Klassieker 244: Menno Wigman – Promesse de bonheur

door Joost Dancet

Meander Klassieker 244

Het liefdesgedicht ‘Promesse de bonheur’ uit de bundel Mijn naam is Legioen was niet enkel een favoriet van Menno Wigman zelf, ook recensenten en samenstellers van verzamelbundels blijken het te koesteren. Het gedicht is dus hard op weg om een klassieker te worden. Joost Dancet – ondertussen de nieuwe eindredacteur van deze reeks – vindt dat volkomen terecht!


Promesse de bonheur


Ik in haar bed en zij die net de douche uit stapt.
Zoals zij loopt, zoals zij naakt het huis door loopt,
zo zullen vanaf nu de dagen lopen.

Ze neuriet en ik zit verhevigd in haar bed.
Oneindig wakker is ze, warm en trots en zacht
en mooi, zo mooi, ik krijg het niet gezegd.

Het is een liefde die. Het is een wonder dat.
En alles wat ik van een lichaam heb verlangd
staat voor mijn ogen naakt te zijn,

naakt en van mij. De kamer hijgt nog, geil en stroef.
Haar mond, gemaakt voor lippen en genot, haar mond,
haar stoere, hoogverheven mond staat goed.


Menno Wigman (1966 – 2018)

Uit: Mijn naam is legioen,  2012
Uitgeverij: Prometheus

Menno Wigman overleed in 2018. Hij was 51. Een jaar later lag zijn Verzamelde gedichten in de betere boekhandel. Een prachtig uitgegeven ruime keuze uit zijn 5 dichtbundels ’s Zomers stinken alle steden (1997), Zwart als kaviaar (2001), Dit is mijn dag (2004), Mijn naam is Legioen (2012), Slordig met geluk (2016) en enkele nagelaten gedichten.

Het liefdesgedicht ‘Promesse de bonheur’ uit de bundel Mijn naam is Legioen was zonder enige twijfel een favoriet van de dichter zelf. Het was een van de drie gedichten die hij voorlas op de officiële voorstelling van de bundel en hij zou het gedicht later ook voorlezen op een promotiefilmpje toen de bundel genomineerd werd voor de VSB Poëzieprijs 2013. (1) Dat is best opmerkelijk te noemen omdat het qua sfeer in feite een atypisch gedicht is, niet enkel voor de bundel maar voor het volledig oeuvre van de dichter. Het lijkt erop dat het ook voor Wigman telkens opnieuw een emotioneel tegengewicht moest bieden voor zijn veelal trieste, melancholische verzen vol zelfbeklag en -spot. (2)

Toch maken ook nu de eenvoudige, rechtaan rechttoe taal en de strakke, klassieke vorm dit gedicht tot een vintage Wigman. Het gedicht heeft vier strofes van 3 regels; er is weliswaar geen eindrijm, de eerste twee regels van elke terzine tellen wel telkens twaalf lettergrepen, de derde regel is iets korter, maar alle regels hebben een overwegend jambisch metrum, een opeenvolging van een onbeklemtoonde en beklemtoonde lettergreep. (3) Gedichten moeten volgens Wigman immers altijd goed klinken. ‘Nou, mijn obsessie voor het metrum zou best eens te maken kunnen hebben met het feit dat ik drummer ben. Wie weet is dat de reden dat mijn beste gedichten zoveel ‘vaart’ hebben. Soms zit ik wel eens achter mijn bureautje met m’n knokkels de maat mee te tikken. Zonder ritme geen poëzie, toch?’ schreef Menno Wigman ooit in een interview met zichzelf voor De Opkamer.

Het gedicht werd door critici direct in de armen gesloten: Johan Reijmerink citeert het volledige gedicht in zijn recensie van de bundel hier op meandermagazine.nl en noemde het ‘één van de mooiste gedichten uit de bundel’. Frank Verhallen koos net dit gedicht uit om op zijn blog de bundel voor te stellen. Yvan de Maesschalck citeert twee strofes op het einde van zijn recensie op MAPPA LIBRI. De verzen inspireerden hem tot deze lofzang: ‘Ik hou erg veel van Menno Wigmans poëtisch gestamel. Hij is een dichter die. Hij schrijft zo aanstekelijk dat.’ Blijkbaar spreekt dit gedicht niet enkel mannen aan. Anne Vegter nam het gedicht op in haar bloemlezing Je bent mijn liefste woord: gedichten voor bijzondere momenten; Chrétien Breukers (m.) en Dieuwertje Mertens (v.) namen het op in hun bloemlezing Poëzie voor vrouwen. ‘Promesse de bonheur’ van Menno Wigman is dus al hard op weg om een klassieker te worden. Ik denk: volledig terecht!

