Bernke Klein Zandvoort – Veldwerk

Er is een nacht in de nacht

door Paul Roelofsen




Meteen raak is de inhoudsopgave waarmee Veldwerk opent! Niet netjes onder elkaar de titels met pagina-aanduiding maar willekeurig dobberend in het wit van twee bladzijden een woord uit elk gedicht. De dichteres doet niet aan titels en wat me later opvalt, minimaal aan leestekens. De bundel ademt ruimte, ook al omdat er op vele pagina’s slechts een regel staat. Maar vergis u niet, je huppelt niet een, twee drie door deze bundel heen want elke regel doet er toe, er valt geen woord over te slaan. (Of zoals Ilja Leonard Pffeifer in het NRC Handelsblad er over opmerkt: ‘Ondanks zijn bedrieglijk geringe omvang is het een copieuze maaltijd’).

Veldwerk is de tweede dichtbundel van Bernke Klein Zandvoort, haar eerste Uitzicht is een afstand die zich omkeert – de titel geeft al een idee over haar poëzie – werd in 2013 genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en zij won er de debuutprijs mee van Het liegend Konijn. Wat opvalt is de open blik en het originele taalgebruik van Bernke, beide hebben de scherpte en de onbevangenheid van een kind dat probeert de wereld in woorden uit te drukken.

Pagina 17 en 18, trefwoord ‘walla walla’

In een Amerikaanse radiostudio ontdekten ze dat als de woorden walla walla
door een handvol mensen worden herhaald, het rumoer klinkt van een menigte
alsof je plaatsgenomen hebt in een volle zaal

(…)

hoe er met boom boom boom boom een bos ontstaat
boter boter iets laat glijden Bernke Bernke
de randen van mijn lichaam gloeien
en ik een mama mama hoor
wat niet is maar wel kan bestaan

Walla Walla-indianen herhalen hetzelfde woord om het met tederheid te beladen
in Nederland zag ik een man kra kra naar een vogel roepen
om ‘m van zich weg te houden, terwijl de eerste kolonisten zichzelf
met wala walla bedwelmden om ontdekken met bezitten te kunnen verwarren
zo klinkt het op de prairies nu nog na – Walla Walla!
the town so nice they name it twice

walla walla zijn de vogels die verspreid over bomen elk hun eigen geluid maken
maar klinken als een stroom, walla walla is een golf, is het geluid van golven
dat iets in mensen laat verslappen

walla walla is het inslapen met het nachtprogramma
van de wasmachine of met radiostemmen
tot ze uit je oren vallen

maar voor mij is walla walla nog het meest
dat wat er ontspannen kan
als ik in het zaallicht mijn lijf terugvind

in een stad
op een stoel
in een nu
in een hoofd

en ik de omringende gesprekken daarbij als goudpan gebruik
waarmee ik uit alle modder één heldere gedachte zeven kan

Sprookjesachtig en het doet een beetje aan Paul van Ostaijen en het dadaïsme denken, maar onverwachts minder onschuldig met een sneer naar de kolonisten. Dit gedicht is vrij omvangrijk en niet moeilijk te volgen, hierop volgt echter voor de verandering een eenregelige gedachte , waar vele lezers waarschijnlijk langer op moeten kauwen om te kunnen consumeren.
Pagina 19, trefwoord ‘omhelzing’

een woord uitspreken is een omhelzing van het benoemde met je mond

Dat is het. Een regel die, anders dan het gedicht ervoor, nu aan zen boeddhistische poëzie doet denken. De bundel schudt je van kosmisch naar korrel, van chaos naar stilte, van gedicht naar gedachte en meerdere verzen bestaan ook nog eens uit passages die ogenschijnlijk geen enkel verband met elkaar hebben. Alles zweeft, net als bij de inhoudsopgave. (En ook als bij de omslag van Veldwerk, waar in een gitzwarte ruimte willekeurig oplichtend afval zeilt).

