Een kerkhof

door Hans Franse

Naast de Testaccio, achter de piramide van Caius Cestiu’, bij de Porta San Paolo, aan de vroegere buitenrand van Rome, ligt een van de mooiste kerkhoven die ik ken. Na een hete dag in de stad, na eindeloos lopen, zoek ik vaak verkoeling en stilte op dit niet-katholieke kerkhof, waar de buitenlanders die van Rome hielden, maar niet tot de universele Romeinse kerk behoorden werden begraven.
Het is aangelegd op een langgerekt stuk grond. Er loopt een muur omheen, waarin een poort. Soms staat de deur open, soms moet je bellen. Dan doet een tuinman open en sta je in een rijke oase van groen. Het is een vol kerkhof.
Hier ligt de teringachtige Engelse dichter John Keats begraven, naast zijn vriend Joseph Severn, die drie maanden bij hem bleef op zijn sterfbed in Keats’ huis bij de Spaanse trappen. Severn overleefde zijn vriend lange tijd en verwierf nog een eervolle functie in de eeuwige stad. Hij verloor zijn zoontje die ook begraven is naast het dichtersgraf. Niet voor niets staat op de grafsteen: ‘Devoted friend and deathbed companion of John Keats.’
De dood kan romantisch zijn: tegen de hoger gelegen muur, vlak achter de piramide, begroef Trelawney het hart van Shelley nadat hij verdronken was tijdens een zeiltocht en aangespoeld bij Lerici. Hoewel zijn stoffelijk overschot verbrand was op het strand bij Villareggio, werd zijn hart bijgezet op dit kerkhof. De dichter van Endymion had immers zijn hart verloren aan het Rome van de klassieken: zijn hart hoorde hier thuis. Zoals het hart van Chopin in Polen is bijgezet als teken van zijn heimwee naar zijn geboorteland, zo werd het heimwee, het romantische verlangen van de romanticus Shelley hier uitgedrukt.

De eerste keer dat ik het kerkhof bezocht, was ik op zoek naar het graf van Peter Scharoff, de Russische toneelregisseur, leerling van Stanislawsky, die in Nederland in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw voorstellingen regisseerde van de toneelstukken van Anton Tsjechow met onze grootste acteurs. Het waren voorstellingen vol details en bijna verkleinde emoties: De drie zusters, De Kersentuin, Oom Wanja. De voorstellingen werden bewonderd en waren spraakmakend, maar stil en langzaam, zonder traag te worden: een intense melancholieke theaterervaring zoals die waarschijnlijk nu niet meer kan. Mari Andriessen, de Haarlemse beeldhouwer, heeft op verzoek van bewonderaars, een klein grafmonument gemaakt, dat ik wilde zien. Het betrof de afscheidsscène uit De drie zusters. Het kleine bronsje werd gestolen, vervangen en weer gestolen: toen ik er kwam stond er een zwart-wit foto op het graf. Het was droevig te zien hoe mooi het had kunnen zijn.
Later, toen ik even in Rome was en het kerkhof in lentetooi, zag ik dat het beeldje van Mari Andriessen er weer was: niet in brons maar in steen met de kleur van terracotta. Hoe klein het was zag ik toen mijn lieve A. zelf beeldhouwer, het beeldje van dichtbij bekeek. Een klein stukje concrete Nederlandse aanwezigheid, zij het aan de rand van de stad.

Eens op een herfstdag zonder veel zon, wat bedekte grijze melancholie, liep ik er weer. Struikelend over de katten die een luisterrijk leven leiden op deze beschermde plek, belandde ik op dat deel van de begraafplaats waar de Grieks- en Russisch-orthodoxe christenen zijn begraven. Het is een stille plek aan het uiteinde van de begraafplaats onder hoogopgaande bomen, die het licht zeven en zacht maken.
Daar stond zij, helemaal alleen, in volmaakte stilte: een jonge vrouw, een van de drie zusters: ze was niet naar Moskou maar naar Rome gereisd op zoek naar haar verloren geliefde. Ze huilde niet, ze was verdriet. Stil, zonder een woord stond ze voor een graf. Alles aan haar houding wees op groot, innig doorleefd verdriet. Het was juist de volmaakte stilte, georkestreerd door het ruisen van de wind in de pijnbomen die de indruk zo verpletterend maakte. Het half lange haar met een grijze spoeling, het witte elegante broekpak, de laarsjes, een sigaret tussen haar lippen, haar chique regenjas over haar arm; het maakte haar tot een zwijgende pleurante. Ze stond in het milde herfstlicht en raakte bijna aan een zonnestraal die door het bladerdak heen viel en de grafstenen met het byzantijnse kruis belichtte. Ik zag haar vanaf een afstand tussen bloeiende struiken door. Na een paar minuten knielde zij, maakte een kruis en verschikte, nadat ze was opgestaan, de bloemen. Nog even stond ze zwijgend. Toen leek ze een besluit te nemen. Ze sloeg haar regenjas om haar schouder en liep weg, zonder om te kijken. Ze liep alsof ze definitief afscheid had genomen. Van haar geliefde? Van een kind? Van haar vader? Van een vriendin? Wie zal het zeggen. Ze beende resoluut in de richting van de poort in de muur en versnelde haar pas tot het haast rennen leek, alsof ze nooit meer wilde terugkeren naar het graf. Ze opende de poort in de muur en sloeg deze hard dicht. Het was een menselijk gebaar dat vorm en inhoud kreeg door de stilte.

Slechts één keer heb ik iemand zo zien lopen, zo definitief weg, overmand door verdriet dat ze eigenlijk niet kon plaatsen. Het is aan het einde van de film ‘The third man’ van Carol Reed als de misdadige Harry Lime is begraven en zijn geliefde de lange laan uitloopt zonder op of om te kijken. Alida Valli kijkt niet om naar de man die haar wil spreken en de wachtende jeep. Als de jeep optrekt is dit aarzelend, haar stappen zijn resoluut: het is voorbij, de dood maakte een einde aan illusies.
Misschien zag ik het verkeerd op dat mooie Romeinse kerkhof en had de tragiek van de romantiek mij teveel beïnvloed: het hart van Shelley, de gestorven geliefde, romantische liefde, innige smart, heimwee naar Rusland, de melancholie van Anton Tsjechov, maar elke keer als ik die dodenakker achter de piramide bezoek, staat haar beeld mij voor ogen.

foto’s (c) Hans Franse

Geplaatst in Column.