Stadhouderskade 42 te Amsterdam

door Hans Puper

In een column over concrete poëzie schreef ik dat Theo van Doesburg en Greta Monach de werking van klank als het wezen van poëzie beschouwden. Van Doesburg: ‘Poëzie (…) is het zijn zelf, dat zich door klank, klankverhouding en klankcontrast uit’. Greta Monach voegde daaraan expliciet de vorm toe: ‘Alles wat een vers tot poëzie maakt – alles wat het onderscheidt van een simpele mededeling – blijkt te berusten op de werking van bepaalde klanken en vormen (via oor en oog) op ons bewustzijn.’ Dat klinkt heel aannemelijk, meer dan aannemelijk zelfs. Zou de bijzondere werking van klanken en vormen universeel zijn? Als je zo’n vraag wilt beantwoorden, kun je het best naar tegenvoorbeelden zoeken. En als je tegenvoorbeelden zoekt, raadpleeg je het werk van K. Schippers.

In Een leeuwerik boven een weiland, een keuze uit zijn gedichten, staat de volgende regel in zijn eentje op een bladzij:

Stadhouderskade 42 te Amsterdam

(Oorspronkelijk stond die regel in Een klok en profil uit 1965. Over een gedicht uit dezelfde bundel schreef Herbert Mouwen vorige week een mooie Klassieker). Dit is niet de poëzie die Van Doesburg en Monach voor ogen stond. Kan zijn, maar ik heb nog nooit zo bondig verwoord gezien wat taal doet met je beleving van de werkelijkheid. Het maakt nogal wat uit of je het adres van het Rijksmuseum hoort uitspreken of de naam van het museum zelf. Als je zegt dat je morgen naar het Rijksmuseum gaat zal niemand verrast opkijken, maar als je enthousiast en zonder enige toelichting vertelt dat je naar Stadhouderskade 42 gaat, staat iedereen je glazig aan te kijken. (Overigens bevindt de bezoekersingang zich sinds de verbouwing aan de Museumstraat).

Bij Schippers ging het om opmerkzaamheid: als je het bijzondere in het schijnbaar gewone opmerkt, gaat er een wereld voor je open. Dat vraagt aandacht en reflectievermogen, want

Jij hebt de dingen niet nodig
om te kunnen zien

De dingen hebben jou nodig
om gezien te kunnen worden

Dit misschien wel meest bekende gedicht van Schippers heet niet voor niets ‘Liefsdesgedicht’. Hij beschouwde die liefde als wederzijds.

Zouden Van Doesburg en Monach van ‘Stadhouderskade 42 te Amsterdam’ een gedicht hebben genoemd? Van Doesburg niet, dat weet ik wel zeker. Hij zou het irritante onzin hebben gevonden, maar Monach heel misschien niet. Zij had het niet alleen over klanken, maar ook expliciet over vorm. Welnu: het adres staat links bovenin op een verder geheel lege bladzijde en dat wit, die leegte, valt met die regel meer op dan zonder. Omgekeerd valt de regel door al dat wit ook meer op; wellicht sta je er dan langer bij stil. Je zou het wit als onderdeel van het gedicht kunnen beschouwen en dan heeft dat ook iets te vertellen. Een kwestie van vorm, dus. Geen gekke gedachte, want ‘Wit is een oude meester’ schreef Schippers in een gedicht, dat ook in ‘Een leeuwerik’ staat. Hij gebruikte het wit heel bewust:

Wit

Het wit tussen regels
Ook het wit tussen woorden

Dat is iets anders dan
‘daar staat niets’
of
‘daar gebeurt niets’

Wit wordt gezien
omdat het op papier
niet alleen is

Vergezeld wit geeft richting aan ogen

Richting lijkt er ook altijd
te zijn als je gewoon
om je heen kijkt: toch hoeft
er niet speciaal iets te gebeuren

Dat is het verschil met papier:
zolang er wit is
volgen er meestal wel
scènes of gebeurtenissen

Wit is een oude meester

Dit gedicht liet hij volgen door een reeksje van vier. Het langste gedicht telt drie woorden, het kortste één. Achtereenvolgens: ‘zwart bedekt wit’, ‘zwart bedekt’, ‘bedekt wit’ en ‘bedekt’. Ze staan linksboven op afzonderlijke pagina’s. De leegte valt nog meer op dan bij ‘Stadhouderskade’. Maar er valt meer te zien. ‘Zwart bedekt wit’: ja, dat klopt, want de letters zijn zwart. Maar het wordt nog leuker als je ziet dat het woord ‘wit’ in zwart is afgedrukt, de eerste drie regels ambigu zijn en de tweede en derde spiegelen.
Misschien zou Van Doesburg met dit reeksje wél akkoord zijn gegaan, omdat er een klankstructuur is te herkennen.

Terug naar ‘Stadhouderskade 42 te Amsterdam’. Is dat nou poëzie? Niet als die regel op een envelop staat, maar wel in een bundel, want dan verwacht je gedichten en daardoor lees je anders. Bovendien werken de andere gedichten mee. Je blik wordt gestuurd en dat zou je ironisch kunnen noemen: je bent de onbevangenheid kwijt die Schippers zo belangrijk vond. Of ben je die toch niet kwijt, omdat je opmerkt dat het adres binnen en buiten de bundel een verschillende werking hebben?

Rest nog de vraag of ‘klank, klankverhouding en klankcontrast’ wezenlijk zijn voor poëzie. Ik vind van niet. Over de vorm ben ik niet helemaal zeker.

____

Ik heb voor deze column ten dele geput uit mijn Klassieker ‘Wit’ uit 2014.

Geplaatst in Column.