Thomas Möhlmann – Dankbaar lichaam

‘Only one kiss. Good-bye, my dear.’

door Peter Vermaat




‘In de poëzie van Thomas Möhlmann komt af en toe een personage langs dat naar de naam Momo luistert. Momo was stationswachter, minderjarige hotelreceptionist, soms meer jongen, soms meer meisje. In Dankbaar lichaam is Momo terechgekomen in een kleine, hechte gemeenschap. De bundel vertelt over de liefde die zich tussen hem en een dorpsdochter ontvouwt, inclusief de dramatische gevolgen voor hem, haar, haar vader en de hele gemeenschap. Het verhaal wordt gedeeltelijk door omstanders en betrokkenen, en grotendeels door de twee geliefden verteld. Elk afzonderlijk gedicht is een korrel in de caleidoscoop die zicht geeft op de grootste waarheid waartoe de menselijke soort in staat blijkt: liefde overwint alles, zelfs als niet iedereen het overleeft.’

Het is niet mijn gewoonte om van iedere besproken gedichtenbundel de tekst op de achterflap te citeren, maar in dit geval zegt deze tekst – bij wijze van uitzondering en vermoedelijk onbedoeld – iets zeer wezenlijks over de bundel in kwestie.

Sinds 2005 publiceert Möhlmann iedere vier jaar een poëziebundel en zo is dit de vijfde in de rij. Daarnaast publiceerde hij dertien bloemlezingen en werkte hij met Ingmar Heytze en Ellen Deckwitz mee aan een bundel over de serie ‘Game of Thrones’. Daarmee kun je zeggen dat de schijnwerpers en Möhlmann aan elkaar besteed zijn. Ook deze bundel, over Liefde met een grote L in Taal met een grote T door een Dichter met een grote D, past in dat plaatje.

Terug naar Momo. De naam komt slechts één keer voor in de bundel: ‘(…) er was niets / tussen het ruimtevaartuig van mijn moeders baarmoeder / en Momo (…)’ (p. 27). Mogelijk verwijzen ook de dubbele A’s die op de voorpagina steeds twee aan twee ineengeschoven zijn tot een M ook naar dit personage, maar meer dan een kompasnaald op een imaginaire landkaart – kijk, daar is het noorden – levert dat mij als lezer niet op. En zo hoort dat ook. Het doet er immers niet toe of de dichter bij het schrijven van zijn gedichten dacht aan Dodo, de degenslikker, of aan Bobo, de tijdschriftenleurder, of voor mijn part aan Zozo, de oude hond van de buren die vanwege verlamming van zijn achterlijf sinds gisteren vastgesjord op een karretje door de buurt wordt gerold. Het is aardig, het is belangwekkend, het is hartverscheurend, maar het doet er allemaal niets toe. De enige ik en jij en voor mijn part dat quasi-moderne wij die er voor de lezer toe doen, zijn de wij en jij en ik die voor hem of haar opdoemen uit de gedichten zelf, die zeer waarschijnlijk vasthaken aan proto-beelden van die personages die een lezer gewoonlijk al heeft en die tijdens het lezen beïnvloed worden door wat is verteld, wat is voorgevallen en wat nog gevreesd of verlangd wordt.

Het verhaal (want de bundel heeft als subtitel een liefdesverhaal in gedichten) in kort bestek: een jongen verschijnt op blote voeten uit het niets en ontmoet een meisje op een feest. Ze gaan samen weg en bedrijven de liefde (één keer, het vervolg blijft vaag). De vader van het meisje komt erachter, en slaat de jongen dood met een stoel, waarop het meisje poogt zelfmoord te plegen door met een strop om haar nek van een stoel te stappen. Haar vader voorkomt dat en vervolgens blijkt ze zwanger te zijn.
De stoel krijgt een prominente rol. Vanaf de zijlijn geven daarnaast Wim, Simon, de kinderen, Peter (de vader van het meisje), René (vader van een zoon die goed knopen kan leggen), Theo (die een hond heeft) en Gust (de barman van het café waar de jongen vermoedelijk de dood vindt) hun kijk op de dingen, in de afdeling ‘Proloog’ in deze volgorde en in de afdeling ‘Dood’ andersom. Vrouwen blijven opvallend afwezig in deze gedichten en ook het meisje blijft naamloos. De enige vrouw die min of meer bij naam gesuggereerd wordt, komt voor in dit gedicht:

Gust

‘Hij dreef aan me voorbij, letterlijk bedoel ik ja:
ik zat aan mijn kant op de driepoot naar de dobber
te staren, zo’n beetje over niets en van alles na te denken

en dacht net nog ha dat is daar tussen de gaatjes
die de regendruppels in het water prikken zo net
een soort gezicht, soort van neus bijna met wangen

en een beetje voorhoofd, beetje haar en verdomd
met zijn ogen omhoog, leek eigenlijk nogal op hoe
heet dat schilderij, met die bloemen en die bleke huid

en hoe zeg je dat, hij voegde zich bij de rivier, loste op
liet me achter met de dobber, de regen en verder geen gezeik.’

