Klassieker 251: Ed Hoornik – Op school stonden ze…

door Herbert Mouwen

Meander Klassieker 251

Herbert Mouwen bespreekt ‘Op school stonden ze…’, een van de bekendste gedichten van Ed. Hoornik. Het is een van de dertien sonnetten uit de bundel Het menselijk bestaan (1952). Het gedicht gaat echter niet over een taalles of over onderwijzen, maar via de woorden hebben en zijn geeft Ed. Hoornik een specifieke betekenis aan de woorden lichaam en ziel.

Op school stonden ze…


Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was de tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werkelijkheid, de andre schijn.

Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven de dingen uitgeheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.

Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.

Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.


Ed. Hoornik (1910-1970)
Uit: Het menselijk bestaan (1952)

Lichaam en ziel

Na de Tweede Wereldoorlog gaat de poëzie van Ed. Hoornik (1910-1970) vooral over het overleven van het concentratiekamp Dachau en over de dood. Twee voorbeelden van bundels met deze thematiek zijn Ex Tenebris (1948) (‘uit de duisternis’) en De vis (1962), een prozagedicht dat gebouwd is rondom vragen als ‘Wat is dood?’, ‘Wat is God?’ en ‘Wie ben ik?’. Het gedicht ‘Op school stonden ze…’ is opgenomen in de bundel Het menselijk bestaan (1952).

Een onderwijsgedicht?

‘Op school stonden ze…’ is een van de bekendste gedichten van Ed. Hoornik. Het is op internetsites en in bloemlezingen en schoolboeken terug te vinden. Opvallend is dat het gedicht al dan niet bewust is aangepast. Zo is het ook bekend onder de titel ‘Hebben en zijn’ en ‘Zijn en hebben’. In deze laatste versie koppelt de auteur het gedicht aan de vermaarde documentaire Être et Avoir (2002) van Nicholas Philibert over een dorpschooltje. De dorpsonderwijzer Georges Lopez eiste in een rechtsgeding € 50.000,- van de maker, omdat de film zo’n succes was. Lopez werd de grote verliezer en moest bovendien de proceskosten betalen. Deze internetbespreking eindigt als volgt: ‘Arme meester Lopez. De wereld hield van hem zoals hij was (être), en nu wilde hij zijn nieuwe status omzetten in bezit (avoir). Maar zo werkt het niet. Dat had Ed. Hoornik hem kunnen vertellen.’ Nou ja, ‘Op school stonden ze…’ koppelen aan een onderwijsdocumentaire van veertig jaar later en dan tot de conclusie komen dat zelfs een sympathieke leraar zich kan ontwikkelen van idealist tot materialist, is mij te simpel. Hoe ver mag je gaan bij de interpretatie van dit gedicht?

Het onderwijsveld heeft zich dit gedicht toegeëigend. Het gaat over ‘school’ en over ‘het werkwoord hebben en het werkwoord zijn’. De lezer komt in de twee inleidende versregels terecht in een les Nederlandse taal, waarin deze werkwoorden behandeld worden. De volgende twaalf versregels gaan niet over het onderwijs en al helemaal niet over een taalles. De betekenis van de begrippen hebben en zijn verklaren zoals in het gedicht gedaan wordt, zou bij de scholieren erg vreemd overkomen. De afgelopen jaren heb ik bij het afscheid van een collega-docent verschillende keren naar dit gedicht moeten luisteren, wanneer het werd voorgedragen door een lid van het management. Daarna werd het gedicht ‘misbruikt’ om uit te leggen dat de gepensioneerde een uitstekende taaldocent was. Met een sprong van de eerste twee versregels naar de laatste strofe – de verzen drie tot en met elf werden gemakshalve overgeslagen – werd aan de hand van enkele zinsneden uit het laatste terzet – ‘Zijn is de ziel, is luisteren,’ en ‘is kind worden’ – vastgesteld dat de collega die afscheid nam uitstekend met de leerlingen overweg kon, altijd naar hen luisterde en een groot inlevingsvermogen had in de wereld van de jongeren.

Hoornik was geen onderwijsdichter, ‘Op school stonden ze…’ is geen onderwijsgedicht. Het is gepubliceerd in een bundel met de titel Het menselijk bestaan, die zeven jaar na de oorlog werd uitgebracht. Een periode waarin de dichter naar manieren zocht om met de gruwelen die hij in Dachau had ondergaan om te gaan en waarbij zijn dichterschap cruciaal was. Aan de inhoud van die bundel en de plaats daarin van ‘Op school stonden ze…’ kan je niet voorbijgaan, wanneer je op zoek gaat naar de diepere betekenis van dit gedicht.