Promesse de bonheur

‘Promesse de bonheur’ klinkt natuurlijk poëtischer dan ‘Belofte van geluk’, in het Nederlands is dat een opeenstapeling van (vier) doffe e’s, tegenover het klinkerrijm (o) en het exotische (misschien ook wel erotische) cachet van een Franse titel. Vooral als die ook nog eens ontleend is aan de Franse romanticus Stendhal – zoals de dichter ook zelf toelichtte op een lezing in het Poëziecentrum: ‘Stendhal definieerde schoonheid als een promesse de bonheur’. En inderdaad die schoonheid probeert de dichter hier in woorden te vatten, de schoonheid van zijn geliefde. Haar sta-in-het-leven: ‘oneindig wakker, warm, trots en zacht‘. Maar vooral de schoonheid van haar lopen, haar naakte lichaam, haar mond, haar lippen. Zoals zij nu is, zoals hij haar nu ervaart zo zal het voortaan altijd zijn, hoopt hij: ‘zo zullen vanaf nu de dagen lopen’.

Belofte van geluk is eigenlijk in het kort de visie van de romanticus op het leven. Wij zijn als mens voortdurend op zoek naar geluk. Maar geluk is er nooit echt. Het is steeds iets dat nog komen moet: belofte. Het gras is voor de romanticus altijd groener aan de andere kant van de heuvel – zoiets. Eigenlijk schreef Stendhal ‘la beauté n’est que la promesse du bonheur’ (De l’amour, 1822): schoonheid is slechts de belofte van geluk. Hij bedoelde (schrijft Sander Grootendorst): om liefde te ontdekken moet je er ook over nadenken. Liefde is een werkwoord zou Alfons Van Steenweghen in 2009 betogen. En dat begrijpt elke (realistische) lezer natuurlijk direct ook wel zelf. Maar ach, wat is het mooi om even in de illusie te leven dat schoonheid, de schoonheid van je geliefde de belofte van eeuwig geluk inhoudt.

Ik in haar bed en zij die net de douche uit stapt.
Zoals zij loopt, zoals zij naakt het huis door loopt,
zo zullen vanaf nu de dagen lopen.

De ik beschrijft een vrouw. In het gedicht krijgt zij geen naam: er is enkel een ik en een zij. Dat maakt de beleving intiemer voor de lezer: die zij kan ook zijn of haar geliefde zijn.

Belangrijk: de ik ligt ‘in haar bed’, niet in bed dus, of in ons bed, of in mijn bed. In bed klinkt lui, in mijn bed bezitterig, in ons bed melig: ik en zij slapen in de verbeelding van lezers op die manier misschien al jaren samen. Haar bed klinkt geheimzinniger. Woont de ik (nog maar pas) bij haar in? Of is de ik voor het eerst met haar meegegaan en ligt hij na die onenightstand dus in haar kamer? Of vindt de ik dat het bed haar domein is. Het domein van haar liefde voor hem waar hij nu nog even in ligt, nagenietend?

De lezer vult in die eerste regel moeiteloos het ontbrekende werkwoord zelf in: ‘ik lig in haar bed’. Dat elliptisch beginzinnetje schept niet enkel een vertrouwde band met de lezer – de ik lijkt hem wel een anekdote toe te vertrouwen. Maar door die ellips wordt het contrast met haar levendigheid nog groter: zij ‘stapt’ uit de douche, zij ‘loopt’.

Doordat het werkwoord ontbreekt begint het eerste vers met één enkele beklemtoonde lettergreep, gevolgd door een anapest om daarna pas over te schakelen op de – voor dit gedicht typische – jambe, die misschien wel de elegante loop van de vrouw probeert op te roepen: ‘Ik / in haar bed / en zij / die net /de douche / uit stapt.’