(p. 59)

Het schilderij kan bijna niet anders dan Ophelia van sir John Everett Millais zijn, waarachter een verhaal schuilgaat dat ik hier niet onvermeld kan laten. Het gezicht van Ophelia op het schilderij is dat van Elizabeth Siddal (de toen 32-jarige, aan een overdosis opium overleden, muze en echtgenote van Millais’ vriend en mede-pre-rafaëliet Dante Gabriel Rossetti) op haar sterfbed. Bij haar in de kist werd eveneens Rossetti’s notitieboek met onvoltooide gedichten begraven, omdat, zo verklaarde de schilder/dichter aan zijn vrienden, hij te veel met deze poëzie bezig was geweest, terwijl hij in plaats daarvan zijn zieke geliefde had moeten verzorgen. Toen Rossetti zes jaar later echter problemen met zijn gezichtsvermogen kreeg en vreesde dat zijn poëtisch oeuvre van te beperkte omvang zou blijken, vroeg en kreeg hij toestemming om het graf te openen en liet hij het boekje weer uit de kist halen. Na ontsmetting was het weliswaar moeilijk leesbaar, maar nog bruikbaar. Van het gedicht ‘Jenny’, waarom het hem vooral te doen was geweest, was iedere pagina doorboord door een wormgat, maar uiteindelijk wist hij de tekst te herstellen. Dat gedicht eindigt met de regel ‘Only one kiss. Good-bye, my dear.’

Naar pre-rafaëlitische passages hoef je in de bundel van Möhlmann niet te zoeken. Wel is er voor velen wat wils:

Simon

‘Ik kan je wel vertellen zo’n jongen zo’n meisje
vergeet je niet snel heb je bij het duikelrek wel
eens echt goed op die beentjes gelet als wieken

als spaden karnen ze de lucht en waarom dan waarom
moet zo’n wijfjoch zich aan onze dochters vertonen
denk ik dan dat kan ik je wel vertellen waarom

zwaaien die dunne maillotjes rond en rond en verminken
de stilte zwiepen zachtjes met hun teentoppen met hun
schoenen uit zo volkomen met iets anders bezig over onze

bevochten vaderlijke privileges over onze littekens heen.’

(p. 11)

Wat begint als parlando in de eerste zes regels lijkt in de zevende en achtste regel ook in de taal de dagelijkse waarneming te ontstijgen, maar op de een of andere manier overtuigt het niet. Het is alsof de lezer ervan moet worden doordrongen dat iedere gewone dorpsman die in aanraking komt met de jongen ‘op blote voeten’ daardoor anders in de werkelijkheid komt te staan en bij wijze van spreken een buitengewoon schijnsel gaat uitstralen. Maar omdat de taal die daarmee uit dezelfde mond komt als zoëven nog het vooral geluid makende gebabbel, heeft het meer van een reclame waarin een wasmiddel zogenaamd een kamer opeens vult met bloemen. Je leest het, maar gelooft het niet. Ook in de reeks ‘Hooglied’, die onderdeel uitmaakt van de afdeling ‘Liefde’, zijn de Bijbelse ontleningen zo dominant aanwezig, dat de aandacht voornamelijk wordt afgeleid door de spoorzoekerij naar de oorsprong van dit en dat:

Bruid en bruidegom

Ik heb een dankbaar lichaam
ik heb lippen die wachten op haar kus

ze heeft zoute schouders, dijen als pilaren,
haar huid is uit het zachtste binnenwerk
van een appelboom gesneden, zij is

een appelboom tussen de beuken in het bos,
voor haar blijf ik midden in de distels zitten,

ik wil het veld zijn waarin zij kan gaan liggen
het gras dat haar stut, mijn klaverblad lispelt
haar tot rust, ik heb een dankbaar lijf, lippen
die wachten op de hoefslag van haar kus.

(p. 30)

Hier verwijzen ‘zoute’ en ‘pilaren’ naar de vrouw van Lot, die bij de ondergang van Sodom en Gomorra bleef staan, omkeek en een zoutpilaar werd. De appelboom zou afkomstig kunnen zijn uit de Hof van Eden als boom van de kennis van goed en kwaad (hoewel deze boom uitsluitend in de beeldende kunst als appelboom afgebeeld wordt, de tekst zelf heeft het alleen over een boom waarvan de vruchten ‘begeerlijk om daarvan te eten’ zijn) en de distels tenslotte zijn afgeleid uit de gelijkenis van de Zaaier, waar zij het gezaaide zaad verstikten. De hoefslag ten slotte is een vrij ouderwetse allusie op het dichterspaard Pegasus. De ontleningen en verwijzingen verstikken de werkelijke woorden in het gedicht en daarmee de leeservaring: de taal staat niet op eigen benen, komt niet uit eigen klank en ritme tot ervaring, maar wordt overlopen door betekenis en bijbetekenis.

Mijn belangrijkste bezwaar tegen deze bundel is dat hij lijdt aan overcompositie. De essentie van de caleidoscoop is nu juist dat de beschouwer zelf betekenis kan toekennen aan door toeval ontstane patronen van vorm en kleur. Door de lezer via de achterflap te willen dwingen in deze bundeling een caleidoscoop te zien, ontneemt de dichter hem de vrijheid van eigen interpretatie en ontdoet hij daarmee de gebruikte taal van melodie en onderbewuste zeggingskracht. Het wordt een plaatje waarin je, wanneer je de verborgen vorm eenmaal ontdekt hebt, nooit meer iets anders zult kunnen zien. Daar is de lol snel vanaf.

Nee, dan de pre-rafaëlieten.
‘Only one kiss. Good-bye, my dear.’
Dat is genoeg.

____

Thomas Möhlmann (2021). Dankbaar lichaam. Prometheus, 75 blz. € 19,99. ISBN 9789044647736

Geplaatst in Recensies.