Dorien de Wit – Eindig de dag nooit met een vraag

‘wanneer ik op de klok kijk staat de tijd altijd stil’

door Hans Puper




Van de debuutbundel van Dorien de Wit, eindig de dag nooit met een vraag, is inmiddels een tweede druk verschenen. De bundel was genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs, die uiteindelijk naar Parkplan van Wout Waanders ging. Als beeldend kunstenaar was zij al bekend, als dichter iets minder: ze publiceerde onder andere in Het Liegend Konijn, Hollands maandblad en De Revisor. In 2017 won zij de Turing Gedichtenwedstrijd.

Met de titel geeft de dichter zichzelf een goede raad. In haar wereld is niets zeker en dat kan ten koste gaan van je nachtrust. ‘There is nothing more deceptive than an obvious fact’ luidt het motto van de bundel. Het is een uitspraak van de onvolprezen Sherlock Holmes. Maar dat is niet het enige: ‘als ik een oog dichtknijp / zie ik mijn neus aan de rand van mijn uitzicht / met twee ogen open is hij doorzichtig’, (p. 13). Bedrieglijke feiten en onvolledige waarnemingen: tel uit je winst. Niets staat vast in de bundel van De Wit. Formeel zie je dat in het volledig ontbreken van hoofdletters; leestekens gebruikt zij nauwelijks. Niet voor niets gebruikt zij vaak het stijlmiddel van de paradox, want dat is een uitstekend middel om kortsluitingen te verbeelden. Het volgende humoristische fragment komt uit een titelloos gedicht (p. 20):

opnieuw word ik wakker
op een feestje waar iemand me vertelt
dat er laatst een acteur overleed
tijdens een sterfscène

het personage leeft nog schijnt

Ook omkeringen gebruikt ze regelmatig. Schrijnend is de volgende: ‘massa is een natuurkundige grootheid / die met traagheid samenhangt // als je naar me toe loopt word je groter // (…) // als je van me weggaat word ik kleiner’ (p. 42).

Alles is in beweging, van niets ben je zeker en dat maakt bij tijd en wijle zeer onrustig, zoals blijkt uit het volgende gedicht (p. 43):

dertien keer ademhalen tot de overkant

onder mijn voeten schuift het asfalt
rolt de weg omhoog tot brug
bij elke stap zakt mijn voet in de afdruk
van de voet in mijn schoen

ik adem en als ik niet denk aan ademen
gaat het goed

ik houd de reling vast
draag de hele brug
als ik naar beneden kijk voel ik het vallen
wanneer ik mijn ogen sluit is er grond

de leegte als val voorstellen
ook in liften, op balkons, ik kan zelfs vallen
van begane grond

een pad ontstaat door het volgen
van steeds dezelfde gedachte
ik adem

in de diepte schuiven aardplaten
met de snelheid
waarmee mijn nagels groeien

als het schuiven stokt
beeft de grond

grijp ik
in de lucht

Asfalt schuift, de weg rolt, zelfs de grond waarop je staat is beweging – in de diepte. En o wee als aardplaten worden gestuit: ‘dan beeft de grond’. Zolang de dichter niet aan ademen denkt gaat het goed, maar dat doet ze helaas wel – zie de titel. Een remedie tegen de onrust is het volgen van steeds dezelfde gedachte, dan ontstaat een pad. Plattegronden kunnen ook houvast geven, maar niet altijd: als de dichter eens haar weg zoekt in een gebouw blijkt zij zich niet te hebben georiënteerd op een plattegrond, maar een dwarsdoorsnede. (p. 25). Soms maakt zij zelf haar routes: ‘ik ga alleen naar buiten / om een vorm te lopen / een perfect vierkant of de eerste letter van je naam’ (p. 41).
Een verloren (of bijna verloren) liefde speelt een belangrijke rol in de bundel; ook dat vind je terug in die (imaginaire) routes. Een mooi voorbeeld is ‘sneeuw’ (p. 46), waarin een hek de dichter en haar geliefde scheidt. De man legt uit hoe je routes – liefdesroutes? – vertrouwd maakt, maar lukken doet het niet, gezien de laatste strofe.

