Klassieker 252: Radna Fabias – gieser wildeman

door Joost Dancet

Meander Klassieker 252

Joost Dancet bespreekt ‘gieser wildeman’ uit de felbejubelde debuutbundel Habitus (2018) van Radna Fabias (°1983). Het is een mysterieus, ironisch, bezwerend klinkend gedicht over de verhouding tussen vrouwen en mannen, maar vooral over vrouw zijn.


gieser wildeman


gieser wildeman is een stoofpeer
ik ben een vrouw
dat is het dak van een drie eeuwen oud huis
ik ben een vrouw
dat is het troebele vocht dat uit een spaanse perzik langs zijn lippen loopt en ik ben helaas
het vocht en de perzik en elk ander handzaam, zacht, zoet, sappig fruit want ik ben een
vrouw en dat is het brilmontuur van een man van gemiddelde intelligentie, maar ik
ben een vrouw en in mijzelf genoeg
er is geen leegte in mij
er is wel een schuilplaats een voorkamer een wachtruimte een plek
waar ik iemand kan ontvangen:
een man
het begin van een kind
de vingers van een vrouw
toch heb ik aan mezelf genoeg het maakt niet uit
hoeveel postmoderne gendertheorie ik aan mijn heupen hang het is aan mij te zien: ik ben
een vrouw ik zou kunnen bestaan naast een man maar een man is geen lichaam
een man is geen brommende bastonen geen lage stem dikke armen stroeve vingers dikke
huid geen baard een man is geen baard een man is ook geen vagevuur een man is geen lot
een man is geen huis om in te wonen een man is geen bed om op te liggen een man is geen
werkverschaffing een man is geen afleiding een man is geen arbeidstherapie een man is
geen raspaard een man is meer dan aanbiddende ogen in een gestolen nacht een man is
geen kofferbak geen zwaailicht een man is geen diepe buiging voor mijn kruis een man
heeft ook gevoelens
denkt ook na
heeft ook pijn
soms weet hij zelfs waarom hij pijn heeft
een man is
geen vleeshaak geen fileermes geen geweer geen heet merkijzer geen heilig boek
een man is geen wapen geen hobby

een man is geen hobby
een man is geen hobby
een man is geen hobby

een man is geen strafregel
een man is geen troon om met gekruiste benen op te zitten als een dame
ik ben geen dame
ik ben een vrouw


Radna Fabias

uit: Habitus (2018)
Uitgeverij De Arbeiderspers

Radna Fabias’ lijvige debuutbundel Habitus is een onovertroffen succesverhaal. Met deze in 2018 gepubliceerde dichtbundel won zij als allereerste dichter ooit de ‘grand slam’ (dixit VRT) van Nederlandstalige poëzieprijzen: de C. Buddingh’-prijs voor het beste debuut, de Awater-prijs, de Herman de Coninckprijs en De Grote Poëzieprijs. Volgens haar uitgever Peter Nijssen kwam Radna Fabias (° Curaçao, 1983) bij hem terecht nadat hij getipt werd door een andere dichter die bij De Arbeiderspers publiceert, Hester Knibbe. (1) Zij was lid van de jury die de Poëzieprijs van de stad Oostende in januari 2016 schonk aan ‘gieser wildeman’. Het gedicht is ondertussen op veel websites te vinden en de dichter leest het ook zelf voor op tal van online te vinden audio-opnames en YouTube-filmpjes. (2) Al even goed du jamais vu!

gieser wildeman

Dit is natuurlijk een schitterend klinkende, mysterieuze titel voor een gedicht over vrouw-zijn en de verhouding tussen vrouwen en mannen. Zesmaal wordt ‘ik ben een vrouw’ herhaald, het woord vrouw staat er zevenmaal in, het woord man zelfs vierentwintigmaal! Gieser Wildeman lijkt wel de exotische naam van de archetypische man, de macho. Maar die associatie wordt in de eerste regel al onderuitgehaald. Een gieser wildeman is inderdaad ‘gewoon’ een soort stoofpeer. (3) Alhoewel, gelooft de lezer een feitelijke zin in een gedicht? Is een peer ook niet een informeel woord voor een persoon, een kerel, een vent – ‘een geschikte peer’ is het voorbeeld in van Dale.