De tweede regel is de start van een vergelijking – eigenlijk een dubbele vergelijking: tweemaal zoals. Hij vindt dat dit moment een belofte inhoudt, een soort voorteken is van een groot geluk: zo zal het voortaan altijd zijn (voor hem en voor haar). Het is haar lopen, haar energie die een belofte aan geluk voorspelt. Maar dan corrigeert hij zichzelf: het is nog meer haar onbeschaamd zichzelf zijn, haar naakt zijn die de ware promesse de bonheur is.

Schitterend ook dat in het toekomstvisioen van de ik ook de dagen voortaan de elegante loop  zullen hebben van zijn geliefde.

Ze neuriet en ik zit verhevigd in haar bed.
Oneindig wakker is ze, warm en trots en zacht
en mooi, zo mooi, ik krijg het niet gezegd.

Ook in de tweede strofe zet de dichter de levendigheid van de vrouw (ritmisch) in de verf: zij ‘neuriet’ en is ‘oneindig wakker’. Nu blijkt dat hij niet in bed ligt maar ‘zit’. Zitten wijst zoveel meer dan liggen op nadenken – ook Le penseur van Rodin zit. Dat denken wordt versterkt door het woord ‘verhevigd’: zijn zintuigen zijn aangescherpt, sterker geworden. De ik is helemaal in de ban van deze vrouw, van haar karakter: ‘warm, trots, zacht’. ‘Warm’ wijst op een sympathiek, innemend karakter, maar het woord zelf is ook een mooie, poëtische vondst omwille van de klankovereenkomst met ‘wakker’, en het (mogelijk) contrast met haar naakte lichaam. Het is echter vooral haar schoonheid die hem ontroert: ‘mooi, zo mooi, ik krijg het niet gezegd.’  Zo staat haar schoonheid er eigenlijk – net zoals haar lopen – driemaal.

Het is een liefde die. Het is een wonder dat.
En alles wat ik van een lichaam heb verlangd
staat voor mijn ogen naakt te zijn,

Woorden schieten tekort stond er in de vorige strofe. Nu gaat de dichter van zoveel schoonheid zowaar stamelen: hij kan zijn zin tot tweemaal toe niet afmaken. Maar de dichter stamelt wel in perfecte jamben in een al even perfect alexandrijn: ‘Het is / een lief- / de die. // Het is / een won- / der dat.’

En weer is het haar lichaam dat hem vervoert. Omdat haar lichaam (nu voor het eerst of al vele keren?) al zijn dromen en verlangens heeft vervuld en nu weer naakt voor hem staat.

naakt en van mij. De kamer hijgt nog, geil en stroef.
Haar mond, gemaakt voor lippen en genot, haar mond,
haar stoere, hoogverheven mond staat goed.

De vorige strofe mag dan wel ten einde zijn, de zin van de dichter blijkbaar niet. Hij herhaalt ‘naakt’ in de eerste regel van de laatste strofe – ondertussen staat het woord er in het gedicht dus ook driemaal alsof hij het niet kan geloven dat zij zich volledig bloot geeft. Vandaar dat hij het zo fantastisch vindt dat die naaktheid er enkel en alleen voor hem is: ‘van mij’- ritmisch onderstreept doordat de dichter net nu het metrum verandert: ‘naakt / en van mij.’

De volgende zin herinnert aan het liefdesspel. Je zou kunnen zeggen: discreet of beschaamd schrijft hij niet ‘Ik hijg nog’ enz. Je zou ook kunnen zeggen dat het door deze metonymie lijkt alsof hun liefdesspel de hele kamer heeft aangestoken met zwaar (‘stroef’) gehijg en geilheid. ‘Stroef’ lijkt misschien een wat vreemd woord in deze context. Natuurlijk rijmt ‘stroef’ op het laatste woord van het gedicht: ‘goed’ (een klinkerrijm). Maar waarom zouden regels net nu moeten rijmen? Tenzij omdat uitgerekend dat woord uitstekend beschrijft hoe de ik zich voelt tegenover zoveel schoonheid, elegantie en souplesse die de (naakte loop van de) vrouw uitstraalt:  ‘ruw, niet vlot, niet gemakkelijk bewegend’ is de betekenis van ’stroef’ in volgens van Dale.