sneeuw

zag net de weerman in het achtuurjournaal
hoorde de knik in zijn stem
er komt dooi

die ochtend, ik tegen het hek geleund
het hek dat maar niet omviel, en jij
in de sneeuw, boswachtersjas, groene laarzen
bleef achter het hek in je voetstappen staan

vertelde me hoe je tegenwoordig dingen oefent
iemand in de ogen kijken
routes vertrouwd maken door ze met je wijsvinger
te tekenen in de palm van je hand

ik keek over mijn schouder toen ik de hoek omging
zag je schutkleuren afsteken
tegen de witte achtergrond

voelde in de bocht
waar ik van je handpalm raakte

Mooi is het woord ‘raakte’ in de laatste regel. De Wit had ook kunnen schrijven: ‘viel’, maar, zoals al eerder in het gedicht bleek, de liefde verdwijnt geleidelijk: ze kunnen elkaar niet meer bereiken.

Uit het bovenstaande zou je kunnen opmaken dat eindig de dag nooit met een vraag een sombere bundel is, maar dat is niet zo. Als je de grondhouding van de dichter met één woord zou willen typeren, dan is dat nieuwsgierigheid. Dat kan leiden tot vermakelijke fantasieën, zoals in ‘plannen maken (tijdens het wachten op reparatie van een gebroken bovenleiding)’ (p.38/39). Ik geef er een paar: ‘een boot bouwen die zo groot is / dat bij tewaterlating / de zeespiegel stijgt’. Of: ‘een heel dorp van oost naar west verschuiven / tegelijk met de draaiing van de aarde / zodat in het dorp geen tijd meer verstrijkt’. En: ‘een kamer bouwen zo groot dat de horizon binnen de kamer ligt’.
Die horizon is een belangrijk motief in de bundel: het is een beeld voor verdwijnen, uit zicht raken, soms gewenst, soms niet. Het motto van de eerste van de drie afdelingen luidt: ‘je moet weten waar je horizon is’. Alles wat eindigt beweegt naar de horizon (p. 23), de horizon is een vluchtpunt (p. 33), maar zie je hem altijd? Nee, lezen we op p. 32: ‘de grijsblauwe lucht valt in zee waar ik een horizon verwacht’. Ook die horizon is veranderlijk: ‘je kunt de horizon verschuiven door te bewegen met je hoofd’ (p. 42). En wie denkt dat de horizon altijd een licht krommende lijn is, heeft het mis: ‘in de bergen is de horizon een golvende lijn / staand op een berg ben ik onderdeel van die lijn / ik pak de bovenste steen en verander de horizon’ (p. 50).

Het laatste gedicht heet ‘pasvorm’. De dichter wil terug naar het huis waar haar ‘groeistreepjes op de muur staan’. Dat klinkt hoopgevend, want groeistreepjes zijn meetbaar. Maar nee: ‘een liniaal meet vooral zichzelf / stopt niet met meten als je hem in een lade legt.’ De tijd heeft niet stilgestaan, je kunt het huis van je jeugd alleen nog maar beschrijven. ‘Pasvorm’ gaat over dichten: ‘ik beschrijf het huis van vroeger / maar beschrijf er net naast // het verschil is haast groot genoeg voor een mens / om in te wonen.’ (p.75). Haast groot genoeg, dat is een ongemakkelijke positie voor de dichter, maar een geluk voor de lezer: een garantie dat er nog wel een of meer bundels volgen.
___

Dorien de Wit (2021). eindig de dag nooit met een vraag. Arbeiderspers, 77 blz. € 18,99. ISBN 9789029541961

Geplaatst in Recensies.