Bier en wijn in San Saba

door Jan Loogman

Op de kaart de plaatsen die elke bezoeker van deze stad moet zien. Niet meer dan negenhonderdvijftig meters tussen mijn bed en het Colosseum. Het Forum Romanum vlakbij, Vaticaan en Sixtijnse kapel verder weg maar gemakkelijk bereikbaar dankzij de metrolijnen van de stad. Het Palazzo Doria Pamphilj, een pareltje dat ik niet mag missen. Ben ik een toerist? Ik vouw de kaart op en leg hem op de balie. In de ontbijtruimte druk ik op de knop Caffè. Op tafel ligt tussen de kranten en tijdschriften een poëziebundel van Montale. ‘Ho sceso, dandoti il braccio, almeno un milione di scale / e ora che non ci sei è il vuoto ad ogni gradino, lees ik. [1] Mijn Italiaans schiet tekort voor het vervolg maar door deze eerste regels herinner ik me de trappen aan de overkant van de brede straat. Daar ligt op de kleine Aventijn de dorpse wijk San Saba.  Ik ben een Romein.

foto (c) Roma Today

 

In San Saba is zelfs de kerk geen bezienswaardigheid waar mensen op afkomen. Er is alleen maar doodgewoon leven.  Oude mannen en vrouwen die in het parkje op de bankjes zitten, in de schaduw van de bomen. Verpakkingswikkels die naast de overvolle afvalbakken terecht zijn gekomen. Kinderstemmen die vanachter het muurtje bij het clubgebouw de wijk inwaaien. De bakker zit op een kruk voor zijn winkel, het is na de middag, zijn werk is gedaan. Ik groet hem, hij groet terug. Hier is het leven zoals het altijd is geweest, het leven van alledag. ‘De Eeuwige Stad,’ schreef Jacob Israël de Haan, ‘O, Lied, wat is er eeuwig? / Van Rome naar Jeruzalem reisde ik / Langs zee’n diep en bergen bar en sneeuwig: / Ik vond niets eeuwig dan het ogenblik.’

foto (c) Mapio

 

Achter de winkel is de wereld veranderd. De bakkersdochter is op de binnenplaats een bar begonnen. Bomen, tentdoeken, schaduw. Om me heen stemmen van jonge mannen en vrouwen, waarschijnlijk de ouders van de kinderen bij het clubhuis.  Op de tafels glazen met thee van gember en verse munt. Als ik mijn bier bestel, dringt de serveerster op specificatie aan. ‘Birra alla spina’ spreekt niet voor zich, speciaalbieren zijn doorgedrongen. Mijn keuze valt op een ReAle van brouwerij Birra dell’borgho. The real thing, la cosa vera. Ik leun achterover, kijk om me heen en constateer dat mijn Romein zijn plek gevonden heeft tussen kapitaalkrachtige dertigers en veertigers, de nieuwkomers in deze buurt. Niemand die het ziet maar in mijn hoofd klinkt Rutger Kopland: ‘Lichaam, denk ik, als je mijn eigen lichaam bent / waar heb je me gevonden / waar breng je me heen / waar laat je me gaan?’

foto (c) Tripadvisor

 

Was ik bij de oudjes in het parkje gaan zitten, dan had ik mijn keuze voor een jong, fris, blond speciaalbier niet kunnen maken. Ik ben een moderne reiziger. Zo een die overal zijn vertrouwde omgeving vindt. Of toch niet? De bakker is op het terras van zijn dochter verschenen. Hij zet bakjes met versgebakken chips voor de mensen neer. Met de een maakt hij een praatje, de ander negeert hij met een chagrijnig gezicht. Dit is Italië. Na de chips de groene olijven. Voor wie wil, pizza rossa. De bakker deelt uit. Met twee stukken pizza in mijn hand verlaat ik het terras en loop naar het parkje. Buonasera, groet ik de man naast wie ik op een bankje ga zitten.  Hij neemt pizza van me aan. Achter ons ratelen de rolluiken van de bakkerswinkel, mijn buurman en ik leggen wat munten bij elkaar, hij staat op en komt even later terug met een fles rode wijn. ‘Geen fijne wijn vroeg ik. Gewone, ruwe. / Maar had ik het gewaagd, hij stond al klaar / me witschuimend in mijn gezicht te spuwen.’ (Cecco Angiolieri, vertaling Dolf Verspoor).

foto (c) Bierista

 

 

[1] “Ik daalde met jou aan mijn arm minstens een miljoen trappen af / en nu je er niet bent, wacht een leegte na iedere tree.”

Geplaatst in Column.