Over Nederlands en streektalen (1)

door Willem Tjebbe Oostenbrink


(c) co-produktie Oostenbrinkjes

 

In het voorjaar van 2020 stond in Meander een interview met mij naar aanleiding van mijn nieuwe dichtbundel. Als je in het Gronings schrijft, komt al gauw de vraag voorbij wat de verschillen zijn tussen het Nederlands en een streektaal.

De algemene gedachte is dat het verschil tussen het Nederlands en de streektalen kleiner wordt doordat streektalen meer naar het Nederlands toekruipen en er minder nieuwe woorden in de streektalen bijkomen. Tegelijkertijd zie je een verandering in tegengestelde richting, door actieve wijzigingen binnen het Nederlands die worden gestimuleerd door beleid, onderwijs en communicatie.  Ontwikkelingen in het Nederlands van de laatste decennia zijn:
– het ontmoedigen van de datief in verschillende vormen.
– de voorkeur voor zinnen in de bedrijvende vorm en dus geen lijdende vorm.
– het ontmoedigen van het gebruik van de werkwoorden zullen en moeten.

In deze column zal ik op de datief ingaan. Wie Duits geleerd heeft, is bekend met de datief als derde naamval. In het Nederlands wordt de derde naamval gelijkgesteld aan het meewerkend voorwerp (mv). Dat levert wat gekunstelde grammaticaregels op. In het algemeen kun je stellen dat een meewerkend voorwerp in diverse vormen binnen het Nederlands aanwezig is. In de Nederlandse les wordt er weinig aandacht aan besteed. Wellicht kan deze column een kleine omissie goed maken. Op internet kun je een mooi overzicht van Leonard Loonen vinden over het gebruik van de datief in het Nederlands (https://nardloonen.nl/2013/03/12/datief-dativus/).

Een paar voorbeelden. Ik vind het te koud om buiten te zitten – vs – t Is mij te kold om ien buten te zitten (Het is mij te koud om buiten te zitten). Ik vind dat raar – vs – Dat komt me vremd veur (Dat komt me raar voor). Hij vindt het al gauw te veel. t Is hum gaauwachteg teveul (Het is hem gauw te veel). Dat vindt hij leuk – vs – Dat liekt hum mooi toe. [Het is niet zo dat de vertaalde streektaal-zinnen niet in het Nederlands kunnen, maar ze komen wat minder modern en nieuw over.]
In het Gronings komen meer zinnen met datief voor, waarin een gemoedsstemming, mening of indruk wordt geformuleerd. Het zijn zinnen waarbij een koppelwerkwoord (schijnen, zijn, voorkomen, blijken, etc) gebruikt wordt met een datief.  Het persoonlijk voornaamwoord staat niet in het onderwerp (ik, hij, wij) maar in het meewerkend voorwerp (me, hem, ons).  Dat kan onpersoonlijk of soms onduidelijk overkomen, het kan ook ruimte bieden. Ruimte om de persoon wat losser te zien van een gemoedstoestand en een indruk. De zinnen vestigen minder de aandacht op de persoon. In poëzie biedt het andere mogelijkheden om sfeer te beschrijven.

Een andere schrijfwijze van het persoonlijk voornaamwoord geeft ook minder gewicht aan ‘ik’. Ik word in het Gronings vaak ‘k’ en daarmee krijgt het minder nadruk. Wa’k denk en wa’k doe verschilt, mor dat zel n aander noeit ervoaren zolang k mij doar niet over uutloat.

In het Nederlands heb je wel verkortingen zoals Ik heb het d’r (haar), ie (hij), ‘m (hem), ‘ns (eens), maar als je naar Nederlandse teksten kijkt, worden ‘het’, ‘een’ en ‘ik’ nauwelijks nog afgekort. In de vorige eeuw kwam je dit regelmatig tegen, en niet alleen in gedichten met rijm om het metrum goed te krijgen. In het Engels en Duits wordt meer gebruik gemaakt van afkortingen, vooral bij dialogen en gesproken woord. (I’ll follow. Isn’t it funny, or haven’t you heard this before?). Zouden die dialogen ook natuurlijker overkomen?

Bijzonder in het Nederlands is weer de invloed van chatten. Op de mobiel wordt het woordje ‘ik’ de laatste jaren helemaal weggelaten. Dat lijkt me een mooi gegeven om te kunnen constateren dat er ruimte is om alleen een k te schrijven, eventueel met apostrof.

 

 

Geplaatst in Column.