Maar goed, gieser wildeman is dus een vrucht. Die versregel wordt gevolgd door een tweede feit: de ik is een vrouw. Gevolgd door een derde feit: ‘dat is het dak van een drie eeuwen oud huis’. Vreemde bokkensprongen zijn dat: stoofpeer – vrouw – dak van een woning van meer dan 300 jaar oud. Over welk historisch huis heeft de dichter het? En wat is het logisch of emotioneel verband? Ook deze raadselachtige bewering wordt gevolgd door het feit ‘ik ben een vrouw’. Wat wil deze vrouwelijke ik ons duidelijk maken?

En plots zijn er andere vruchten: een (Spaanse) ‘perzik en elk ander handzaam, zacht, zoet, sappig fruit’. En nu staat er even feitelijk, maar niet zonder emotie: ‘ik ben helaas / het vocht’. Nu daagt het de lezer: de man is een harde stoofpeer; de ik, de vrouw vergelijkt zich met een stuk fruit dat die man blijkbaar aan het opeten is: ‘het troebele vocht dat uit een spaanse perzik langs zijn lippen loopt’. Opvallend zijn ook de komma’s tussen de adjectieven die het vrouwelijk fruit beschrijven. Er komen verder in het lange gedicht bijna geen leestekens voor. Wilde de dichter dat de lezer net deze woorden trager zou lezen, ze op de lippen zou proeven? De man die het sappige, vochtige fruit aan het opeten is, is in de volgende regel blijkbaar drager van een (harde) ‘brilmontuur en van gemiddelde intelligentie’. Dit zou wel eens heerlijke spot kunnen zijn, want de dichter laat die droge mededeling volgen door de vierde zelf-affirmatie ‘ik ben een vrouw’.

Nu blijkt de ik heel zelfzeker: ‘in mijzelf genoeg / er is geen leegte in mij’ enz.  Het lijkt erop dat zij zichzelf hiervan probeert te overtuigen, alsof zij tot inzicht komt na een (nieuwe?) misstap met een ‘gieser wildeman’. Wat die andere eventueel een ‘leegte’ noemt, benoemt zij met vier zelfstandige naamwoorden waarvan de betekenis en de positieve connotaties (door het enjambement na ‘plek’) misschien pas ten volle tot de lezer doordringen op de volgende regel. Wat de ik als vrouw heeft, is iets veiligs (‘een schuilplaats’), iets veelbelovends (‘een voorkamer een wachtruimte’) maar vooral iets zaligs (‘een plek / waar ik iemand kan ontvangen’). Dat de ik hier verwijst naar haar vrouwelijk  geslachtsorgaan blijkt ook uit de volgende, bijna expliciete regels – het is een plek waar ze ‘een man’ kan ontvangen, ‘het begin van een kind en ook de vingers van een vrouw’. Elk van die mogelijkheden krijgt een eigen (zelfstandige) versregel. Haar seksualiteit is blijkbaar niet exclusief heteroseksueel. Maar in het volgende vers blijkt dat ze daar nu niet meer over wil nadenken: ‘ik heb aan mijzelf genoeg’.

hoeveel postmoderne gendertheorie ik aan mijn heupen hang het is aan mij te zien: ik ben
een vrouw ik zou kunnen bestaan naast een man maar een man is geen lichaam

De passus van de ‘postmoderne gendertheorie’ – het idee dat mannelijkheid en vrouwelijkheid los gezien kunnen worden van het biologische geslacht – zorgt ervoor dat de problematiek een bijzonder hedendaags, feministisch tintje krijgt. (4) Toch is het voor haar maar al te duidelijk: ‘het is aan mij te zien: ik ben / een vrouw’ – waarbij het enjambement haar vrouw-zijn nog meer lijkt te beklemtonen.

