Martijn Benders – Ginneninne

‘Een dichter in de groteske oxeaan van het ruim’

door Geert Zomer




In het nawoord van Ginneninne schrijft Martinus Benders: ‘een dichter schrijft met een publiek in het hoofd, en waar dat publiek vroeger bestond uit groote doode dichters zitten hedentendage geen dichters meer in de stoelen maar extrawereldse entiteiten als Monsieur Pedro en de blauwe psilocybine-man.’ Deze regel alleen al is voldoende om mijn tanden op stuk te bijten. Wat wordt hier nou eigenlijk gezegd en wat wordt er gesuggereerd? Dit spanningsveld – tussen dat wat er letterlijk staat en dat wat er wordt gesuggereerd – is, volgens mij, de voedingsbodem waaruit Ginneninne is ontsproten. Deze is niet nieuw. Het is die van de poëzie zelf.

Zomaar een aantal vragen die bij mij opborrelen:
Schrijft een dichter werkelijk met een publiek in zijn hoofd?
Kunnen groote doode dichters wel luisteren?
Wat zijn extrawereldse entiteiten?
Hoe ziet Monsieur Pedro eruit?
Vanwaar de titel Ginneninne?
Wat is psilocybine?

Om met dit laatste te beginnen: deze stof komt voor in paddo’s en heeft een hallucinogene werking. Op zijn site schrijft Benders: ‘In mijn Sage-systeem is microdosering slechts een klein onderdeel, dat je receptorsysteem niet uitput.’ Bij inname wordt psilocybine meteen omgezet in psilocine dat inhaakt op serotoninereceptoren, wat leidt tot bewustzijnsveranderende effecten, vooral veranderingen in de beleving van ruimte en tijd.

Op subjectniveau is er sprake van een constant veranderende ruimte- en tijdsbeleving. Terwijl ik hier zit, denk ik bijvoorbeeld aan een ontmoeting gisteren, buiten op straat, of aan een gebeurtenis van vijftig jaar geleden, toen ik fikkie stookte met een vriendje. Op objectniveau is het tijdsverloop echter lineair; als een ononderbroken, constante stroming. Er is een voortdurende dynamiek tussen dat wat ik in de buitenwereld ervaar (objectniveau) en dat wat zich in mijn binnenwereld afspeelt (subjectniveau). Vanuit deze dynamiek creëert een dichter taalconstructies.

De blauwe psilocybine-man reist als een tovenaar door een innerlijke landschap, vangt daar denkbeeldige voorstellingen en maakt ze materieel door ze in taalconstructies te ‘bevriezen’ en als inkt aan het papier toe te vertrouwen. Aan de lezer de taak deze constructies te ‘ontdooien’ en zo de gedichten tot leven te brengen. Ginneninne herbergt vijf sages en een toneelstuk en is doorspekt met (soms zelfgecreëerde) woorden afkomstig vanuit de plaatsen en tijden die genoemd worden.
Een kleine zoektocht naar de oorsprong van de titel Ginneninne voert mij naar de oproep van Wim Daniëls uit april 2006. Hij is dan bezig met het samenstellen van het Helmonds Woordenboek en zoekt woorden die Helmonders, of mensen buiten Helmond, als het mooist of het meest bijzonder ervaren. ‘Ginneninne’ wat ‘niet eentje’ betekent, staat in het overzicht van ingestuurde woorden.
Uit de derde sage ‘Ballynakill, 1928’ een gedicht dat zich, gezien haar interpunctie, over twee bladzijden ontvouwt:

Pok mijn hoontje, schreeuwde Logan.
Rozijntje, haal deegrollers!

De bakkersmeid, rozijntje, zette het op een lopen.
Goud, asfalt. Asfalt, goud.

En de muil bunkerde glaskruid,
ogen vol straling
——–             —zetten zich schrap,

tanden metselen en metselen
een glazige brug


geliefden,
—-bruggen,

—-naar elkanders
einde vissende.

