Joost Zwagerman – Verzamelde Gedichten

‘Alles wat aan taal ontsnapt’

door Peter Vermaat



Joost Zwagerman en ik zijn allebei van 1963 en daarmee zijn we tijdgenoten. Dat geldt niet alleen voor de beelden van krant en acht uur-journaal, die we beiden met ongeveer even oude ogen hebben gezien, maar zeer waarschijnlijk ook voor onze onbewuste waarnemingen van landschap, geur en smaak. Naar ik vermoed zijn we ook ongeveer gelijktijdig in aanraking gekomen met poëzie en daarmee met de subliminale kwaliteiten van taal.

De verschillen lijken veel groter dan de overeenkomsten. Al vroeg had Zwagerman oog voor publiciteit en rumoer en met zijn bentgenoten de Maximalen baande hij zich een weg naar de literaire oligarchie, de clique van hen ‘die ertoe doen’. Ik vond hem destijds weinig meer dan een poseur en onder de naam Joost Kwalgervan heeft hij in mijn polemische stijloefeningen de verwondingen van zo ongeveer ieder denkbaar steekwapen moeten incasseren. Ook de receptie door de beroepsmatige literaire kritiek was niet onverdeeld positief: ik herinner me een bespreking van De ziekte van jij, die door de recensent werd geduid als ‘een nog niet genezen geval van de ziekte van ik’.

In de decennia die volgden, bevond Zwagerman zich overwegend in het verre achterland van mijn bewustzijn. Ik registreerde de titel Roeshoofd hemelt en nam kennis van het verschijnen van essays en romans, ik las Vals licht zonder dat er mij veel van is bijgebleven en enkele jaren geleden was daar het bericht van zijn zelfgekozen dood. Waarschijnlijk was die toestand onveranderd gebleven als ik het optreden van Wende Snijders en Ludowic bij ‘De wereld draait door’ niet gezien had. Hoewel Wende in het gedicht ‘Voor alles’ uit de gelijknamige bundel op enkele plaatsen (zoals bij lezing bleek) flink gesnoeid heeft, drong Zwagerman’s taal in de vorm van die liedtekst op een onvermijdelijke manier tot mij door. Met name de passage ‘alles wat aan taal ontsnapt’ in combinatie met de beschreven angstwekkendheid daarvan bracht mij tot een plotseling begrip van zijn schrijverschap.

Want als er één ding overeind blijft van het verder vrij oppervlakkige voorwoord van Ellen Deckwitz bij deze Verzamelde Gedichten, dan is het wel dat Zwagerman zich tot de taal verhield als omnifaag en omnisecreet, oftewel zowel allesverslinder als allesuitscheider. Geen tekst zo verheven of zo plat, je leest hem in zijn poëzie. Ik vermoed dat dit niet alleen iets zegt over wat Zwagerman wilde teweegbrengen in de literatuur, maar ook over de plaats die hij toekende aan de poëzie in het totaal van zijn werk. Mogelijk past hierin ook de wel heel burgerlijke anti-burgerlijkheid die hij nogal eens belijdt: ‘(…) roeshoofd ziet op tv de kroonprinses / hij hoort de tango van haar stem / hij denkt heeft haar klit een piercing / en draagt ze misschien een tepelklem (…)’ (p. 227).

Zwagerman is geen dichter pur sang, in de zin dat het steeds moet gaan om dat volgende, maar nu dan ultieme gedicht. Daarvoor schreef hij ook te veel andere teksten en daarvoor is zijn nadruk op de entiteit van de bundel ten opzichte van het individuele gedicht simpelweg te groot. Mogelijk word ik nu op het verkeerde been gezet door de samenstelling van de Verzamelde Gedichten, die uitsluitend bundels omvatten (en geen verspreid gepubliceerde, maar niet gebundelde gedichten), maar – wellicht met uitzondering van zijn debuutbundel Langs de doofpot – bij al deze bundelingen lijkt het juist niet te gaan om een achteraf herkend of toegepast thematisch verband, maar daarentegen om een vooraf opgezet thematisch raamwerk, waarbinnen alle gedichten geschreven zijn en gepresenteerd worden. In die zin zou je alle dichtbundels van Zwagerman, te beginnen bij De ziekte van jij, met even veel recht kunnen kenschetsen als romans in poëzievorm. En mogelijk juist om die reden ontberen zij de afwisseling van ‘regulier samengestelde’ gedichtenbundels, wat Deckwitz tot haar enigszins doorzichtige advies aan de lezer brengt om dit verzamelwerk bij voorkeur steeds op willekeurige plaatsen open te slaan en van daar af aan het lezen te gaan.

Tijd voor een gedicht. Bij het bespreken van een boek van bijna 300 pagina’s is het vrijwel onmogelijk om de daarin gepresenteerde poëtische ziel van de dichter, of zo je wilt de ‘Werdegang’ vanaf het debuut tot en met de laatste – ook nog postuum uitgegeven – bundel, te kenschetsen en deze bewering met treffende citaten te adstrueren. Daarom gaat het mij ook niet. Er zijn gedichten die mij raken en dit is er absoluut één van:

Lief

Mijn lief, wees alsjeblieft
heel lief voor mij, nu God
mij denkelijk heeft uitgewist.
Mijn lief, blijf alsjeblieft
heel dicht bij mij. Misschien
word ik door God gemist.

