Arnoud van Adrichem – Het failliet

Opheffingsuitverkoop

door Peter Vermaat




De bundel Het failliet van Arnoud van Adrichem (1978) opent met de afdeling ‘Schelp’, die bestaat uit 263 haiku’s, gezamenlijk een veelheid van scènes beschrijvend die zich afspelen aan of in de nabijheid van het strand. In de vorm van een haiku, immers bestaand uit 3 regels van 5, 7 en 5 lettergrepen, zou je met enige verbeeldingskracht ook wel de overdwarse doorsnede van een schelp kunnen zien.
Van een haiku verwacht je dat hij een zelfstandig, bijna autarkisch stukje inhoud vertegenwoordigt, een beeld (vaak ontleend aan de natuur) dat de lezer aanzet tot reflectie, waarbij de taal van de haiku als een zachte echo langzaam oplost in de stilte. Een aantal van de haiku’s in deze eerste afdeling functioneert enigszins op die manier: afgerond genoeg om er even bij stil te staan, maar niet zo definitief dat je je weg niet zou willen vervolgen. Ik geef een paar voorbeelden:

Je algoritmen
lekken als oliepijpen.
Vieze wiskunde?

[p. 13]

———–Ik zie een koksmes
———–en rode handafdrukken
———–op de koelkastdeur.

[p. 14]

Ik voel de stoppels
op je benen. Uit protest
laat ik mijn baard staan.

[p. 15]

———–Het schip verslikt zich
———–in zijn eigen diesel, zwoegt,
———–neemt nog een slokje.

[p. 20]

’s Ochtends schijnt de maan.
Alsof God vergeten is
een lamp te doven.

[p. 24]

Vier blokjes van vier proza-achtige gedichten, elk bestaand uit tien langere regels, die als het ware ingeklemd worden door twee kortere, zijn steeds onder de titel ‘Strandscènes’ geplaatst tussen de volgende afdelingen, waarvan de eerste, ‘Verf’ met ruim veertig pagina’s het leeuwendeel van de bundel voor zijn rekening neemt. Om een indruk te geven van de vorm, die gedurende al deze pagina’s wordt volgehouden, citeer ik het begin:

———–Het raam staat open. Kom binnen. Alles wat aanwaait is welkom. Het
licht groeit vanzelf. In deze fles zit een peer, niet groter dan het topje van je pink.
Sommige peren komen gewoon niet tot hun recht. Dat is waar.

———–Uit verfpotten steken kwasten omhoog als thermometers. De wereld
zweet, geheel volgens het boekje. Een pretentieuze atmosfeer. Licht is geboden
aan zijn lamp. Ook dat is waar. Vertel ons eens iets wat we niet weten.

———–Goed.

———–Opdrachtgever zei alleen dat de kunstenaar dood is. Verder weet ik
niets. Niet hoe hij heette, waar hij woonde, of hij getrouwd was, hoe oud hij
werd. Waren er kinderen? Schulden? Misschien is hij een zij.

———–Het is verwarrend tegenwoordig.

———–Ik vermoed een teer liefdesverhaal, jij een duister familieverleden. Ge-
schiedenis omhelst de wereld. Wij zijn twee scharen die zich aan elkaar slijpen.
Je steekt een mes in het script dat ik schrijf. Net op tijd trek ik mijn hand weg.

———–Bleek als een koraalrif.

(…)

[p. 35]

