Vrijheid als kunstwerk

door Rogier de Jong

Vanwege corona mochten we dit jaar allemaal onze verkiezingspotloden mee naar huis nemen. Tien miljoen stempotloodjes – wat gaan we met al dat schrijfgerei doen? Niet in het ronde archief kieperen, we willen ten slotte ook niet dat onze stem in het niets verdwijnt. Laten we ze verzamelen en er een Nationaal Monument van maken, op de Dam.

foto Geschiedenislokaal Waterland

Volgens het CBS zijn er op dit moment zo’n dertien miljoen kiesgerechtigden in Nederland. Ruim tachtig procent daarvan is op 17 maart komen stemmen en heeft dus een rood potloodje mee naar huis kunnen nemen. Onder die tachtig procent zit een groot contingent jeugd. En dat is opmerkelijk, omdat bij de vorige Tweede Kamerverkiezingen de jeugdige belangstelling juist terugliep. Wat heeft de jeugd bewogen om in groteren getale te gaan stemmen dan vier jaar geleden?

Wellicht de Fortuynfactor. Er zijn nieuwe partijen opgekomen die radicaal breken met de oude vormen en gedachten. Dat jongeren zich tot die partijen aangetrokken voelen, partijen die door anderen niet worden gepruimd, om niet te zeggen verketterd, doet aan de waarde van de politieke betrokkenheid van jongeren niets af. Los van de hoop dat we hier met een groeifase te maken hebben – de wijsheid komt met de jaren – behoort foute keuzes maken tot de goedheid van de democratie.

Jongeren beleven vrijheid anders dan hun ouders en grootouders. Er wordt weleens badinerend gezegd dat ze vrijheid zien als een polis van (consumenten)rechten zonder tegenprestaties. Ja, wat wil je ook als je opgegroeid bent in vrijheid en voorspoed. Anderzijds herbergt deze vrijheidsbeleving ook een schaduwzijde in zich. Onze vrijheid is het resultaat van onvoorstelbare menselijke offers die haar allerminst tot een vrijblijvende en vanzelfsprekende zaak maken. De stokoude generatie die de oorlog meegemaakt heeft, kan zich de ontberingen nog goed herinneren, evenals het vergrijzende geboortecohort dat door diezelfde stokoude generatie bestraffend werd toegesproken in de trant van: ‘Jullie hebben de oorlog niet meegemaakt’ (want dan was het gauw afgelopen geweest met die hippiecapsones).

De kern van gedenken en herdenken is het openhouden van het luik naar het verleden, zodat iedereen weer even over de rand kan gluren en terugdeinzen in het besef van de waarde van vrijheid en democratie.

Traditioneel herdenken we onze slachtoffers en vieren we onze vrijheid op 4 en 5 mei. Het Nationaal Monument op de Dam speelt daarin een centrale rol, de rol van heilige schrijn. De pyloon van Jacobus Johannes Pieter Oud uit 1956 met op de gedenkwand het verheven gedicht van Adriaan Roland Holst straalt sacraliteit uit:

Nimmer, van erts tot arend, was enig schepsel vrij onder de zon,
noch de zon zelve, noch de gesternten.
Maar geest brak wet en stelde op de geslagen bres de mens.
Uit die eersteling daalden de ontelbaren.
Duchtend zijn hoge blik
deinsden hun zwermen binnen de wet terug
en werden volkeren en stonden elkander naar het leven,
onder nachtgewolkten verward treurspel, dat wereld heet.
Sindsdien werd geen mens vrij dan ontboden van boven zijn dak,
geen volk dan beheerst van boven zijn torens.
Blijve ons dat bij,
verlost als we werden uit het schrikbewind van een onderwereld.
Niet onbeheerst, doch enkel beheerst van boven de wereld
blijft vrijheid ons deel.

Ik vraag me altijd af als ik voor het Monument sta en de jongeren zie die het als hangplek gebruiken, of ze zich bewust zijn van de betekenis van het kunstwerk. Cognitief weten ze waarschijnlijk wel dat het een vrijheidsmonument is, maar ik durf er een lief ding om te verwedden dat de gevoelswaarde van het kunstwerk voor hen museaal is. Wie tijdens een zonovergoten vakantie een Italiaanse kathedraal binnenloopt, kent het gevoel. Maar is museale plechtigheid voldoende om jongeren te winnen voor de gedachte dat vrijheid niet vanzelfsprekend is, maar dat ze – in Nietzschiaanse termen – een kunstwerk is waaraan je moet blijven kneden en schaven? En waarin je je eigen aandeel herkent?

Zo kwam ik op de wellicht absurdistische gedachte om het Nationaal Monument op de Dam te vervangen door een nieuw kunstwerk. Een kunstwerk gemaakt van tien miljoen rode potloden – de stempotloden die we dit jaar mee naar huis mochten nemen om anderen niet te besmetten. Maar mochten de potloodjes al een virus bevatten, dan toch zeker het stemvirus, de moeite die door tien miljoen mensen is gedaan om naar een geestdodend hokje te komen in een nog geestdodender wijkgebouw.

Als ik beeldend kunstenaar was, wist ik het wel: ik zette een campagne op om al die tien miljoen stempotloden te verzamelen en er een kunstwerk over vrijheid en democratie van te maken. Als het klaar was, mocht het op de Dam in Amsterdam komen, ter vervanging van het huidige betonnen standbeeld uit 1956 (mét travertijn), dat een waardige oude dag in het museum verdient.

Een Nationaal Monument gemaakt van rode stempotloden: wat een krachtige en prachtige uiting zou dat zijn van het kunstwerk van onze vrijheid. Tien miljoen rode stempotloden bijeengebracht in één Nationaal Monument – wie daar onbewogen bij blijft, heeft een balk in zijn oog.

Geplaatst in Column.