Tussen bestaan en niet-bestaan

Van J.V. Neylen (Antwerpen, 1989) verschenen gedichten in De Revisor, Het Liegend Konijn, G., Liter, Deus ex Machina, Extaze en Hollands Maandblad. Ze was actief als redacteur bij Kluger Hans. Haar debuutbundel verscheen in 2020 bij uitgeverij Atlas Contact.

Jan Loogman interviewde haar.

 

Je bundel En niet bij machte wordt in Tzum omschreven als een soeverein debuut in een herkenbare traditie, een bundel van een dichter die ‘haar Nijhoff kent’. Plaats jij je gedichten bewust in een bepaalde traditie? En zo ja, hoe omschrijf je die dan?
Ik denk dat je als schrijver niet om de traditie van je eigen taal heen kunt. Voor mij is die traditie belangrijk. Ik heb nooit veel waarde gehecht aan de grote oorlogen waarbij de ene stroming op de andere schiet. Ik geloof dat vernieuwing langzaam groeit, van binnenuit, door veel te lezen en te schrijven.
Vooral Achterberg, Claus en van Ostaijen hebben hun sporen nagelaten. Nijhoff heeft geen directe invloed op mij gehad, al vond ik de vergelijking in Tzum met een gedicht als ‘de wandelaar’ griezelig treffend. Ik zie zeker een aantal overeenkomsten, maar wil dat zeggen dat ik mij bewust in een traditie plaats? Als traditie wil zeggen dat je niet alleen schrijft voor een hedendaags publiek, maar ook voor dat van later, hoop ik dat ik mij daar een plaats in verwerf.

Welke dichters lees je graag?
Nederlandstalige dichters die ik graag lees zijn Gerrit Achterberg, Paul van Ostaijen (de nagelaten gedichten), Hugo Claus en Leonard Nolens. Verder zijn de gedichten van Anne Sexton, Emily Dickinson, Marina Tsjetajeva en Joseph Brodsky me dierbaar. Een hedendaagse dichteres die ik enorm bewonder is Alice Oswald.

 

En laat voor wat is. Laat de moeder die haar stem
al zingend heeft gekraakt, laat de vader die op zolder
zijn bestaan heeft geschreven. Het is bij kraken en zolders gebleven.

Laat de tweelingzus die je met stalen glimlach
deed twijfelen of ze er was uit vriendschap of verraad: het is geen
van beide geworden. Trek dan alle graten uit je lijf
tot er niets dan jezelf overblijft. Het is aan jou nu. Dus

laat de kinderen met hun knuffels vol lijken en met messen in de tong –
die poppen waar je zo op lijken wou, laat ze als de wassen beelden
van hun ouders, in hun veel te grote rol. Kijk naar wat je achterlaat:

de koektrommelhuizen, en laat de zon op straat. Laat achter
de slijkgang van de regelmaat. Doe net als de mens die koppig
naar zijn werk vertrekt en zijn dag verlaat. Maar doe het omgedraaid.

De recensent van Meandermagazine treft in je gedichten ‘een ongeremde vrijheidsdrang, het breken met het verleden en de groei naar een eigen identiteit.’ In contrast daarmee staat -in zijn woorden- het gebruik van het archaïsche ‘alreeds’ en het verzelfstandigen van het werkwoord ‘strekken’. Herken jij de door hem gesignaleerde tegenstelling?
In mijn bundel zocht ik het spanningsveld tussen een verlangen naar een autonoom bestaan en het verlangen naar geborgenheid, overgave. Mijn gedichten zijn deels door impuls gedreven maar allerminst ongeremd. Ik ben een trage schrijver en laat me niet gauw meesleuren in een vrije taalroes.
Ik stel me wel de vraag of een inhoudelijke vrijheidsdrang inderdaad een contrast kan opleveren met het gebruik van een archaïsch woord. Het gebruik van een woord kan verschillende redenen hebben: het kan de regel vertragen, het kan even schuren, het kan een accent leggen, enzoverder. Als schrijver heb ik een breed arsenaal aan woorden tot mijn beschikking en ik trek graag alle registers open om het gedicht precies zo te krijgen als ik het wil. Is het niet eerder beperkend om dat niet te doen?

 

Ik maak sardines schoon in juli
sta in de blauwe gedachte

en in mij het weten van een vrouw
met het hoofd naar beneden.

Ze lacht, trekt aan zenuwen.
Ik doe niet mee, grijns niet zoals zij.

Zij weet niets van deze klimrozen
van hun groei naar het blauwe zijn.

Ik zeg haar: het overvloedige is mooi
en zij antwoordt dat ik droom.

Er zal uit mij geen baby vallen,
slechts de schaduw van haar hoofd.

En ik ben als de dood
dat men haar ontdekken zal,

in mijn ogen zal zien dat er geen begin
maar een einde in mijn lijf oprukt.

Ik neem een sardine, trek het mes langs zijn buik
en dofbruin en dofpaars en dof

vallen de vormen – het doet me niets.
God weet wanneer zij in mij vervagen zal,

ik haar zal herkennen in de schaduw
die als een schaar uit mijn voeten trekt.