En dan komt een verwarrende versregel: niet zozeer omwille van het ontbreken van een leesteken na vrouw, maar omdat er staat ‘een man is geen lichaam’. ‘Ze zou kunnen bestaan naast een man’ – zij heeft recht op een leven, zij is zijn gelijke ‘maar een man is geen lichaam’ … Is een man enkel geest, enkel ratio? Wat een rare, grappige gedachte vindt ze dat, want nu somt ze alle lichamelijke cliché-kenmerken van een man op, daarna een aantal maatschappelijke mannenclichés en verwijzingen naar mannelijke seksuele fantasieën – weer in bijzonder lange verzen zonder komma’s. Maar het is een makkelijk leesbare, bezwerende opsomming door het anaforische ‘(een man is) geen’, die ingezet wordt met het welluidende ‘brom-men-de bas-to-nen’:

een man is geen brommende bastonen geen lage stem dikke armen stroeve vingers dikke
huid geen baard een man is geen baard een man is ook geen vagevuur een man is geen lot
een man is geen huis om in te wonen een man is geen bed om op te liggen een man is geen
werkverschaffing een man is geen afleiding een man is geen arbeidstherapie een man is
geen raspaard een man is meer dan aanbiddende ogen in een gestolen nacht een man is
geen kofferbak geen zwaailicht een man is geen diepe buiging voor mijn kruis een man

Die laatste zin eindigt met een enjambement, een ware cliffhanger: ‘een man’ …

heeft ook gevoelens
denkt ook na
heeft ook pijn
soms weet hij zelfs waarom hij pijn heeft

Plots zijn er nu bijzonder korte versregels, alsof de spot er ook letterlijk vanaf druipt …

een man is

Dit bijzonder korte vers schept dan weer verwachtingen. Wat nog meer?

Wat volgt is een nieuwe reeks omschrijvingen ‘wat een man niet is’: een vreselijke opsomming van wapens die allemaal verwijzen naar het mannelijk geslachtsorgaan, de fallus – opnieuw klankexpressief benadrukt door het anaforische ‘geen’.

geen vleeshaak geen fileermes geen geweer geen heet merkijzer geen heilig boek
een man is geen wapen geen hobby

Verwijst heilig boek ook naar de fallus? Dat zou wel eens kunnen. Hebben mannen geen heilige verering voor hun geslacht – draait het in de mannelijke seksualiteit niet altijd om penetratie? Oké, ‘een man is geen wapen’ maar waarom ook ‘geen hobby’?

een man is geen hobby
een man is geen hobby
een man is geen hobby

Het lijkt nu alsof de plaat blijft hangen. Driemaal nog wordt het mantra ‘een man is geen hobby’ herhaald – typografisch een aparte strofe zelfs in dit gedicht. Moet ze zichzelf overtuigen, haar soortgenoten, alle lezers: voor vrouwen is een man geen vrijblijvend liefhebberijtje, geen leuk tijdverdrijf?

En dan volgen de laatste vier versregels van het gedicht – opnieuw typografisch een aparte strofe:

een man is geen strafregel
een man is geen troon om met gekruiste benen op te zitten als een dame
ik ben geen dame
ik ben een vrouw

Dit zijn retorisch welluidende verzen door de tweemaal twee anaforische zinsstructuren – ‘een man is geen (…) een man is geen … ik ben (geen …)  ik ben (…)’ – met elkaar en met de voorbije regels verbonden door ‘geen’. Dat net in de laatste regel een einde komt aan die vele zinnen en zinsdelen met geen (er zijn er 13 op een rij!) maakt het eindvers des te krachtiger. Ook ‘strafregel’ verwijst naar de vorige strofe. Het is de straf die leerlingen in de lagere school soms kregen (krijgen?): schrijf 50 maal dezelfde zin – ik ken een machtsgeile mannelijke leerkracht die daarbij zei: in twee kleuren, elke letter in een ander kleur. Straf verwijst zo naar het wrede lot van heel wat vrouwen in het verleden én vandaag in een wereld waar mannen het (nog steeds) voor het zeggen hebben. Maar het is ook niet zo dat de ik als dame wil zegevieren, als zogenaamde geëmancipeerde vrouw op hoge hakken, met zonnebril in het opgestoken haar en gekleed in Gucci: als een koningin zittend op haar man, haar ‘troon’. Neen, zij is … ‘een vrouw’. En wat dat vrouw-zijn betekent, wil zij zelf ontdekken – los van biologie, sociologie en geschiedenis én ‘gieser wildeman’-nen.