Het is 1928. De psilocybine-man zit op een bankje ergens in Ballynakill, een townland in County Westmeath, Ireland, en is getuige van de scène tussen Logan en rozijntje. Hij is een extrawereldse entiteit, ontsproten uit het brein van de dichter, wellicht met behulp van een microdosis psilocybine. Groote doode dichters hebben plaatsgemaakt voor deze meester van tijd en ruimte. Hij voelt zich uitstekend thuis in het hoofd van Benders, ook een tijdgoochelaar, en laat zich aan tijd en ruimte weinig gelegen liggen. Wat dit ook moge betekenen. Wat hij ziet en hoort seint hij rechtstreeks door aan de dichter; geen makkelijk man. Deze heeft zichzelf de taak gegeven, als groot en hedendaags talent, een ander geluid te laten horen; een lang vergeten geluid wat zich uit in sluimerende, mystificerende taal.

Een gedicht uit de sage ‘San Francisco’, 1915’:

O vogeltjeskoorts die om de lul slaat.
Odee lodee de vossele.

Dans van gewichtloze mierkes, dans dans
wil in een dag de wereld om dansen
Odee lodee de vossele, voorze, de vaan.

De schors met zijn mierenelektriek,
Vorkwerk. stropdas: amythist.
Vorkwerk. stropdas: toermelijn.

Laagleventjes: puimsteen.
Laagleventjes: gruis.

De Staat, motor die voor oorlog trolt.
3-tactstaat: vrijheid, vreesheid, vraat.

Is het ditmaal Monsieur Pedro die de scène gadeslaat? Monsieur Pedro is een Fransman van goede komaf, loopt tegen de zestig, draagt graag comfortabele ruitjespakken en heeft grijs haar en bijpassende snor. Door Monsieur Pedro zo te beschrijven, en op deze wijze te laten leven, is hij ook een beetje ‘mijn’ creatie geworden. Monsieur Pedro vangt onbegrijpelijk zinnen op die hij intypt op een oude typemachine, welke aangesloten is op het receptorensysteem van Martinus Benders, die in bed ligt en met halfgesloten ogen naar het plafond staart.

In een volgende scène, ruim een jaar later, tijdens het begin van de coronacrisis, ligt Benders weer in bed, grijpt naar zijn mobiel en belt zijn vriendin. Ze kan helaas niet komen. Ze gaat naar ‘Het lucifermeisje’, een hedendaags toneelstuk. Het is een absurde variant op Het meisje met de zwavelstokjes. Om hen heen zitten veele groote doode dichters anderhalve meter van elkaar verwijderd. Benders vraagt zich af in welke droom hij is beland. Zijn vriendin heeft het zichtbaar goed naar haar zin. Maar ineens is zij het zwavelmeisje en staat plotseling op het podium. Benders grijpt zijn pen en schrijft mee.

Wichtje:

De dood heeft ons bedekt met zijn bleke zwavel.
Immuun voor de klokken arsenicum en rook.

Stenen verzamelen zaden en wolken,
skeletten van leeuweriken en schemerwolven.

Het is voorbij.
Kou sponst mijn botten, de gramme rijp mergt
door mijn knoken en tere schouderbladen,
hoeveel schouders heeft een boom?

Knokelbomen, wit, tegen een witte horizon. Hun bladerloze kruinen
vertakken zich in een onmogelijk gradiënt.

Verdoofd wordt Benders wakker. Hij heeft zijn mobiel nog in zijn hand. Op zijn nachtkastje een halfversneden paddo. Zijn vriendin had met iemand anders afgesproken en er waren geen kaartjes meer. Naast hem op zijn kussen vindt hij zijn tekst.

In een andere ruimte, eind december, zit ik op de groene bank in mijn woonkamer, leg de laatste hand aan deze recensie, vermeld dat de titel ontleend is aan de zinsnede ‘Een dichter in de groteske oxeaan van het ruim’ afkomstig is uit een gedicht van de sage ‘San Francisco, 1915’ en sluit af met de woorden van Benders: ‘Beleef de Sage, en neem de trip’.
____

Martinus Benders (2020). Ginneninne. De Kaneelfabriek, 108 blz. € 16,75. ISBN 9789083099590

Geplaatst in Recensies.