Multatuli, Idee 80 en Antjie Krog

door Hans Puper

Onlangs bladerde ik in de Ideeën van Multatuli en realiseerde me weer eens dat het nogal wat uitmaakt hoe je leest: met een ethische of esthetische blik. (Of een combinatie, dat kan natuurlijk ook).

Idee ‘80’ gaat over de manier waarop lezers keken naar Max Havelaar (1860). Multatuli had een ethisch oogmerk: het verbeteren van het ellendige lot der Javanen. Er waren echter lezers die die zich lieten verblinden door de magistrale vorm van de roman en tot zijn verdriet niet zagen (of niet wilden zien) waar het hem echt om ging. Het Idee:

Eens liet ze ‘r kind zien, en vraagde met de ogen:
– Hoe vindt ge myn kind, myn schat, myn alles? Zie eens die kleur …
– Dat gele streepjen is aardig.
– Geel … die wangen geel? ‘t Is rose! Geel?
– Ik sprak van ‘t jurkje.
Andermaal liet ze ‘r kind zien, en vraagde met de ogen:
– Hoe vindt ge myn kind, myn schat, myn alles? Zie hoe blank … en hoe rood… en gemarmerd!
– Daar is te veel styfsel in.
– Styfsel in de armpjes van myn kind?
– Ik sprak van ‘t jurkje.
Weder liet de zorgvuldige moeder haar kind zien, en vraagde met de ogen:
– Hoe vindt ge myn kind, myn schat, myn alles? Zie die vormen… die ronding… die lynen!
– Te kort van lyf.
– Myn kind te kort van lyf ?
– Ik sprak van ‘t jurkje.
Toen werd de moeder verdrietig. Het bedroefde haar dat men het kind niet zag. Wel tooide ze graag haar lieveling, maar ‘t smartte haar dat die tooi belette het kind te zien.

In de jaren dertig van de vorige eeuw werd Multatuli door Du Perron en Ter Braak geëerd als ‘vent’, een persoonlijkheid, die het in de Max Havelaar tegen de gevestigde machten had durven opnemen. Een ethisch oordeel dus. In de jaren zestig promoveerde A.L. Sötemann[i] op de ingenieuze structuur, dus op de vorm. Maar daar bleef het niet bij: hij liet zien hoe die structuur de lezer meetrok in wat slechts schijnbaar fictie was. Langzaam moest deze in de gaten krijgen dat Sjaalman, Max Havelaar, de schrijver Multatuli en Eduard Douwes Dekker, de voormalige assistent-resident van het regentschap Lebak op Java, een en dezelfde persoon waren. Het is een autobiografie, een vroege anti-roman. De vorm was een middel om het geconstateerde wanbestuur in Nederlands-Indië de grootst mogelijke bekendheid te geven en koning Willem III op te roepen om in actie te komen. Alles gebeurde immers onder zijn verantwoordelijkheid! (In werkelijkheid was dat alleen in naam, want sinds 1848 bestond de ministeriële verantwoordelijkheid). Multatuli zou tevreden zijn geweest: Sötemann zag zowel de tooi als het kind. Hij keek dus zowel ethisch als esthetisch.
Het is denkbaar dat er in deze tijd (a-historische) moralistische oordelen worden geveld over dit meesterwerk, want Douwes Dekker had geen vrij en zelfstandig Indië voor ogen, maar een kolonie geleid door een rechtvaardig gouverneurgeneraal, of nog liever: een onderkoning. Hijzelf. (Moralisme is uiteraard iets anders dan ethiek. In mijn column Moralisme en zelfcensuur schreef ik daar al over).
Het boek heeft zeker invloed gehad op het bestuur van Nederlands-Indië: het werd veel humaner, aldus W.F. Hermans in De raadselachtige Multatuli (In: Volledige werken, deel 17, p. 229). Humaner naar de normen van die tijd, uiteraard. De samenleving bleef onverminderd racistisch.

Na lezing van Idee ‘80’ moest ik ook denken aan de bundel Broze aarde van Antjie Krog. Ook zij tooide haar lieveling – en hoe! -, maar in haar geval ziet iedere lezer het kind, denk ik. De moraal is onmiskenbaar: ‘hoe kan ons die planeet versorg as ons nie mekaar verzorg nie / hoe kan ons mekaar verzorg as ons nie die planeet versorg nie?’ (De cursivering en de slash zijn van haarzelf). Ik ben zeer onder de indruk van die bundel. In mijn recensie schreef ik: ‘Krog is in staat je tegelijkertijd gelukkig en wanhopig te maken. Gelukkig door haar ritmiek, ook in de compositie van grotere gehelen, muzikaliteit, haar tempowisselingen, pauzes, woordkeuze en hartstochtelijke liefde voor de aarde en alles wat zich daarop bevindt. Wanhopig door wat wij de aarde en elkaar aandoen.’ Ook bij haar zie je die esthetiek die in dienst staat van een uit ethiek voortkomend ideaal, dat ze in een paar regels weergeeft: ‘ek is die bedelaar / ek praat leeu / ek sneeu / ek is die boom waarteen die saag skreeu –‘ (‘ik ben de bedelaar / ik praat leeuws / ik sneeuw / ik ben de boom waar de zaag tegen schreeuwt –‘).

Ik beëindigde mijn recensie met de zin: ‘Je zou willen dat deze bundel wereldwijd door politici werd gelezen.’ Die wens heb ik nog steeds; dat die niet wordt vervuld, weet ik ook. In deze tijd heeft literatuur weinig invloed meer ten gevolge van de complexiteit van de samenleving, de onoverzienbare informatiestromen en voortgaande ontlezing.
____

[i] A.L. Sötemann, De structuur van Max Havelaar. 2 delen. Bijleveld, Utrecht, 1966.

Geplaatst in Column.