‘Op school stonden ze…’

Het gedicht heeft een sonnetvorm: twee kwatrijnen, twee terzetten en een rijmschema abab abab ccd eed. Er is een formele grens tussen octaaf en sextet, zoals het schema van rijmklanken laat zien, maar een volta ontbreekt. Dit gedicht heeft inhoudelijk gezien een andere opbouw, waardoor het in de bundel opvalt, omdat het afwijkt van de andere twaalf sonnetten die wel een volta hebben. Het gedicht heeft een structuur waar in twee stappen aan de hand van vergelijkingen een explicatie wordt gegeven van hebben en zijn. De vraag is of dit wel een (geslaagd) sonnet is, want een inhoudelijke wending ontbreekt. Het gedicht is in ieder geval een speciale variant op het sonnet. In de andere twaalf sonnetten van Het menselijk bestaan varieert de dichter ook met de strofe-indeling en het rijmschema. Blijkbaar dicht Hoornik zich die vrijheid toe. ‘Op school stonden ze…’ is het enige gedicht in de bundel dat met de woorden hebben en zijn een onpersoonlijk zij-perspectief heeft; de andere twaalf sonnetten hebben een ik-perspectief.

In het eerste kwatrijn (verzen 1-4) worden de twee werkwoorden met andere begrippen verbonden. De eerste identificatiereeks van ‘Hebben’ is ‘tijd’ is ‘werklijkheid’; de identificatiereeks van ‘Zijn’ is ‘eeuwigheid’ is ‘schijn’. In het tweede kwatrijn (5-8) volgen de eerste explicaties van hebben (5-6) en van zijn (7-8). De verklaringen van het werkwoord ‘Hebben’ zijn ontkennend, negatief en ‘van de wereld en haar goden’. Bij de uitleg van het werkwoord ‘Zijn’ is de indirecte verwijzing naar ‘Hebben’ opmerkelijk: ‘Zijn is, boven die dingen uitgeheven,’ en dan volgt ‘vervuld worden door goddelijke pijn.’ Boven het aardse (‘die dingen’) is er voor de mens het geloven in het ‘goddelijke’, maar die vervulling betekent ‘pijn’ en lijden.

Het eerste terzet (9-11) bevat de tweede explicatie van hebben, dat verbonden wordt met ‘lichaam’ en ‘is hard’ en met aardse zaken, zoals de lichamelijke begeerte, de erotiek, het zinnelijke (‘Is twee borsten’). Ook zaken die verplicht verricht moeten worden en betekenisloos zijn, omdat er niet vrijwillig voor gekozen is, worden genoemd (‘botte plicht’). En dan is er nog het ‘hongeren en dorsten’ naar het aardse. Deze strofe toont de gevangenschap van de mens, indien hij slechts gehecht is aan wereldse ‘dingen’.

Het tweede terzet (12-14) bevat de tweede explicatie van zijn. ‘Zijn is de ziel’ is nu de verklaring en wil de mens dat bereiken dan moet de mens terug naar de prilheid en onschuld van een kind. ‘Zijn’ is ‘kind worden en naar de sterren kijken’. De verwijzing naar het Nieuwe Testament (Matteüs 18:1-5), waarin Jezus tegen zijn leerlingen zegt dat als zij niet veranderen en gaan geloven als een kind, zij het Koninkrijk Gods niet kunnen binnengaan, is herkenbaar. Het betekent wel dat de mens zich ontvankelijk moet opstellen, hij moet ‘luisteren’ en ‘wijken’ en dan kan hij ‘langzaam worden opgelicht’ naar het verheven ‘zijn’-stadium van ‘de ziel’.

Het gedicht heeft geen strak metrum. Metrisch gezien gaat Hoornik speels om met de vijfvoetige jambe en de trochee. Met deze laatste versvoet kan hij woorden als ‘Hebben’ en ‘Zijn’ die enkele malen voorop geplaatst zijn accentueren. De alliteraties in ‘Hebben is hard’ en ‘Zijn is de ziel’ vallen op. De dichter herhaalt niet telkens de twee werkwoorden, maar door herhaling van het woord ‘Is’ wordt de aandacht op dat woord gevestigd. Deze ‘Is’-herhalingen geven het gedicht een eigen ritme. De zinsbouw, de woordkeus en de metaforiek zijn eenvoudig en maken het gedicht toegankelijk, maar niet zonder meer gemakkelijk om het te begrijpen.

Het menselijk bestaan

‘Op school stonden ze…’ verschijnt voor het eerst in de bundel Het menselijk bestaan, die dertien sonnetten bevat en – zoals het ‘Colophon’ vermeldt – ‘geschreven is op 19 en 20 Juni 1951.’ Het is het tiende gedicht in de reeks.

In het eerste sonnet ‘Al wat ik was…’ vraagt de lyrische ik zich in de eerste twee versregels af: ‘Al wat ik was ging onder de Lethe. / Wat ben ik nog? Een lijkgezicht, een vlek’. De opsomming eindigt in vers acht met: ‘een schepsel Gods, door duivelen bezeten.’ Lethe is in de Griekse mythologie de godin van de vergetelheid die zich manifesteert als een rivier in het dodenrijk, waaruit de doden drinken om hun aardse leven te vergeten. Echter, in het eerste terzet lezen we:

Ik ben zo blindelings aan mijzelf verknocht,
dat ik dit aards bestaan zou kunnen dragen,
als ik de dood een oogwenk overmocht
.

