naar het respecteren van de uitgave die de dichter zelf als definitieve versie beschouwde. Ik heb het zwaargewicht zelf niet in mijn handen mogen houden (enkel de bundel in PDF-bestand), maar was onder de indruk van de reikwijdte van zijn poëzie. Het is voor literatuurliefhebbers vooral interessant om de ontwikkeling die Van Herreweghen heeft doorgemaakt in de 72 jaar tussen het verschijnen van zijn debuut Het jaar der gedachtenis (1943) en De bulleman & de vogels (2015) te volgen.

Zijn eerste werk was tamelijk vormvast met veel eindrijm. Representatief voor deze stijl in zijn vroegste periode is het gedicht ‘De sneeuw ter lage landen’:

De sneeuw ter lage landen
zo gracieus gespreid;
het evenmatig branden
van ’t licht gebenedijd
en van de glanzende ogen
der vrouw die naast mij gaat,
kinderlijk opgetogen.
O dubbelschoon gelaat!

Er valt in dit verzameld werk veel te genieten, welke stijl ook je voorkeur heeft. Zo lezen we in het gedicht ‘Voorjaar’ regels die van Guido Gezelle hadden kunnen stammen, die Vlaamse grootheid van een eeuw eerder:

Blaren en vlinders aan de twijgen,
vleugels sidderend van genot;
’t leven ligt als een dier te hijgen
met onstuimige hartenklop.

Van Herrreweghen lijkt vaak geïnspireerd door schoonheid van landschap en lichaam (‘Heuvelen wellustig als vrouwen / lui in het landschap uitgestrekt, / beloeren hem, opengevouwen, / de tijger, de Taag die zich rekt’), maar voor de dichter van de ‘bezettingsgeneratie’ naast Jos de Haes, Anton van Wilderode en Christine d’Haen, is ook de dood nooit ver weg. Prachtig is zijn ballade over de dertien gezellen die stierven in de Tweede Wereldoorlog. Het maakte op mij de indruk van een bloedserieus drs. P-lied, wanneer verraad zo wordt beschreven:

De jongste der dertien gezellen
beluisterde een onzalig woord,
van hem weet niemand te vertellen
want hij trok met de vijand voort.

We zien de poëzie gaandeweg steeds minder godsvruchtig worden, of in ieder geval steeds minder katholiek. Het lijkt alsof hij zich van die erfenis bevrijdt. Als eindpunt van die ontwikkeling kunnen we denken aan het gedicht ‘Plons’ uit zijn laatste bundel De bulleman & de vogels:

Onrustig wordt vóór de zee
nl ‘t klotsen
tegen de inhumane rotsen
plons na plons,
het ernstig, nadenkend water,
in ons.

De dichter is naturalist en humanist geworden. God lijkt verdwenen, wij blijven met het bewustzijn van de dood alleen achter. Reeds in 1958 schrijft hij in Gedichten II. Brieven uit Portugal in het gedicht ‘Lissabon’: ‘nu kan ik nog een zwakke hartslag voelen, / maar weldra rot dit al – onnoemelijke straf – / mijn oog, mijn oor, mijn mond, tot niets verteerd in ’t graf.’

‘En gij’ uit Gedichten IV (1967) begint aldus: ‘Wie de dood niet ziet / in de vrouw in het kind / in al wat hij bemint / die begrijpt mij niet’.

Of in het gedicht ‘Van de dood’: ‘zolang ik adem en besta, / besta ik voor een zwart gezel’.

Dit is een sterk nihilistische impuls, en we zouden verwachten dat de auteur verderop houvast gaat zoeken bij een ideologie. Maar in 1950 schreef hij: ‘dichters schrijven niet in bende’. Hij was een individualist die zich nooit heeft aangesloten bij een ideologische stroming, laat staan bij een dichterscollectief. Poëzie heeft voor Van Herreweghen een waarde op zichzelf, niet in de zin van l’art pour l’art, maar gedragen door een diepe overtuiging dat erin taal een waarheid kan weerklinken die ons anders ontgaat. In Gedichten III schrijft hij: ‘Tot in mijn ingewand / is ’t andere mezelf.’ Wat ons rest is de wereld zo mooi en precies mogelijk beschrijven in poëzie.

Ik denk dat Van Herreweghen troost vond in het vervolmaken van zijn eigen onafhankelijke poëtische stem, en het in leven houden, meer nog: het vieren, van de prachtige archaïsche Vlaamse woordenschat. Zeker de Nederlandse lezer zal regelmatig naar het woordenboek moeten grijpen bij woorden als; neurt, schabouwlijk (bedroevend), zwindelt, helse droes, memel (molm), genster (vonk), kruiven, huik, keest, alaam (werktuig).

Zo drukt hij dit expliciet uit in de openingsregels van de bundel Gedichten V uit 1977, dat misschien wel als motto van zijn gehele oeuvre kan dienen: ‘Het is een geur die gij moet vinden, / het is een spoor, geen onderdak’.

Het geurspoor van ons talende, talige bestaan heeft het onderdak van de Kerk verdrongen, maar de worsteling om de plaats die religie nog moet innemen houdt aan; er blijven altijd gedichten opduiken over bidden, askruisjes, Maria, hemel, engelen. En natuurlijk kun je de natuurpoëzie in Karakol (1995) ook religieus interpreteren, bijvoorbeeld de drie-eenheid van vrouw, hagedis, klavertjevier in het gedicht ‘Balkneut’. Misschien is de godsgedachte onuitroeibaar, schiet de taal altijd tekort (het beeld daarbij bestond al in 1953, toen hij in het gedicht ‘Jagen’ schreef: ‘Zo jaagt de dichter hulpeloos woorden, / zij vluchten, hij moet ze / vermoorden, / en ’t is een walgelijk bedrijf.’).

Maar misschien kunnen we dankbaarheid zien zonder aan een god te denken, zoals in een gedicht over dauwdruppels, de dankbaarheid voor het sublieme dat in de natuur tot uitdrukking komt: ‘juweliger dan op lupinen: / de dauw die op de wolfsmelk ligt. / Hoe mag een mens dat oog verdienen?’

Een van de mooiste fragmenten die ik de lezer niet wil onthouden komt uit het langere gedicht uit de gelijknamige bundel Een kortwoonst in de heuvels uit 2002:

een wezelwijfje,
———van liefde en bloeddorst mooi,
———golft met een bloot jong in de bek
———door ’t wiegend kruid.

Tot slot nog een gedichtje uit zijn vroege periode, als waarschuwing voor lezers die hun poëzie streng onderworpen willen zien aan de regels der politieke correctheid, en om de diversiteit van deze machtige verzameling te illustreren:

De vrouw is als een anker wijn,
na ’t rijpen ligt de droesem onder,
dat is haar valsheid en venijn,
geen vrouw bestaat daarzonder.

Je treft in deze buitengewone bundel -frisse, niet zompige- liefdespoëzie aan (‘De schaking van een prinses’, 2003), liefde voor Vlaanderen, puntdichten en het razend knappe en vermakelijke ‘Een lamentatie van de melaatse koning’.

In 2003 ontvang Van Herreweghen de Orde van de Vlaamse Leeuw voor zijn bijdrage aan de Vlaamse cultuur. Dit is een dichter die veel meer bekendheid in Nederland verdient. Deze zorgvuldig samengestelde uitgave, gebonden in donkerblauw linnen, van de in 2016 overleden dichter is zeer de moeite waard.
____

Hubert van Herreweghen (2020) Verzamelde Gedichten. Uitgeverij P, 976 blz. € 44,50. ISBN 9789493138094

Geplaatst in Recensies.