Alle zegen komt van boven

door Jan Loogman


foto Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren

Was Staring een goede dichter? De vraag komt op als we over de Stuwdijk in de richting van De Wildenborch lopen. De lucht is droog ondanks de voorspelling van regen en we kijken of we Starings kasteel al kunnen zien. Ooit lag het in een moerassig gebied. In de loop van de tijd is ter wille van bos– en landbouw hard gewerkt aan ontwatering en grondverbetering. Antoni Christiaan Wynand Staring (1767 – 1840) is een van de kasteelheren geweest, die daarvoor zijn best heeft gedaan. Maar zijn landelijke bekendheid verwierf hij niet als notabele die hier in de Achterhoek de agrarische vooruitgang bevorderde, maar als dichter. Wel vond hij zijn onderwerp in het boerenbedrijf, zoals in zijn Oogstlied: Sikkels klinken / Sikkels blinken /Ruischend valt het graan / Zie de bindster gaâren / Zie, in lange scharen / Garf bij garven staan! Verderop in dit gedicht prijst hij de zegen die van boven komt: Slaat uwe oogen / Naar den hoogen / Alles kwam van daar  / Zachte regen daalde / Vriendlijk zonlicht straalde / Mild op halm en aar.

 

Eenmaal dichterbij het landgoed duwen luidruchtige machines onze gedachten in een andere koers.  Grondverzet. Een sloot langs een boerenperceel, in de geest van Staring gegraven om elk water zo snel mogelijk af te voeren naar de Baakse Beek, wordt gedempt. De Baakse Beek kruisen wij die dag en de volgende dagen nog meermalen, we zijn op een lange wandeltocht. Overal ligt de beek droog, terwijl hij vroeger een centrale functie had in de regulering van het grondwaterpeil in de Achterhoek. Veel sloten komen erop uit en dat de bedding nu droog is, komt doordat er geen water is dat afgevoerd kan worden.  Dat tekort aan water blijkt de reden voor het grondverzet bij De Wildenborch. Door het dempen van de sloot blijft het water op het landgoed, het grondwaterpeil kan stijgen, er zal weer water worden toegevoerd naar de vijvers op het landgoed. De inspanningen van Staring worden ongedaan gemaakt. Het moet ook wel. ‘De problemen zijn groot,’ meldt de beheerder van het dicht bij De Wildenborch gelegen landgoed De Wiersse aan de NOS. ‘De rododendrons sterven, de rozenstruiken zouden veel voller moeten zijn en de bomen aan de historische lanen moeten we dit jaar waarschijnlijk kappen.’ Er is watertekort, droogte. De vorige Dichter des Vaderlands schreef: De sloot spuugt gaargekookte eenden uit. Onzichtbaar leven stinkt en/ woekert aan de kant. En vannacht staan de boeren op, sjouwen/ langs akkers, houden de zonsopkomst tegen – bidden /tegen statistieken in. Grote weerman, aarde die /ons kostbaar is, geef ons heden regen. Zij signaleert nog leven, al is het dan onzichtbaar, de landgoedbeheerders in de Achterhoek zijn somberder en misschien ook praktischer, zij proberen de zachte regen die van boven valt vast te houden.


foto Project LTO Noord

 

Onderweg van De Wildenborch naar De Wiersse keert de rust terug. We lopen over de paden en lanen van een derde landgoed, ’t Medler. We kijken uit naar een plek om te zitten en merken op dat bankjes ontbreken. Wel staan er borden die ons waarschuwen voor vallende takken. We treffen zoveel borden aan dat de suggestie onontkoombaar wordt: we kunnen beter elders wandelen. Dit is geen landgoed dat bezoek op prijs stelt, concluderen wij. Maar ach, wie zal ons verjagen? Misschien is de sloot naast de oprijlaan een geschikte rustplek, hij ligt toch droog. Juist als we willen gaan zitten, zien we boven op het kasteel een man staan, hij draagt een rode broek, het zal de baron zijn. Hij lijkt ons nauwlettend in het oog te houden. Nu herinneren we ons de jachtgeluiden van eerder op de dag en een volgend vers van Staring davert door onze hoofden: ‘Laat dien toren / Schrikbaar hooren / Waar Geweld het vonnis strijkt…’ Snel lopen wij door. ‘Waar zal de Wandelaar, waar zal hij redding vinden?’ citeren wij een van de tien gedichten die Gerrit Komrij van Staring opnam in zijn bloemlezing van de Nederlandse poëzie uit de 19e en 20e eeuw.

Even later treffen wij bij een weiland een verlaten veewagen. Hij is afgesloten, maar de dissel biedt een zitplaats. Terwijl we daar onze boterhammen eten, begint het zacht te regenen. Laat het blijven regenen, bidden wij met de Achterhoekers. Laat de grond de regen opnemen, laat geen sloot het water afvoeren. Wat in de tijd van Staring goed was, werkt nu niet meer. Dat is geen reden voor zwartgalligheid. De regen brengt een gedicht van Jan Hanlo naar boven. Vroeger klonk het somber maar ook dat is door de tijd veranderd. Nu proeven wij de lofzang: Regen regen / allerwegen / rechte stralen / water / langs de muren / langs de palen / vallen vallen / langs de bomen / natte auto’s / gaan en komen/ loodrecht op de / druppelzegen / Overal is regen.

plaatjes van de regen: Pixabay

Geplaatst in Column.