Mijn lief, vertrouw ook
nu op mij. Ik ben niet weg,
God ademt mij. Mijn lief,
wees alsjeblieft heel lief
voor mij. Misschien heeft God
Zich in mijn dood vergist.

[p. 386]

Dit op één na laatste gedicht van de bundel Wakend over God, dit eigen De profundis toont mijns inziens de dichter Zwagerman in zijn gerijpte poëtische kwaliteiten, waarbij hij zowel klank en ritme als rijm inzet voor een korte, ultieme, persoonlijke en tegelijkertijd ook bovenpersoonlijke bezwering. Hier lees ik taal waaraan nauwelijks iets ontsnappen kan. Deze laatste bundel bevat wat mij betreft Zwagerman’s beste poëzie. De ontwikkeling, die in de voorlaatste bundel Voor alles al is ingezet, resulteert hier in een veel soberder gebruik van de taal, waarbij de muzikale kenmerken daarvan veel beter tot hun recht komen dan in zijn vroegere bundels, waarin niet alleen woorden, maar ook stemmingen, onderwerpen, verhevenheid en vulgariteit, grootspraak en understatement over elkaar heen buitelen als de ingrediënten van een smoothie in de blender:

(…)
En toch. Schuif alle sieraad van je pols en pink
en stapel alle waarden op tot bloeitijd van de zonnebloemen
die je bedframe lekker hebben opgekitscht – dan nog
is het niet hoog genoeg voor zingpracht over blijf en binnenzee,
wadgekust en schoongemorst, opgezeefd en leeggevuld,
de heiligdunk van liezen, larf, droeve schokgolf, zelfs je geurvlag
op een sokkel, armband die ik met dichtersjicht en carambole
recht en krom en rond weer buig tot het lichtste aureool.
Zo te doen en zingen. Jaag ik je direct mee weg,
jij, praalverdruild en warrelend van nazweet.
Daarom: afplaktape op de zwijmelbek
van de gedateerde schout-bij nacht.
(…)

[p. 117]

Aan de allesuitscheider Zwagerman gaat de omnifaag vooraf, de alles-wat-werkelijkheid-is-schrokkende, bijna manische persoon die al wat is, wat was en wat zijn kan wil omvormen tot taal, voortdurend bang voor ‘alles wat aan taal ontsnapt’. Wat in taal is vastgelegd is immers beheerst, heeft een plaats waarnaar je desgewenst kunt terugkeren en is opnieuw ter hand te nemen. Alles wat daarbuiten blijft, kan op de loer liggen en je als een plotseling van achteren tegen je knieën terugzwiepende tak onderuit halen.

Het gevolg van die overdaad aan taal is dat de dichter in die woordenvloed verzopen lijkt. In het keer op keer naar voren schuiven van de ene na de andere werkelijkheid blijft de dichter buiten schot. In het zeggen vanuit zovele monden (geciteerde voorgangers of de eigen mombakkes incluis) is alleen wat de dichter zelf spreekt of verzwijgt van belang voor de lezer van zijn gedicht. In het postmoderne leentjebuur spelen van allerlei wat anderen al geschreven hebben, is die volledigheid tegelijkertijd zowel een principiële keuze als een schaamlap voor het gebrek aan identiteit.

Op het gevaar af om een filosofische en daarom per definitie meer tijd en ruimte eisende discussie over identiteit als begrip bij de wortel af te snijden, stel ik dat iedere poëtische uiting van een schrijver, die daarnaast ook fictie en beschouwend proza schrijft, ten principale problematisch is – waar proza vooral vraagt om beeld en betekenis, om redenering en vertelling, is het in poëzie te doen om de suggestie van wat er juist niet gezegd en dus leesbaar is. Die suggestie vergaat bij citatie. Wie bij Leopold leest: ‘mijn lief, mijn lief, o waar gebleven’, voelt een andere luchtstroom en ziet andere kleuren dan wanneer hij het bij Zwagerman als citaat herkent.

En wie deze Verzamelde Gedichten leest, komt meer dichters tegen, die soms in pastiche, soms in rechtstreekse ontlening in de gedichten opduiken: Gorter, Kopland, Nijhoff en een rij anderen. Al deze huiden, de intertekstualiteit, de vuilniswagen en de prijsuitreiking van de werkelijkheid, het Zwagermans woordenboek van neologismen, heeft hij echter afgelegd in zijn voorlaatste bundel en in zijn laatste definitief over de rand de diepte ingeschoven. Zijn onderste huid toont de littekens en de nog verse schaafwonden. ‘Voor alles altijd bang geweest’ is zowel een bekentenis als een ding van taal met melodische kwaliteiten:

(…)
Voor alles altijd overtuigd, hoog in de adem
en zuiver in de leer tot in het merg bang geweest,
op het stupide en futiele af,
met oogkleppen en hondentrouw.
Voor alles altijd bang geweest,
ook in tijden waar je alles
op de vingers van één hand.
Voor alles altijd bang geweest,
maar niet voor jou,
nee, niet voor jou.[p. 288]

De lezer weet dat de dichter, zich niet alleen richt tot die particuliere ‘jij’ uit zijn eigen biografie, maar ook tot hem of haar. Voor alles altijd bang geweest, maar niet voor de taal. Slechts voor wat daaraan ontsnappen kan.
____

Joost Zwagerman (2020). Verzamelde Gedichten. Arbeiderspers, 392 blz. € 29,99. ISBN 9789029540766

Geplaatst in Recensies.