In het afsluitende terzet is het dichterschap de uitdaging om het aardse leven weer op te pakken:

Wanneer ik verzen schrijf, is het alleen
wat zich als leven voordoet uit te dagen:
het lichaamloze, want de rest is steen.

Door enkele verzen te citeren uit de sonnetten twee tot en met negen wordt de thematiek duidelijk: ‘de dood en ik, wij lopen altijd samen: de spiegelruiten zijn genadeloos.’ Hij dicht ook: ‘Voor mij was doodgaan denken aan mijn moeder,’ en ‘Later werd doodgaan tot een daaglijks ding;’. De paradox ‘dat ik, gestorven, nog in leven ben.’ laat zien hoe gecompliceerd de thematiek is.

Het elfde sonnet met de titel ‘Voorbij de laatste grenzen…’ neemt de lezer in de eerste versregels mee naar een verlangen:

Voorbij de laatste grenzen gaat mijn droom,
waar de aarde ophoudt en het niet begint;
ik wil gering zijn als ’t geringste kind,
als ik maar mag door die gesloten boom.

Alles wat ziel is, wordt daar autonoom;

De betekenis van dit gedicht wordt duidelijk. De lyrische ik is bereid kind te worden en denkt dan zijn doel, de ziel die autonoom is, te bereiken:

Nu zal ik het bereiken. Het begint.
Breken moet ik, breken de dunnen draad,
die mij aan het bestaan op aarde bindt.

Maar ‘door een plotselinge slag verblind’ kijkt de ik ‘omlaag en dan is het te laat’.

In het twaalfde gedicht ‘Dansend onder…’, dat in de verleden tijd geschreven is, is de lyrische ik opgenomen in de stoet van ‘uitverkorenen’. Achter hem lopen ‘de somberen van mijn eigen land, dansend als ik’. Sommigen zijn gewond geraakt. Velen zullen aan dit gedicht een religieuze interpretatie geven: de dag des oordeels is aangebroken. Het is echter de persoonlijke levensweg van de lyrische ik die wegleidt van het aardse op weg naar het hogere.

In het slotgedicht ‘De ochtend’ keert de lyrische ik terug naar het schrijverschap. De openingsstrofe is veelzeggend:

De zwarte band die om mijn voorhoofd knelt,
wordt, als ik even weg ben uit het schrijven,
losser. Ik adem op. De dag wint veld.
De ziel kan niet zonder het lichaam blijven.

Het dichten geeft de lyrische ik adem (‘Ik adem op’) en de nacht wordt weer dag (‘De dag wint veld.’). Schrijven heeft een louterende werking. De dichter beseft dat de ziel niet zonder het lichaam kan. Of zoals het in de elfde versregel staat: ‘Lichaam en ziel zijn weer in evenwicht’. Uit de duisternis treedt de lyrische ik ‘naar buiten in het morgenlicht’. Heeft de dichter een moeilijke nacht van schrijven achter de rug of staat in de laatste strofe ‘Over mijn vochtig en vermoeid gezicht’ voor zijn oorlogservaringen of voor het gehele menselijke bestaan? Het slot van het gedicht én de bundel is een catharsis, een nieuw begin:

Over mijn vochtig en vermoeid gezicht
vallen de eerste warme zonnestralen.
Ik adem, ik doe niets dan ademhalen.   

Tot slot

Ed. Hoorniks gedicht ‘Op school stonden ze…’gaat niet over een taalles en ook niet over materialisme en idealisme. De dichter geeft via de woorden hebben en zijn een specifieke betekenis aan de woorden lichaam en ziel, die in Het menselijk bestaan verbonden zijn met het begrip dood en zijn dichterschap. De context van de andere gedichten in de bundel geeft ‘Op school stonden ze…’ zijn betekenis. Niet dat het ongeoorloofd is een gedicht als een autonome tekst, los van tijd en context waarin het geschreven is, een nieuwe betekenis te geven, maar het kan onderdeel van een reeks gedichten zijn, is meestal gepubliceerd in een bundel en maakt deel uit van het oeuvre van de dichter. Wanneer je recht wil doen aan de betekenis van een gedicht, dan kan je het niet zomaar losmaken van die contexten.

Herbert Mouwen

 

Geraadpleegde literatuur

Ed. Hoornik, Het menselijk bestaan. Gedichten. ’s-Gravenhage 1952.

Martien J.G. de Jong, Eén perron maar drie treinen. Den Brabander, Van Hattum, Hoornik. Leiden z.j.

Geraadpleegd maart-april 2021:

Meander Klassiekers

In deze rubriek bespreken we elke maand een bijzonder gedicht, dat de tand des tijds heeft doorstaan. Of zal doorstaan. Sinds 2000 zijn in deze reeks ruim 200 analyses verschenen. Klik hier voor recente klassiekers, en hier voor een overzicht van de klassiekers vanaf 2000 – heden.

Reageren op deze bespreking?

Neem contact op met de redactie: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Zelf een bijdrage leveren?

Mocht u zelf ideeën hebben voor een bespreking, neem dan tijdig contact met ons op: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Joost Dancet, redacteur Meander Klassiekers

Geplaatst in Klassiekers.