Aan het einde van het gedicht staat geen punt. Dat is niet uitzonderlijk in deze bundel. Er staan nergens punten op het einde (er staan trouwens ook geen punten en hoofdletters in de versregels). Alsof de dichter ook hiermee wil aanduiden dat er voor haar geen zekerheden zijn, alsof ze voortdurend op zoek is naar wat het voor haar betekent vrouw te zijn. Een zoektocht zonder einde.

Het gedicht ‘gieser wildeman’ is niet het eerste gedicht van Habitus, maar het laatste gedicht van ‘rib’, de tweede afdeling van de bundel. Een afdeling waarin Fabias exploreert wat het betekent vrouw te zijn. Dat ze in de titel van de afdeling en in het gelijknamige gedicht metaforisch verwijst naar Eva, de allereerste vrouw in het Bijbelse scheppingsverhaal én haar relatie met de allereerste man, is een poëtische vondst die deze zoektocht een eeuwige, universele dimensie geeft. (5) Maar dat beeldend vernuft zal de lezer van deze bespreking niet verbazen. Net zoals het hem of haar niet langer zal verbazen – hoop ik – dat twee jaar voor de debuutbundel van Radna Fabias verscheen, een schare Vlaamse en Nederlandse dichters dit gedicht van de toen nog volslagen onbekende, jonge dichter met de eerste prijs bekroonde. Of misschien moet je ‘gieser wildeman’ van Radna Fabias ook echt horen en zien?

Joost Dancet
met dank aan Marianne, steeds opnieuw mijn eerste kritische lezer en klankbord. Dank ook aan Jan De Corte, Marc Teerlinck, Danny Van De Velde, Katrien Olivier, Koen Vandendriessche en Hans Puper voor hun kritisch commentaar en suggesties.

 

____

Voetnoten

(1)
‘Took me a while to learn the good words.’ – Te voorschijn springt een onverschrokken dichter. Over ‘Habitus’, de debuutbundel van Radna Fabias
https://nijssenschrijft.wordpress.com/

(2)
Google zoekopdracht met de woorden gieser wildeman Radna Fabias

(3)
Strikt genomen moet er in een feitelijke zin staan: Een gieser wildeman is (de naam van) een stoofpeer.
“De Gieser Wildeman (Pyrus communis ‘Gieser Wildeman’) is een stoofpeer. Het ras is gekweekt door de heer Wildeman uit Gorinchem en in de handel gebracht omstreeks 1850. In de commerciële fruitteelt is Gieser Wildeman in Nederland het meest geteelde stoofperenras.”
https://nl.wikipedia.org/wiki/Gieser_Wildeman
Over de hoofdletters – gieser wildeman moet met een kleine letter geschreven worden, de persoonsnaam is een soortnaam geworden.

(4)
https://rosavzw.be/site/kwesties/gender/gender-en-feminisme

(5)
21 Toen deed de Heere God een diepen slaap op Adam vallen, en hij sliep; en Hij nam een van zijn ribben, en sloot derzelver plaats toe met vlees. 22 En de Heere God bouwde de ribbe, die Hij van Adam genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot Adam. 
Genesis 2, 21 – 22.
https://historiek.net/dat-is-een-rib-uit-mijn-lijf/

Meander Klassiekers

In deze rubriek bespreken we elke maand een bijzonder gedicht, dat de tand des tijds heeft doorstaan. Of zal doorstaan. Sinds 2000 zijn in deze reeks ruim 200 analyses verschenen. Klik hier voor recente klassiekers, en hier voor een overzicht van de klassiekers vanaf 2000 – heden.

Reageren op deze bespreking?

Neem contact op met de redactie: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Zelf een bijdrage leveren?

Mocht u zelf ideeën hebben voor een bespreking, neem dan tijdig contact met ons op: Xklassiekers@meandermagazine.nlX (verwijder de hoofdletters X uit dit adres)

Joost Dancet, redacteur Meander Klassiekers

Geplaatst in Klassiekers.