Het gedicht eindigt met een ode aan ‘haar mond’ – ook dat staat er drie keer. Haar mond en vooral haar lippen zijn er voor het genot. En dat herinnert aan het minnespel, de geilheid en het hijgen uit de vorige strofe. Dat lijkt in het gedicht tot nu misschien erg egocentrisch en gericht op het mannelijk ego, maar nu blijkt dat haar mond een ‘stoere, hoogverheven mond’ is – het kan geen toeval zijn dat ook ‘stoere’ rijmt op ‘stroef’, waarmee het nog meer klanken gemeen heeft. Het hele gedicht is zo een lofzang aan de zelfzekere, trotse vrouw die de ik blijkbaar net daarom de ware vindt, voor nu en altijd, promesse de bonheur!

Heerlijk die romantische dromen! Vooral als ze uit de pen komen van een perfecte woordkunstenaar als Menno Wigman.

 

Joost Dancet
Opnieuw dank aan mijn kritische lezers van het eerste uur: Marianne, Katrien Olivier, Koen Vandendriessche, Danny Van De Velde, Ignace Goethals, Eric van Loo & Janine Jongsma.

 

Noten

(1)
Menno Wigman las ‘Promesse de bonheur’ ook voor op de Nacht van de Poëzie 2014 – zie het YouTube-filmpje op deze pagina – en drie jaar later blijkbaar ook in Oostende. Hij werd bij die gelegenheid geïnterviewd door de Vlaamse dichter Carlos Alleene. In zijn boek ‘Voor ik het vergeet‘ schrijft deze dichter over zijn merkwaardige ontmoeting met Wigman die dag. Niet in het minst omdat Wigman toen ‘Promesse de bonheur’ voorlas voor een bijzonder klein publiek: ‘Nog diezelfde avond stuurde ik hem een dankbriefje. Een jaar later is hij niet meer. Wie ooit zijn ‘Levensloop’ of ‘Promesse de bonheur’ heeft gelezen, weet niet wat hij die dag in Oostende heeft gemist. Behalve dan die twee vrouwen en een man.’

(2)
Lees bijvoorbeeld ‘Rien ne va plus’ uit Slordig met geluk hier in Meander Klassiekers met een analyse van Eric van Loo.

(3)
Het metrum

Ik / in haar bed / en zij / die net / de douche /uit stapt. 12 lettergrepen
Zo- als / zij loopt, / zo- als / zij naakt / het huis / door loopt, 12
zo / zul- len / van- af nu / de da-gen / lo- pen. 11

Ze neu- / riet en / ik zit / ver- he- / vigd in /haar bed. 12
On ein- / dig wak- / ker is /ze, warm / en trots / en zacht 12
en mooi, / zo mooi, / ik krijg / het niet  /ge- zegd. 10

Het is / een lief- / de die. / Het is / een won- / der dat. 12
En al- / les wat / ik van / een li- / chaam heb / ver- langd 12
staat voor / mijn o- / gen naakt / te zijn, 8

naakt / en van mij. / De ka- / mer hijgt / nog, geil / en stroef. 12
Haar mond, / ge-  maakt / voor lip- / pen en / ge- not, / haar mond, 12
haar stoe- / re, hoog / ver- he- / ven mond / staat goed. 10

 

Meander Klassiekers

In deze rubriek bespreken we elke maand een bijzonder gedicht, dat de tand des tijds heeft doorstaan. Of zal doorstaan. Sinds 2000 zijn in deze reeks ruim 200 analyses verschenen. Klik hier voor recente klassiekers, en hier voor een overzicht van de klassiekers vanaf 2000 – heden.

Wil je reageren op deze bespreking?

Stuur je reactie naar: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Wil je zelf een bijdrage leveren?

Nieuwe bijdragen zijn van harte welkom.
Mocht u zelf ideeën hebben voor een bespreking, neem dan tijdig contact met ons op: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Joost Dancet, redacteur Meander Klassiekers

Geplaatst in Klassiekers.