What’s in a name

door Hans Puper

Dame met hoed in prieel – Leo Gestel

Ik bezoek regelmatig oude kerkhoven; ik houd van de stilte, ruisend gebladerte en het gemijmer over vervlogen tijden. Op een begraafplaats in mijn voorvaderlijke Zuidoost Friesland trof ik de zerk aan van mijn achter-oudoom Hidde Puper (1868 – 1936).

De arme kerel, ik had al jaren niet meer aan hem gedacht. Mijn inmiddels eveneens overleden vader vertelde me lang geleden dat oom Hidde trots was op zijn achternaam. Wij zouden afstammen van een hoge officier in het leger van Napoleon. Pupère moest je zeggen, maar de Nederlanders zeiden Puper, ze kenden geen Frans meer. Hijzelf ook niet trouwens: op zijn twaalfde werd hij dagloner, want voor iemand van zijn stand was doorleren onmogelijk; hij was geboren in een plaggenhut en al verhuisden zijn ouders jaren later naar een stenen landarbeidershuisje, het bleef armoe troef.
Een marskramer had hem verteld dat deze officier ten tijde van de Franse overheersing zijn grote liefde had ontmoet in de garnizoensstad Assen. Ze trouwden spoedig en kregen twee kinderen. Het huwelijk bracht hem echter weinig geluk: zijn vrouw bleek een belle dame sans merci die vlinderde van amant naar amant. Officier Puper was ontroostbaar; hij zocht en vond de dood door op verzoek deel te nemen aan Napoleons veldtocht in Rusland. Hij sneuvelde in de slag bij Smolensk.

Hidde geloofde de marskramer graag. Uit dankbaarheid had hij twee klosjes garen gekocht.

Van dagloner werd hij tuinman op het voormalige landgoed Dellenlust nabij Steggerda, zes kilometer van zijn woonplaats. Die afstand liep hij tweemaal daags, maar dat deed hij graag: hij kreeg nu een weliswaar karig, maar vast loon. Zijn eerste bazin, freule Frederika Von Freienfels, amateurhistorica, had zich verdiept in de Europese migratiestromen in de zeventiende en achttiende eeuw. Hidde was volgens haar geen afstammeling van een Frans officier, maar van hannekemaaiers, Duitse seizoensarbeiders die destijds jaarlijks naar Nederland trokken om te maaien en hooien en zich soms blijvend in Nederland vestigden, met name in de grensstreek tussen Enschede en Boertange. In Duitsland werden ze denigrerend Pupers genoemd, poepers dus. Ze stonken, die hannekemaaiers, arm en onbehuisd als zij waren. En onbetrouwbaar waren ze ook, dat moge blijken uit de regels die de Friese dichter Simon Oosting schreef in zijn gedicht ‘Noflik as in dúnpanne waarm as it sân’ (‘Genoeglijk als een duinpan warm als het zand’):

Yn ‘e fierte sjonge de poepen harren lieten net te ferstean
Se sliepe ûnder seilen want we wolle se net op de gollen hawwe
se stjonke en stelle it silverwurk sizze de boeren

Zijn vertaling in het Nederlands:

In de verte zingen de hannekemaaiers hun liederen niet te verstaan
Ze slapen onder zeilen want we willen ze niet op de delen hebben
ze stinken en stelen het zilverwerk zeggen de boeren

Oom Hidde was geschokt. Hij schaamde zich diep, werd kopschuw en zocht troost in het schrijven van gedichten, iets wat hij zichzelf had aangeleerd na voordrachten van de freule te hebben aangehoord in het prieel – ze beschouwde zichzelf als een niet onverdienstelijk dichter. Ze ried hem aan niet in de streektaal, maar, voor zover hij daartoe in staat was, te schrijven in  Algemeen Beschaafd Nederlands om de schande van zijn naam enigszins te compenseren.

Op een van de maandelijkse dorpsbijeenkomsten tot verheffing van de arbeidersklasse, georganiseerd door de plaatselijke afdeling van de Revolutionair Socialistische Partij, droeg hij na enig aandringen een paar van zijn gedichten voor. Een daarvan werd opgenomen in het dorpsblad; ik heb een exemplaar in mijn bezit. Goed is dit gedicht niet, wel curieus. Mijn achter-oudoom lijkt zijn ellende te hebben geprojecteerd op het mensdom in zijn geheel. Enig beeldend vermogen kan hem niet worden ontzegd:

ZIET DEN MENSCH

Heer!

Ziet hem gaan!
Alleen zijn klompen
Heeft hij nog

Aan!

De dorpspredikant beschuldigde hem na lezing van blasfemie, vrijmetselarij en verregaande onzedelijkheid; de uitgever van het dorpsblad voorspelde hij een fatale derving van advertentie-inkomsten als zijn journalist, redacteur, letterzetter en bezorger het nog eens waagde zo’n godslasterlijk gedicht te plaatsen. De adverteerders, vooral afkomstig uit de regionale middenstand, waren trouwe kerkgangers met een grondige afkeer van de RSP.

Oom Hidde werd somber, grimmig en in zichzelf gekeerd. Dichten deed hij niet meer, in het dorp werd hij niet meer gezien en hij stierf eenzaam. Kort na zijn dood zou de rietvlechter en zanger Jabik Jubbega het gedicht hebben bewerkt tot het refrein van een socialistisch strijdlied. De titel zou hij hebben vervangen door ‘De turfsteker’ en ‘Heere!’ door ‘Ontwaakt / O kameraden!’ Ik wilde het opdiepen uit het archief van de gemeente Westellingwerf en toen dat niets opleverde uit dat van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam, maar ook dat bleef zonder resultaat.

Geplaatst in Column.