Wat brengt het schrijven van gedichten jou?
Schrijven is absoluut essentieel, ik zou niet kunnen leven zonder. Een gedicht tot een goed einde brengen geeft een enorme voldoening. Een gedicht schrijven is ademhalen, losbreken uit het rommelige alledaagse en naar de kern gaan. Het scalpel in mezelf en in de wereld zetten, dat is schrijven voor mij.

Is schrijven dus een onderzoek dat je voor jezelf doet? Of heb je ook een lezer op het oog? Ik denk aan regels van Miriam Van hee: ‘Schrijven is als drinken / om niet alleen te zijn.’ Daarin beluister ik dat de drijfveer voor de dichter ook kan zijn: verbinding met anderen maken.
Schrijven is in eerste instantie een persoonlijke noodzaak. Als ik schrijf ben ik volstrekt alleen en voel ik me niet verbonden met anderen. Ik heb geen publiek in mijn achterhoofd, al hoop ik er wel een enkeling mee te bereiken. Als lezer kun je wel een intiem gesprek hebben met een schrijver. Die kan zich wel verbonden voelen. Ikzelf heb geen weet van het bestaan van die enkeling en ik los er geen eenzaamheid mee op.
Maar de daad van het schrijven geeft wel rust. Het is een manier om orde te scheppen, alle ideeën en indrukken een plaats te geven. Er ontstaat een tijdloze leegte en die troost in zekere zin. Een troost die je zou kunnen vergelijken met een omhelzing waarin je even jezelf kunt vergeten. Zo begrijp ik die regel van Miriam Van hee.

Zoekend naar informatie over jou merkte ik dat ik niet of nauwelijks biografische gegevens over je kan vinden op het web. Is dit toeval of ben je bewust terughoudend? Heeft je presentatie als J.V. Neylen, zonder voornaam, daar ook iets mee te maken?
Dit ‘aanwezig-zijn’ vind ik oninteressant, maar je ontsnapt er niet aan. Schrijvers zijn al langer de grootste flyers voor hun boeken. Voor mij is de achtergrond van een schrijver niet belangrijk, het enige wat ertoe doet is wat hij schrijft.
Schrijven gebeurt in stilte en ik voel me goed in die afzondering, al wordt het me soms te benauwd, alsof ik in een vacuüm leef. Dan verlang ik naar sociaal contact, tastbaar-zijn. Het is dezelfde tweestrijd als in mijn bundel: tussen het avontuurlijke en het teruggetrokken leven, tussen bestaan en niet-bestaan – er is geen brug tussen deze werelden.
Mijn naam heb ik nochtans niet afgekort uit terughoudendheid. Het is een overblijfsel uit Shakespeare and Company: ik was student, werkte er in ruil voor een slaapplaats en schreef er mijn eerste gedichten, in het Engels. Aangezien mijn voornaam hier als ‘mop’ wordt vertaald, besloot ik om initialen te gebruiken.

Heb je het over Shakespeare and Company, de beroemde Parijse boekhandel? Wat trok je daar?
Ja, die boekhandel bedoel ik. Wat me naar daar dreef was een romantisch ideaal, een naïef verlangen om deel uit te maken van het literaire Parijs rond de jaren ’50. Ik wou ontsnappen uit het heden en een reis maken naar het verleden. Dat, en een liefde voor oude boekenwinkels. Dat verlangen ben ik kwijtgeraakt, maar de magie die me overvalt in een charismatische boekenwinkel is even groot gebleven. Shakespeare and Company had niets van zijn authenticiteit verloren en het was wel degelijk mogelijk om er geschiedenis te beleven. Ik maakte er kennis met George Whitman, die de winkel in de jaren ’50 oprichtte en op zijn beurt nog met Henry Miller, Anaïs Nin en Allen Ginsberg rond de theetafel had gezeten. Het was een magische plek.

 

Niet dit – niet dit blanco leven. Ik was niet van plan
om hier zo lang te blijven. Ik krijg ballonnen in babykleuren
de gangen hangen vol. Een man loopt erdoor,

zegt dat hij mijn dokter is. De hele dag
loopt hij mee. Als ik weg wil trekt zijn adem
langs mijn armen, ga ik liggen valt hij in mij neer.

Niet dit – niet dit horizontale leven. Het vleugelende ritme:
zijn handen pompen mijn longen tot lucht, zijn mond
op mijn klapperende lippen – hardnekkig blaast hij leven in,
zegt dat het zo voorbij is, dat de slaap weldra –

ze zijn er nog voor hij klaar is: nachtzusters
als heldere lampen, ze brengen valeriaanwortelthee
leggen geometrische knopen in mijn denken
waar ik geen woord van begrijp. Verlaten dan

het bed, de gang en doven uit. En alleen in al mijn stilte
en ik kan het echt niet helpen, valt uit mijn hoofd de afstand
die mij al jaren voor een leegte heeft behoed.

En ik zeg tegen de babyzachte gangen dat ik heus geen redden hoef.
De knoop komt los. Ik hoor het stappen van de dokter,
zijn vervloekte geometrie. Trek mijn mond weer toe.

 

Geplaatst in Interviews.