Wat lijkt te beginnen als een monoloog, die is opgebouwd uit verschillende fragmenten, krijgt het in de loop van het gedicht steeds meer het karakter van een tweespraak, maar op betekenisniveau wordt het nooit meer dan een woorden-wisseling in de letterlijke zin. Associatie is daarbij steeds de drijvende kracht (‘(…) Maak / röntgenfoto’s van wolken, bestudeer hun organen. Dien de zon contractvloeistof / toe. Misschien ontdek je de manen van een leeuwenkoning. / (…)’[p. 43]).
Wanneer ik hetgeen gewisseld wordt zou moeten kenschetsen, komt een vermenging van gesprekken en innerlijke monoloog nog het dichtst in de buurt, terwijl de metaaldeeltjes in de verwoording door een ergens aanwezige (maar zelfs niet ongeveer te lokaliseren) sterke magneet een richting in worden getrokken die ze buiten hun verband doet geraken ‘(…) Ik val graag midden in een gesprek / stil. Wanneer de staart van een zin nog half uit mijn mond steekt. Kwispelend?/ / Spartelend. (…)’ [p. 44].
Intussen wordt er geschilderd, wordt er gesproken van verf en van ‘Opdrachtgever’, die af en toe ook een duit in het zakje doet. Ook Mark Rothko is in zicht. Doordat bepaalde begrippen en woorden regelmatig terugkeren, maar steeds in een juist ander verband, ervaar je als lezer dat je je in een labyrint bevindt, waarvan het niet de bedoeling is om eruit te komen: plekken van herkenning zijn hoogstens plaatsen van herinnering, waardoor de complete landkaart, zo je al in staat zou zijn om die te tekenen, weer een metamorfose blijkt te hebben ondergaan.

Ook in de delen ‘Kennissen’ en ‘Maren’ worden er uitspraken gedaan door ‘ik’, ‘jij’ en ‘wij’, maar door de bladspiegel wekken deze stukken de indruk als proza te zijn bedoeld. De verklaring van de respectievelijke titels zal zijn dat in ‘Kennissen’ het werkwoordelijk gezegde steeds gebaseerd is op het werkwoord ‘kennen’, terwijl in ‘Maren’ dat het werkwoord ‘horen’ is (een mare is iets wat van horen zeggen tot je komt, vandaar). Ook in deze stukken lijkt het verband voornamelijk gebaseerd te zijn op associatie.

De pendant van ‘Verf’ lijkt ten slotte de afsluitende afdeling ‘Fles’ te zijn, met een eendere opbouw, een eendere omvang en een vergelijkbaar karakter. In plaats van ‘Opdrachtgever’ is er nu sprake van ‘Voorzitter’. Die twee entiteiten lijken uitwisselbaar.
De slotstrofe (met een duidelijke seksuele suggestie als knipoog) luidt als volgt:

———–Een idee ontvouwt zich in een palmboom. Tieners verdringen zich
om je lijf in te smeren met roomvette zonnebrandcrème. Een gelukkiger einde
kunnen wij zo snel niet bedenken. Verklap het niet. Het is de enige plot die we
hebben

[p. 142]

We zijn weer op het strand van de eerste afdeling, de cirkel is rond.

Na het lezen van de laatste woorden kijkt de lezer naar de lege hemel en vraagt zich af wat hij gelezen heeft. Woorden tollen nog wat rond in zijn herinnering, de essentie lijkt zich aan zijn greep te ontglippen als aan handen die zijn ingesmeerd met teveel zonnebrandcrème. Met factor 50 op je voorhoofd James Joyce lezen is een vergelijkbare opgave. De gefailleerde. Het failliet. Wie is er bankroet? Ligt de taal inmiddels bij de dubieuze debiteuren? Opheffingsuitverkoop bij het Ministerie van Financiën, de voorschotregelingen, tegemoetkomingen en aftrekposten liggen wijd gebladerd voor iedereen zichtbaar op hun rug, scharen nog achteloos openliggend bij de uitgeknipte rechthoeken, de airconditioning op maximaal volume blaast de knipsels in de mond van een verbaasde suppoost die poolshoogte kwam nemen. Hap. Slik. Weg. Schrijf een gedicht, kerel.

‘(…) Zo’n gedicht schrijft zich helemaal vanzelf natuurlijk. Sorry, maar dit zou ik geen gedicht noemen. Noem het de eenentwintigste eeuw. (…)’ [p. 63]
____

Arnoud van Adrichem (2020). Het failliet. Atlas Contact, 143 blz. € 21,99. ISBN 9789025458027

Geplaatst in Recensies.