Toch staat niet alles los van elkaar, soms herhaalt een thema zich bijvoorbeeld in op elkaar volgende gedichten. Pagina 20, trefwoord ‘schilder’, eindigt met ‘ ’s nachts wordt er licht met bakken de lucht in gehoosd’, het volgende gedicht van twee regels begint met ‘er is een nacht in de nacht’, het daarop volgende gedicht eveneens met ‘er is een nacht in de nacht’, het daarop volgende met ‘de Romeinen deelden de nacht op in vier gelijke vakken, de nachtwaken’, en daarna luidt de eerste strofe van het volgende gedicht met:

er is een nacht in de nacht en als ik daarin wakker word
vraag ik me af waar ik woon als mijn ogen me niets komen brengen
vind mezelf alleen in het opflitsen van een accu
ergens achter in de kamer en in mijn hartslag
van jaren terug

Op zichzelf staande fragmenten gerelateerd aan het onderbewuste en aan dromen verbinden zich op deze manier met elkaar. Een rode lijn. Een duidelijk contrasterend verband heeft de eenregelige gedachte op pagina 28 en 29, trefwoord monniken, met het gedicht op pagina 30, trefwoord ‘horlogemaker’.
De gedachte: ‘het waren monniken die ons met het luiden van de klokken leerden de tijd te verinnerlijken’.

In het gedicht erna transformeert een horlogemaker in een automagnaat, die de bewegingen van zijn werknemers met de secondewijzer op laat delen ‘om de daadwerkelijke waarde van een arm te weten’ en hen vergelijkt met robots die de armen kunnen wegklappen, hun lichamen werkeloos aan de band terwijl de tijd doorloopt. De vervaging van de scheidslijn tussen mens en robot. Een vakbondsleider die het onhandig vindt dat robots nog geen auto’s kunnen kopen. Verontrustend. De tijd als mysterie en ankerpunt om te mediteren, en de tijd als bepalend voor efficiëntie en het maken van winst. Time is money.

Terzijde. Iets waar Klein Zandvoort zich een meester in toont, is het een met het ander te vergelijken en het gebruik van beeldspraak: ‘wimpers als insectenpootjes, rotondes als in elkaar gehaakte armen, een nieuwe woonwijk als een opkomend melkgebit’. En over astronomen die meer luisteren dan dat ze kijken op pagina 9, trefwoord ‘oorschelp’: ’om antwoorden te vinden plaatsen we grote oorschelpen / naar de ruimte breken we stenen open graven graven op / slaan de aarde als een deken weg / noemen dat ont-dekking // ik denk omdat we zelf in alle vroegte / onder de bewegende platen / van ons schedeldak raakten ingesloten // heeft weleens iemand door het hoofd van een baby naar het heelal gekeken?’

Tot slot het gedicht op pagina 36, trefwoord ‘retinaschermen’, dat voor mij de poëzie van Bernke Klein Zandvoort goed samenvat.

als ik naar iets kijk lijkt het of ik splits
in een lichaam en een blik
het statief blijft achter

meer dan mijn lijf ben ik wat ik zie

er zijn twee soorten empathie, vertelde iemand me
één waarbij je jezelf blijft
en één die je laat oplossen in de ander

soms doe ik het ooglapje van mijn nicht voor en kijken we samen
naar de plaatjes die door het frame van ons raam schuiven

sinds ze haar oog verloor blijven er in de leegte
van de kas beelden verschijnen
oude mannen, oude dieren, maar vaker zijn het letters
die we opschrijven alsof we gegevens verzamelen

over de eenoog, de tweepoot, en of onze ogen camera’s zijn
of twee amandelvormige retinaschermen

zou het uit bescherming zijn dat onze ogen
niet 360 graden rond ons hoofd zijn geëvolueerd?

De scherpe blik, het goochelen met de waarneming, beelden oproepen die een blind oog ziet,
de mens als camera, het gevaar van overprikkeling, het zit allemaal in dit gedicht.

Al met al is het lezen van Veldwerk zowel een enerverende als verkwikkende ervaring.
____

Bernke Klein Zandvoort (2020). Veldwerk. Querido, 60 blz. € 16,99. ISBN 9789021415413

Geplaatst in Recensies.